Column

Een lange, zure preek over mij

Het kwam allemaal door mij.

Peter Buwalda
null Beeld Thinkstock
Beeld Thinkstock

Is er een aanleiding? Neu. Nou ja, ik moest eraan denken. De eerste stampede vond plaats op het schoolplein van De Vossener, het instituut waaraan ik destijds studeerde. Ik kwam 's ochtends aanwandelen, in korte broek natuurlijk, het was zomer, ik zat vol plannen, misschien moest ik Dennis van den Brandt eens in de brandnetels gooien. Gewoon, omdat hij zo heette.

Het kwam er niet van, er was iets gaande: voor de ramen van de klaslokalen, en dus ook in de plantsoenen, verdrongen zich honderden kinderen, joelend, brullend, elkaar beklimmend en opzij sleurend. Het bewoog, stemmen gilden 'dáár!', als de slurf van een tyfoon raasde de meute naar een volgend raam, rozenbottelstruiken ontwortelend, brillen en melkbekers vertrappend.

Waarom? Om glimpen op te vangen van meneer Hendriks, de kinderbeul van klas 5, die alle dagen een spijkerpak van Lee droeg, of feitelijk was het andersom, het spijkerpak van Lee droeg meneer Hendriks, de man gaf zijn spijkerpak handen en voeten, mens en textiel waren één. In het weekend zat hij bloot naast de wasmachine, nerveus rokend, in de hoop dat zijn tweede huid het ging overleven.

Nu beende hij opgejaagd door de school en sleurde als een hoefijzermagneet die kinderschare achter zich aan. 's Ochtends had meneer Hendriks namelijk besloten: weet je wat, ik trek voor de verandering eens mijn trouwpak aan, met een fraaie stropdas.

'Je lult', zegt Suzy.

'Geen letter.'

Een half jaar later kwam ik opnieuw aanwandelen, nu met wanten en een muts. Voor de ingang stond meneer Kersten van klas 6, de vakgroep waaraan ik zelf als jonge onderzoeker verbonden was. 'Wegwezen', riep hij naar de kinderen, 'jullie hebben ijsvrij. De verwarming is stuk.'

Het sein voor de tweede kinderstampede. Als ratten met één instinct dreven wij het plein af, krioelden de buurt in, de Dickenslaan over, door de Malherbestraat, leuzen scanderend, tot we, gedreven door één innerlijk oorlogskompas, aankwamen bij 't Ritjen, de aartsvijand, de rivaal, zo katholiek als het vet in de boord van meneer pastoor (waarvan zijn huishoudster krachtige bouillon trok, stel ik me zo voor).

Nu stond ik vooraan, trappend op stekelig kreupelhout, en schoof ik brullend langs de klaslokalen. Ik zag Max zitten, mijn buurjongen, mijn judovriend, hij hield een triangel vast, er vlogen kluiten modder tegen de ruiten waartegen ook ik spuugde en sloeg, 'wij hebben ijsvrij, ijsvrij, ijsvrij' klonken onze spreekkoren, op een cadans die al snel overstemd werd door: sirenes.

Politie! De wouten, op z'n Venloos. Er stopten auto's, er klonk een megafoon. Als makke runderen werden we teruggedreven naar onze onderwijsinstelling, waar de klassen zich geruisloos vulden, de lokalen sloten, het trok er koud op, de verwarming was nog aardig stuk.

Het eerste uur zweeg Kersten, iedereen zweeg, de stilte was wat je noemt: geladen. Waar bleef de preek?

Ik dacht, ik maak een grapje. Ik geef gewoon een kik. Iets geinigs! 'U staart ons al een uur aan', zei ik tegen Kersten, 'als een botsauto'.

De enige die lachte, vet, honend, was Frank Stützer. Maar die kwam uit Duitsland. Verder wist iedereen: niet goed. En het was ook niet goed. Het was slecht.

De preek die volgde ging niet over de massa's. Die preek ging over mij. Een lange, zure preek.

Meer over