Een keurig soort kaartenhuis Het zestigjarige Van Abbemuseum probeert de moed erin te houden

In een voorlopig onderkomen viert het Van Abbemuseum zijn zestigste verjaardag. De 'ongekende schatten' uit de schilderijencollectie hangen aan schotten onder een grauwgrijze dakconstructie die elke schittering dempt, zonder intimiteit....

WILMA SUTO

ACH, HET ARME Van Abbemuseum. Het is jarig, maar waar moet het heen met de feestvreugd? Tien jaar geleden, toen het vijftig werd, droeg het nog een vrolijke hoed; nu is de bekroning van de oudbouw, de puntige toren, als het ware een verfomfaaide feestmuts. Het publiek beleeft er geen pret meer aan, maar als het aan de actievoerders ligt, worden er nog vele verjaardagen mee gevierd. Architect Cahen wil de creatie van wijlen zijn collega Kropholler onrecht aandoen, vinden zij, en dus traineren ze het uitbreidingsplan dat de bakstenen voorgevel en het parmantige klokketorentje aan het zicht zal onttrekken.

Het Van Abbe wordt dit jaar zestig. Kabouters en kinderen op feestjes dragen een puntmuts, maar wat moet een eerbiedwaardige kleine reus ermee? Die is er niet gelukkig onder en heeft een ontsnappingspoging ondernomen met twijfelachtige gevolgen, zoals deze maanden is te zien op de jubileumtentoonstelling elders in Eindhoven. Het Van Abbemuseum bivakkeert - onderhand al twee jaar - in de voormalige personeelswinkel van Philips, tegenover het voetbalstadion. Voorlopig is het tot dit tijdelijke onderkomen veroordeeld. Misschien nog drie jaar, mogelijk nog vier, en wie weet zelfs langer.

Directeur Jan Debbaut is niet van zins te zwichten voor de tegenpartij. De gemeente staat achter hem, in een juridische procedure die naar het zich laat aanzien tot en met de Raad van State zal gaan, want de stichting Behoud het Van Abbemuseum blijft ervoor ijveren de typisch Nederlandse baksteenbouw van Kropholler toe te voegen aan de Rijksmonumentenlijst. Voor Cahens oorspronkelijke ontwerp heeft Debbaut 27 miljoen gulden ter beschikking gekregen van de gemeenteraad, die eveneens hoopt dat het hierbij kan blijven: het alternatief vergt volgens haar een investering van veertien miljoen extra.

Debbaut heeft onlangs kenbaar gemaakt dat hij het alternatieve verbouwingsplan van Cahen vooreerst onbenut wil laten. Hij voelt niks voor een snelle uitvoering van dit noodscenario, zoals Rudi Fuchs eind 1995 bepleitte in een brief aan de gemeente Eindhoven. Fuchs beheerde van 1975 tot 1987, toen Debbaut hem opvolgde, zelf het Van Abbe. 'Zolang aarzeling blijft bestaan, woekert het gevoel van nederlaag en malaise almaar door en durft niemand meer te beslissen', schreef Fuchs vanaf zijn directeurszetel in het Amsterdamse Stedelijk Museum. Debbaut is niet verheugd over de bemoeienissen van zijn voorganger. 'Zijn afwegingen zijn die van een buitenstaander', antwoordde hij in een interview met NRC Handelsblad.

Dus woekert de malaise voort, prijkt de grote wens van het Van Abbemuseum nog steeds alleen maar op het verlanglijstje voor zijn zestigste verjaardag en worden de gasten niet in de nieuwbouw onthaald, zoals de bedoeling was, maar in, tja, waarin?

Het publiek komt terecht in iets dat lijkt op een voor de gelegenheid opengesteld depot, bestaande uit een reeks provisorische kabinetjes: een keurig gebouwd soort kaartenhuis. 'Van Picasso tot Marlene Dumas. Een feestelijke collectie-tentoonstelling, met hoogtepunten en ongekende schatten uit de schilderijenverzameling', zo houdt het Van Abbe de moed erin. De schatten hangen in feite aan schotten. En de schotten staan onder een grauwgrijze dakconstructie die elke schittering dempt. Maar dat kan de zojuist binnengelopen bezoeker nog niet weten.

Het valt best mee, meent die te mogen constateren, zodra hij de eerste zaal in stapt, de enige met echte muren. Daar staat hij tegenover Henri van Abbe, de sigarenfabrikant die in 1936 het museum aan de stad schonk en er 26 schilderijen uit zijn eigen collectie aan verbond. Het portret van Van Abbe staat op een ezel en dat het geen onbetwistbaar meesterstuk is maakt niet uit, want het wordt rechts geflankeerd door twee onweerstaanbare doeken van Jan Sluyters, die aan de warmrode wanden hun sensualiteit volledig kunnen ontvouwen.

De bijna levensgrote, lome verschijning van een in gedachten verzonken schoonheid met zwart haar, peilloze ogen en vurig oranje sieraden, vindt hier precies de weelderige entourage die haar toekomt. Naast het Vrouwenportret (1929) waaieren zelfs de bladeren van een donkergroene palm. Sluyters ongedateerde Liggend Naakt wordt eveneens prachtig zachtjes ingebed door de rode muren rondom. De slaapster is all peaches and cream, poezelig geschilderd in de diverse schakeringen die parelmoer kent.

Buiten deze fraai ingerichte zaal, die eer bewijst aan de museumstichter, is het snel gedaan met de intimiteit. Aan de wanden op weg naar het 'schottendepot' heeft het Van Abbe een fotoalbum opengeklapt. Alle exposities die het ooit organiseerde worden er in opgesomd, afgewisseld met uitvergrote illustraties. Hoewel het trouwe bezoekers misschien pleziert elkaar hun herinneringen aan te wijzen, past dit documentaire overzicht beter in een boek. Als behang lijkt het vooral bewijsmateriaal aan te dragen voor de internationale allure van het aan kleinschalige kommernis overgeleverde museum.

Erger is dat de geweldige schilderijencollectie verderop met hetzelfde euvel kampt. Voor deze verzameling legde Edy de Wilde in de jaren 1946-'63 de fundamenten; Jean Leering gaf er tussen 1964 en 1974 een gezicht aan en tot 1987 breidde Rudi Fuchs haar met verve uit. Het wèrd tijd de door hen verworven schatten eindelijk weer te tonen, maar het is ook waar dat de schilderijen deel uitmaakten van het overzicht bij de vijftigste verjaardag van het Van Abbemuseum, terwijl er in de tien jaar die onder Debbauts leiding verstreken weinig doeken bijkwamen.

Debbaut heeft met zijn voorgangers gemeen dat hij zich engageert met de eigentijdse kunst, die vrijelijk in ontwikkeling is. Dat hij zich profileert met tentoonstellingen en aankopen van beeldhouwers, video- en multimedia-kunstenaars, is goed te verdedigen en valt alleen maar toe te juichen. Dank zij hem is het Van Abbe nog steeds een even eigenzinnig als inspirerend museum, op een hoog en internationaal niveau. Vreemd is alleen wel dat nu híj dan een jubileum heeft te vieren, hij uitgerekend de schilderijen opdiept.

De in drie dimensies denkende helden van Debbaut zelf slaagden er tot nu toe wonderwel in het tijdelijke onderkomen naar hun hand te zetten. Traditionele ezelschilderijen nemen het minder makkelijk tegen de ruimte op. Zij dreigen niet alleen het onderspit te delven in deze erbarmelijke omgeving, maar doen het ook vaak. Zie ons droevig lot, protesteren ze stilletjes, en kom ons te hulp: het Van Abbe kan nog wel wisselende exposities van hedendaagse kunst verwezenlijken, maar de eigen collectie vindt er al in geen jaren een onderdak.

Ook nu toont het museum, zoals de titel van de expositie letterlijk betreurt, immers Alleen Schilderijen. . . En van dit deel uit de verzameling neemt de bezoeker eerder kennis dan dat hij ervan geniet. Hij kan vaststellen dat het Europese expressionisme een royaal onthaal kreeg in Eindhoven, zowel tijdens het beleid van De Wilde als later onder Fuchs. De kleurige en smeuïge doeken van Kandinsky, Kokoschka en Beckmann, alsmede die van de Cobra-schilders vinden een naoorlogs vervolg in het woeste werk van Duitsers als Kiefer, Baselitz en Immendorff.

Te midden van deze zich nog vrij goed staande houdende ensembles, bevindt zich ook de spirituele abstractie van Mondriaan, Van Doesburg en Van der Leck, in een zaaltje dat een hoogtepunt zou kunnen vormen op de expositie. Ware het niet dat de huidige behuizing van het Van Abbe toevallig ook toe is aan een opknapbeurt. Zo kan het zich voordoen dat de afgewogen zwarte lijnen van Mondriaans Compositie (1930) danig uit balans raken op de swingende popmuziek waarbij dakbedekkers juist nu hun werkzaamheden moeten verrichten.

'En die krijgen u en ik samen nog niet stil, mevrouw', verklaart de suppoost. Dan zijn zij het zeker ook die later, in de zaal met stemmig gekleurde rechthoeken van François Morellet en Peter Struyken, de atmosfeer verpesten met een luidruchtige koffiekrans aan de andere kant van het muurtje in dit kaartenhuis. En nog komt aan de ellende geen einde, want de schotten zijn niet alleen gehorig, ze zijn ook veel te klein. Eén zaaltje toont een op zich uitnemende combinatie van de Amerikaanse meesters voor wie Jean Leering - de eerste Van Abbe-directeur die over de oceaan trok - een open oog had.

Nooit waren de schitterende lappen linnen van Frank Stella en Ellsworth Kelly weidser opgelicht dan in het Whitney Museum of American Art in New York; nooit waren ze zo deerniswekkend ingeklemd als in Eindhoven. Bijna zou je de rigoureuze geometrie terug wensen naar het land van herkomst, indachtig het door de kunstenares Louise Bourgeois kras geformuleerde onderscheid tussen Europa en Amerika. Bourgeois, die beide continenten als thuisbasis heeft, legde haar publiek ooit deze vraag voor:

'Ken je de hemel boven New York? Dat zou je moeten, hij wordt bekend verondersteld. Hij is buitengewoon. Hij dient serieus genomen te worden. Kun je je de hemel boven Parijs herinneren? Hoe onbetrouwbaar, meestal grijs, vaak warm en klam, nooit helemaal perfect, zwelgend in wolken en schaduwen; en soms slagen regen, wind en zon er zelfs in tegelijk op te treden. Maar de hemel boven New York is blauw, helder blauw. Het licht is wit, een stralend wit en de lucht is sterk en nog gezond ook. Er is geen flauwekul te bekennen aan die hemel. Hij is prachtig. Hij is puur.'

De gemeente Eindhoven heeft schatten in huis uit de windstreken van de wereld, maar ze gaan schuil achter een weergaloze bekrompenheid. Als de Stichting Behoud het Van Abbemuseum haar zin krijgt, houdt het klokketorentje van Kropholler stand tegen deze prijs: de oude luister van het gebouw zal met grauwsluiers omgeven blijven.

Alleen Schilderijen. . ., documentair overzicht van zestig jaar expositiebeleid en grafische vormgeving, t/m 25 augustus. Van Abbemuseum Entr'acte, Vonderweg 1, Eindhoven, di-zo 11-17 uur.

Meer over