Een lege stoel

In een voetnoot las ik ooit een verhaal over een vrachtwagenchaufeur die de leegte inlaadde en wegreed. Inderdaad, dat was een wetenschappelijke voetnoot....

Marjolein Februari

Het probleem was dat de leegte onderweg pardoes uit de laadbak kieperde. De chauffeur kwam daar gelukkig al snel achter en hij besloot zijn vrachtwagen om te keren en een klein stukje terug te rijden. Zo bereikte hij in minder dan geen tijd de leegte, waarin hij op hetzelfde moment, omdat hij niet tijdig remde, reddeloos verdween.

Ik denk dat het de nadering van de zomer is die mij doet denken aan de leegte en aan het niets. Want met de nadering van de zomer verdwijnt ons openbare debat ieder jaar weer in dat grote gat dat we zelf hebben laten vallen. En ik - nu ik hier na honderd weken in mijn honderdste bijdrage aan het openbare debat terugkijk op de leegte waarmee ik heb rondgereden - ik sta op het punt halsoverkop te verdwijnen in de vakantie.

Ik geloof dat ik aan het eind van het seizoen een beetje ben leeggeschreven en dat ik daarom noodgedwongen teruggrijp op mijn verzameling teksten over het niets. Dat zijn teksten die ik altijd gebruik als ik wat al te lang druk ben geweest, want geloof me, niets helpt zo goed tegen zenuwziekte als niets. De meest opgewekte en meest constructieve tekst die ik in mijn verzameling heb, is het gedicht van Christian Morgenstern over de leegte tussen de latten van een hek. De tussenruimte van het hek dus, de ruimte waar je dwars doorheen kijkt: 'Es war einmal ein Lattenzaun, mit Zwischenraum, hindurchzuschaun.'

De tekst is zo plezierig constructief omdat Morgenstern iets heeft gemaakt van de leegte. Dat wil zeggen, hij heeft een architect voorbij laten komen die al snel mogelijkheden zag in de ruimte tussen de latten. Deze architect 'nahm den Zwischenraum heraus und baute draus ein grosses Haus.' Uiteraard was, nu de ruimte in het huis zat, de leegte tussen de latten verdwenen, zodat het hek wat berooid achterbleef als een stel latten zonder context: 'Der Zaun indessen stand ganz dumm, mit Latten ohne was herum'.

Enfin, als ik hierboven misschien even heb gesuggereerd dat we in openbare debat louter leegte van hot naar her verplaatsen, dan heb ik dat natuurlijk alleen maar bedoeld in de constructieve zin van Christian Morgenstern. De leegte die we in kranten en tijdschriften, in praatprogramma's en in parlementaire discussies verplaatsen, is een leegte die ruimte en context biedt aan de dingen. En die constructieve leegte, dat niets tussen de spijlen van de maatschappij, is precies het gat waarin het openbare debat straks tijdens de zomer verdwijnt.

Ach nee, zolang we nog met elkaar in gesprek zijn, moet ik eigenlijk niet over niets schrijven. Ik kan u op deze laatste dag voor de vakantie beter wijzen op uw eigen aandeel in het zomerse inkrimpen van de kranten en het stilvallen van het debat. Ik geef u daarom op de valreep twee teksten mee over het gat waarin u en ik zometeen samen zullen verdwijnen. Twee teksten over een gesprek waarin plotseling een lange stilte valt.

De eerste tekst is van de onvolprezen schrijfster Katherine Mansfield. Uit haar verhaal A Dill Pickle. Mansfield laat met innemende onpartijdigheid de ontmoeting zien tussen een man en een vrouw die ooit een verhouding met elkaar hadden en die nu, zoveel jaar later, nog steeds in misverstand en verwarring met elkaar spreken. Ze hebben elkaar nauwelijks begroet, de vrouw heeft zojuist iets gezegd, of de man verontschuldigt zich, roept de serveerster, bestelt koffie, biedt de vrouw fruit aan, glimlacht en vraagt: 'Wat zei je ook alweer?'

Katherine Mansfield schrijft: 'Ze dacht eraan hoe goed ze zich die hebbelijkheid van hem herinnerde - de hebbelijkheid om haar in de rede te vallen - en hoe dat haar zes jaar geleden altijd ergerde. Ze kreeg dan altijd het gevoel alsof hij, heel plotseling, in het midden van wat ze aan het zeggen was, zijn hand op haar mond legde, zich van haar afkeerde, zich bezig hield met iets anders, en dan zijn hand wegnam, en met precies diezelfde wat al te brede glimlach, haar zijn aandacht weer schonk... Nu zijn we klaar. Dat is geregeld.'

Aanvankelijk stelde ik me het zo voor, hoe ik hier in de komende weken zou zwijgen, alsof ik in het midden van ons gesprek opeens uw hand op mijn mond voelde die me het spreken belette, om dan aan het eind van de zomer uw aandacht weer op me gevestigd te weten: 'Wat zei je ook alweer?' Dat gaf een mooi Katherine Mansfield-gevoel over de zomer, met een lichte verontwaardiging over uw hand die me zo onuitgenodigd beroerde.

Maar meteen daarna herinnerde ik me wat Botho Strauss schreef over een man in een café die tijdens een gesprek door zijn gesprekspartner plotseling wordt verlaten: 'De man aan het tafeltje, abrupt onderbroken in zijn verhaal, peinst voor zich heen. Af en toe kijkt hij verstolen en ongeduldig of zijn node ontbeerde toehoorder nog altijd niet terug komt - nog steeds ligt zijn arm om de onbezette stoel.' En zo kon mezelf ook wel zien halverwege de zomer, als een praatzieke drammer die door zijn publiek wordt gemeden, maar dat nog steeds maar niet wil begrijpen: 'Het onderbroken verhaal en de aandrang om verder te vertellen staan op zijn gezicht, in zijn licht afwezige, alerte, wachtende uitdrukking te lezen.'

Kortom, het kan zijn dat u uw hand vanzelf wel weer van mijn mond haalt. Maar het kan ook zijn dat u mij over twee maanden ergens vertwijfeld aantreft met mijn arm om een lege stoel. Ik hoop dat u dan na uw vakantie voldoende uitgerust bent om gewoon weer op die stoel te gaan zitten.

Meer over