Een kalkoen stemt niet graag voor Kerstmis

ZE ATEN foie gras, kreeft en gans gevuld met olijven. De drieduizend dinerende delegatieleden op de recente VN-hongertop te Rome, waarnaar op gastland Italië en EU-voorzitter Spanje na geen Westers land zich verwaardigde een regeringsleider of staatshoofd af te vaardigen, gaven onbedoeld een cynische betekenis aan het begrip voedselvraagstuk....

Sheila Sitalsing

Mislukt, in elk denkbaar opzicht, was de top die ten doel had het aantal hongerenden in de wereld terug te helpen brengen van ruim 800 miljoen mensen nu naar 400 miljoen in 2015. De flop illustreerde treffend hoe voorbarig de hoop was dat na 11 september alles anders zou zijn. De voorvechters van een evenwichtiger welvaartsverdeling hadden gehoopt dat na de terreuraanslagen de 'voedingsbodemtheorie' - arm maakt boos, boos maakt gevaarlijk - aanhang zou winnen onder Westerse leiders.

Tegelijk speelt zich, aan het oog onttrokken, een kleine revolutie af in het denken over mondiale vraagstukken. In de multilaterale instituten zelf - het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank, de Wereldhandelsorganisatie, de G7, de G8 - en in de gangbare theorie erover. Dat de instituten niet in staat zijn mondiale problemen - honger, aids, migratie, armoede, ontbossing - het hoofd te bieden, is inmiddels bijna mainstream-denken geworden.

Drie recent verschenen boeken, bijdragen aan het mondialiseringsdebat, laten dat zien zien. Met dank aan de protestbeweging, dat wonderlijke amalgaam van geitenwollensokken-wereldverbeteraars, professionele voorvechters van transparant bestuur en een eerlijker verdeling van de welvaart, beroeps-hooligans, libertaire geesten die een grenzeloze wereld willen, en ultra-nationalisten die zich keren tegen elke vorm van open grenzen. Lang voordat de beweging groot en mediageniek werd, waren er al voedselopstanden in arme landen, maar pas toen witte, rijke kinderen met stenen gingen gooien en de oproerpolitie ook hen beschoot, kreeg het protest politiek gewicht.

Met klassiek links-rechtsdenken heeft deze lappendeken, die ten onrechte 'anti-globalistisch' of 'globofoob' wordt genoemd, weinig meer te maken. In de afgelopen decennia steeg het aantal mensen dat in een markteconomie leeft van circa anderhalf miljard naar bijna zes miljard; planeconomieën als Cuba zijn curiosa geworden. Handelsbarrières bezweken, publieke instanties werden geprivatiseerd, de overheid op afstand gezet. In deze revolutie raakten links en rechts het spoor bijster.

Het nieuwe debat concentreert zich rond de vraag hoe de markt te rijmen valt met sociaal beleid op wereldschaal, en welke rol overheden nog spelen. Want dankzij de 'darwinistische' vrije markten zijn de twintig rijkste landen in veertig jaar tijd veertig keer rijker geworden dan de armste landen. Afrika ten zuiden van de Sahara komt nergens meer aan te pas.

De drie auteurs illustreren deze worsteling met nieuwe vraagstukken, die zich niet in een ideologische mal laten duwen. Joseph Stiglitz, Amerikaan, vermaard econoom, Nobelprijswinnaar, oud vice-president van de Werelbank, oud-topadviseur van Bill Clinton, zet zich in Globalization and its discontents, onlangs in het Nederlands vertaald, fel af tegen de 'desastreuze' receptuur van het IMF. George Soros, Hongaar, financieel genie, voormalig valutaspeculant en via zijn Open Society Institute een van 's werelds grote filantropen, keert zich in het eveneens vertaalde Soros on Globalization met het fanatisme van de bekeerling tegen de destructieve werking van vrije kapitaalmarkten en tegen het IMF dat er is om 'de belangen van rijke landen te behartigen'. Jean-Francois Rischard tenslotte, Luxemburger, vice-president Europa van de Wereldbank, oud-Wall Street-bankier, levert met High Noon de meest brisante bijdrage: een heldere analyse van de grootste mondiale problemen waar de urgentie vanaf spat.

Een eenduidige definitie van globalisering bestaat niet, en ook deze auteurs dragen hem niet aan. Soros houdt het op 'vrije kapitaalstromen en de toenemende invloed van financiele markten en multinationals op de nationale economieën'. Stiglitz omschrijft het verschijnsel als 'de verwijdering van handelsbarrières en de integratie van nationale economieen'. Rischard waagt zich niet aan een definitie. 'It's not globalization, stupid!' wilde hij zijn boek aanvankelijk noemen. Omdat sommigen denken dat globalisering gelijk staat aan 'mannen in pakken die tijdens de maandagochtendvergadering in Washington plannen smeden om de armoede te verspreiden en het milieu te vernietigen'.

De thematiek is vergelijkbaar: het onvermogen van het IMF, de Wereldbank, de WTO om de wereldproblemen te verlichten. Honger, infectieziekten, aids, milieuproblemen: waar ze bij Soros voortvloeien uit ongebreideld vrije kapitaalmarkten en een welhaast natuurlijke neiging van multilaterale instituten om de belangen van de rijke leden te behartigen, komen ze bij Stiglitz voort uit fundamenteel falen van het IMF. Stiglitz' boek is dan ook, veel meer dan de beloofde analyse van globalisering, zijn zoveelste afrekening met het IMF. Rischard concentreert zich op ontwikkelingen die niemands 'schuld' zijn: de bevolkingsexplosie van vijf miljard zielen in 1990 naar zes miljard nu, en acht miljard in 2025. De gevolgen voor verstedelijking, energieverbruik, armoede, conflicten over schaarse middelen als water, distributieproblemen bij voedsel, honger, infectieziekten, verlies van biodiversiteit, vergrijzing en migratie zijn beangstigend.

Intrigerend is het thema van de ondermijning van de natiestaat, dat in alle boeken opduikt. Deze zou er de oorzaak van zijn dat multilaterale instanties, immers een optelsom van soevereine naties, de problemen niet meer kan oplossen.

Ondernemingen met vestigingen in tientallen landen, netwerken van NGO's, drugssyndicaten, terroristische netwerken, klimaatveranderingen én al dan niet legaal migrerende mensen trekken zich steeds minder aan van nationale grenzen, wetgeving en belastingheffing. Overheden hebben hier geen antwoord op. Steeds vaker staat de zittende macht machteloos. De Britse socioloog Anthony Giddens gaat zo ver om hieruit de verminderde aantrekkingskracht van democratie in West-Europa te verklaren.

Als de natiestaat het niet kan, ook niet in gebundelde vorm op VN-niveau, hoe moeten we dan de ongewenste, soms gevaarlijke uitvloeisels van vrij kapitaal als bevolkingsdruk op de beperkte ruime en andere verschijningsvormen van 'globalisme' beheersen?

Netwerken! is het prikkelende antwoord van Rischard. Naar analogie van de NGO-netwerken, kunnen volgens hem natiestaten ook op ad hoc-basis samenwerken, in coalitie met bedrijven en NGO's, naast en boven de soevereine staat, in wisselende constellaties, op ambtelijk niet-politiek niveau. Online-enquêtes zorgen voor voeling met de achterbannen. Via collegiale druk en 'schandpalen' voor overtreders zouden deelnemende landen, bedrijven en NGO's elkaar aan gemaakte afspraken kunnen houden.

Naïef? Zoiets is er al: de Financial Action Taskforce, een gremium waarin hoge ambtenaren van verschillende landen samenkomen met bankiers om anti-witwasmaatregelen te bespreken. Non-coöperatieve fiscale piratennesten belanden op een zwarte lijst. Sinds de publicatie van die lijst bekeerde het ene na het andere genoemde land zich, geheel vrijwilig.

Een reëel probleem is het gebrek aan legitimiteit. Zulke netwerken bestaan uit niet democratisch verkozenen, hoeven geen rekenschap af te leggen, en zijn lastig controleerbaar. Ditzelfde geldt overigens voor de steeds machtiger wordende NGO's waarvan sommige een groter budget en een omvangrijkere staf hebben dan de WTO.

Het legitimiteitsbezwaar wordt min of meer ondervangen door Stiglitz', meer gangbare, idee: wereldwijde publieke instellingen die de regels bepalen. Naar analogie van het IMF en de Wereldbank, maar met als fundamentele verschil dat het stemrecht anders wordt bepaald. Nu heerst er het recht van de rijkste: grotere economieën hebben meer te vertellen. De VS hebben de facto een vetorecht. Stiglitz stuurt aan op een formele verandering van dit stemrecht, maar realiseert zich tegelijkertijd dat dit neerkomt op het vragen aan de kalkoenen om voor Kerstmis te stemmen.

Alle drie accepteren de auteurs 'globalisering' als een gegeven, dat controle behoeft. Daarmee haken ze aan bij de hervormingsgezinde stroming van het anders-globalisme, zoals geformuleerd door Christoph Aguiton van ATTAC in zijn vorig jaar verschenen Le Monde Nous Appartient. Deze stroming streeft naar aanpassing van de huidige instituten. Aguiton onderscheidt hiernaast een radicale internationalistische stroming, die zich tegen elke vorm van protectionisme keert, en een nationalistische stroming die gelooft dat de natiestaat de enige garantie is voor sociale en democratische rechten.

Dat er ondanks grote verschillen in stijl en temperament kruisbestuiving optrad tussen de drie mannen, is niet gek. Ze draaien rond in dezelfde circuits. Rischard trok al langs talloze zaaltjes met zijn pleidooi voor mondiale actienetwerken. Stiglitz is alomtegenwoordig. En Soros, die desperate pogingen doet om serieus genomen te worden als filosofisch-economisch denker, sprak voor dit boek met alle namen van de 'who-is-who-in-de-internationale-economie'-lijst: armoede-econoom en Nobelprijswinnaar Amartya Sen, de linkse econome en vice-president van de Franse antiglobaliseringsbeweging ATTAC Susan George, de erudiete Fred Bergstein van de denktank Institute for International Economics en - alweer - Joe Stiglitz.

Misschien biedt het boek van Soros juist door dat excessieve, door onzekerheid gedreven peilen van experts de minste vernieuwende gezichtspunten, en beklijft het het minst. Stiglitz daarentegen geeft een fascinerend kijkje in de keuken van het IMF, en maakt economische processen inzichtelijk, zoals alleen hij dat kan. Voor wie zijn kruistocht tegen het IMF heeft gevolgd, bevat het boek echter teleurstellend weinig nieuws.

De anti-, anders- of pro-globalist die in september afreist naar Johannesburg voor de VN-top over duurzame ontwikkeling doet er verstandiger aan High Noon van Rischard bij zich te steken. Om af en toe te kunnen naslaan waar het debat echt over moet gaan.

Meer over