Een lange slinger naar het Achterhuis

'De meest geheime plek van Amsterdam moest toegankelijk worden voor zo veel mogelijk bezoekers.' Zo vat architect Mels Crouwel het dilemma samen bij de verbouwing van het Anne Frank Huis....

door Nell Westerlaken

HET BEELD is de Amsterdammers inmiddels net zo vertrouwd als dat van de Westertoren zelf: aan de Prinsengracht, in de schaduw van de toren, staat een rij van tientallen, zo niet honderden mensen, die voetje voor voetje het pand op nummer 263 binnenschuifelen.

Deze ochtend zijn het vooral Japanners die giechelend samendrommen onder het dak van hun eigen paraplu's. Voor elke bezoeker die door de historische deur verdwijnt, lijken er twee achter aan te sluiten in de rij. Zo meteen zullen ze de trappen beklimmen van het grachtenpand, achter de boekenkast langs, weer een trapje op, naar de beklemmende vertrekken van het Achterhuis, waar Anne Frank tussen 1942 en 1944 haar dagboek schreef. Een constante stroom bezoekers die zich door kleine, krappe ruimten wringt. Waren het er in 1996 nog 600 duizend, vorig jaar liep het aantal op tot 820 duizend; de traptreden worden elke twee jaar vervangen.

'De rijen buiten zullen korter worden, maar niet helemaal verdwijnen', zegt directeur Hans Westra van het Anne Frank Huis. In september wordt de nieuwe vleugel van het museum geopend, na dertien jaar passen en meten binnen de beperkingen die de Amsterdamse grachtengordel oplegt. Hoeveel bezoekers je ook tegelijk wilt bergen, ze komen allemaal om de kleine vertrekken te zien waar acht joodse onderduikers zich verborgen hielden voor de Duitse bezetter, en om zich in het kamertje met verweerde filmsterrenfoto's aan de muur een persoonlijke voorstelling te maken van 'hun' Anne. De onderduikvertrekken zijn uiteraard 'heilig' en de krappe kamers laten geen massa's tegelijk toe.

'De route is straks langer, zodat we meer bezoekers kwijt kunnen. Maar er is tegelijk meer te zien, zodat ze ook wat langer binnen blijven', zegt Westra. Het Anne Frank Huis heeft niet alleen een nieuwe vleugel gekregen, in het voorhuis van nummer 263 worden de vertrekken gereconstrueerd waar vader Otto Frank zijn pectine-fabriekje en een malerij voor worstkruiden dreef. Franks kantoor zal voor het eerst sinds 1960, toen het museum werd geopend, zichtbaar worden voor het publiek. 'Het pronkstuk van het hele gebouw, het privé-kantoor', schreef Anne op 9 juli 1942 in haar dagboek. 'Deftige donkere meubels, linoleum en kleden op de vloer, radio, sjieke lampen, alles prima-prima.' Een blik door de glazen deur leert dat het al die tijd zo is gebleven.

De kronkelroute door het voor- en Achterhuis was een van de grootste beperkingen die architect Mels Crouwel ondervond bij het ontwerpen van de uitbreiding. Dertien jaar puzzelde hij aan de nieuwbouw, wat verklaart waarom hij soms spreekt over 'wij' als hij de Anne Frank Stichting bedoelt. 'De meest geheime plek van Amsterdam moest toegankelijk worden voor zo veel mogelijk bezoekers.'

Hij vat hiermee één van de paradoxen samen die de opdracht aan bureau Benthem Crouwel kenmerkten: nieuwbouw in het historische stadsdeel naast de panden op nummer 263 en 265; het onder één dak brengen van zowel het museumgedeelte en de kantoren van de stichting als een twintigtal hat-eenheden zonder dat de stichting en de hatters elkaar voor de voeten zouden lopen; het bedenken van een vloeiende en logische verkeersstroom door panden die elk een eigen karakter hebben, en dat alles zonder de intimiteit ideaal te propageren dat beide ouders een driekwartbaan moeten hebben en doet daarmee een beroep op de ouder als zelfbeschikkend en voor zichzelf verantwoordelijk individu.van het Achterhuis aan te tasten. Een niet onbelangrijk detail: d e inspecteurs van de brandweer moesten weer met een gerust hart naar de Prinsengracht kunnen komen, zij waren jarenlang coulanter dan de verordening hen toestond.

Het waren dertien jaren vol strubbelingen en onverwachte wendingen. In de buurt bleek zo veel weerstand tegen het oorspronkelijke idee om een glazen museumpaviljoen in de tuin te bouwen, dat de plannen uiteindelijk in de prullenbak terechtkwamen, ook al had de gemeente al ingestemd. Achteraf bleek dat een zegen, want de gemeente besloot daarop het foeilelijke studentenhuis direct om de hoek, aan de Westermarkt, te kopen en af te breken, deels voor de uitbreiding van de museumruimten en de kantoren van de stichting, deels voor nieuwe hat-eenheden. Maar Crouwel kon opnieuw beginnen, en de puzzel was er niet eenvoudiger op geworden.

'We hebben gekozen voor een rug-aan-rug oplossing', zegt de architect. De hat-eenheden zijn in z'n geheel naar de Westerkerk gedraaid, naar het zuiden, en hebben een eigen ingang. 'Vroeger kon je soms aan de tuinkant en dus ook in het Achterhuis harde muziek horen uit de ramen, dat past niet.'

De buitenkant van de Westermarktzijde, waar de studenten wonen, kreeg een moderne façade met hoge louvre-achtige zonweringen. De eigentijdse gevel laat niets los over de ingenieuze bouwkundige oplossingen aan de tuinkant van de hoek Westermarkt-Prinsengracht. De kantoren van de stichting liggen ruggelings tegen de hat-eenheden en kijken uit op het Achterhuis en de oudste paardekastanje van de stad. De duurste ook vermoedelijk. Omdat precies die boom ook wordt genoemd in het dagboek, waarvan inmiddels twintig miljoen exemplaren de wereld over gingen, besloot de gemeente tot een reddingsoperatie toen hij werd bedreigd werd door bodemvervuiling. Kosten: 3,5 ton.

De hat-eenheden zijn op het museumcafé getild. De nieuwe kantoren van de stichting lopen uit in het museumgedeelte aan de Prinsengracht. Daar, om de hoek, begint een ander verhaal. 'We hebben er naar gestreefd de nieuwbouw niet belangrijker te laten zijn dan de oudbouw', zegt Crouwel. De vraag in hoeverre hij zich als architect moest inhouden, speelde lang door zijn hoofd. 'De architectuur aan de Prinsengrachtkant moest in dienst staan van de geschiedenis.'

Rechts naast de historische panden 263 en 265 is daarom op z'n 'Amsterdams' gebouwd: een hoge grondlaag met vier ramenrijen erboven die het ritme volgen van de historische bebouwing. De gemêleerde baksteen met donkere voegen die ook binnen terugkomt, lijkt vanzelfsprekend bij de gracht te horen. Rechts ernaast markeert de glazen schacht van het nieuwe trappenhuis een scheiding met de zijkant van de hat-eenheden.

Het zal de met stadsplattegronden uitgeruste bezoekers op de stoep ontgaan dat ze straks, na het Achterhuis, ook door de nieuwbouw zullen dwalen, gefixeerd als ze zijn op de deur van nummer 263. Vier keer werd de route binnenshuis verlegd tijdens de bouw en de reconstructie, zodat het museum open kon blijven. De vernieuwde entree komt in de nieuwbouw, direct naast het oude pand op nummer 265, dat al eigendom was van de stichting.

Eenmaal binnen vloeit het daglicht in de achtereenvolgende vertrekken geleidelijk weg in een schemer die typerend was voor de oorlogsjaren. De route, ontworpen door binnenhuisarchitecte Marijke van der Wijst, moet de bezoekers in de juiste sfeer brengen, verklaart Westra. Doordat er meer ruimte kwam, konden het magazijn en het voorhuis, voorheen tentoonstellingsruimte, worden gereconstrueerd. Het magazijn waar de kruiden werden gemalen en de zakjes geleermiddel gevuld, en de kantoren van Miep Gies en de andere personeelsleden die de onderduikers in leven hielden.

Voor de reconstructie werd de gepensioneerde restauratie-architect prof. Temminck Groll ingeschakeld. Hij bekeek onder meer foto's van net na de oorlog die ooit werden gemaakt voor een Broadway-productie. Miep Gies kwam vertellen wat ze nog wist, evenals een oude man die als jongen in het magazijn had gespeeld en, naar het verhaal wil, daar ooit had ingebroken.

De vloer van het magazijn kreeg weer oude klinkers. Stad en land werden afgezocht naar het bruin gemoffelde jaren-veertigbehang dat uiteindelijk in Engeland werd gevonden. Schuurproeven wezen uit welke verf in de oorlogsjaren op de kozijnen zat, plafondranden werden in ere hersteld.

Maar hoever kun je gaan met een reconstructie zonder het pand te veranderen in een poppenkast? 'We hebben gekozen voor sober', zegt Westra, 'in plaats van ''veel'' willen we de essentie laten zien, de mensen door het getemperde licht in de juiste sfeer brengen, zodat ze met het verhaal van de bewoners in gedachten de ruimten kunnen invullen.'

Crouwel geeft een voorbeeld van de technische afwegingen: voorheen werd in de zomer een raam opengezet in de kamers van de onderduikers, maar om alles in de best mogelijke staat te houden, zou een zware klimaatkast noodzakelijk zijn. Plaatjes en foto's zouden achter glas moeten verdwijnen. De authentieke sfeer van Anne's kamertje zou veranderen in die van een steriel museum. Gekozen is voor een luchtverversingssysteem dat onzichtbaar is opgesteld in een van de kasten.

Vanuit het Achterhuis worden bezoekers via een nieuwe matglazen overloop teruggeleid naar het pand op nummer 265. Daar vinden ze het verhaal van het dagboek en van de shoah. De museumroute wordt richting nieuwbouw geleidelijk aan lichter en opener. In het nieuwe deel maakte Crouwel een binnenstraat, een plein eigenlijk, met een ruimte voor wisselexposities, een boekwinkel en een doorloop naar de kantoren en het museumcafé.

Daar plenst het licht weer door de ramen en is het alledaagse leven rond de gracht en de Westertoren zichtbaar, inclusief de wachtrijen. De meeste bezoekers zullen de labyrintische route die ze achter de rug hebben niet kunnen navertellen. Het verhaal van Anne Frank en haar huisgenoten herinneren ze zich des te beter.

Meer over