Een Ierse edelman en revolutionair

DE IEREN ZOUDEN op 23 mei 1798 massaal in opstand komen tegen het Britse bewind, maar die dag gaf in Dublin niemand het bevel, want alle leiders zaten in de bak....

Op 23 mei braken alleen op het Ierse platteland losse en slecht georganiseerde revoltes uit, in Wexford zelfs van twintigduizend man. De Engelsen hadden er weinig moeite mee en het bloed - ook van de executies - stroomde nog maanden. Londen 'strafte' Ierland door dit treurige wingewest het eigen (halfwas) parlement af te nemen, zodat de gruwelijke omhelzing van de twee landen ruim een eeuw lang alleen maar knellender zou worden.

Citizen Lord is het fascinerende verhaal van Edward Fitzgerald, een militair en opstandeling die in het revolutionaire Parijs van 1792 afstand deed van zijn adellijke titel en later de leiding van de Ierse revolutie op zich nam. De auteur is Stella Tillyard, die twee jaar geleden opzien baarde met Aristocrats, dat in de Nederlandse vertaling de weeë titel In naam van de liefde kreeg.

Tillyards eerste boek ging over de vier non-conformistische gezusters Lennox aan het einde van de achttiende eeuw en was vooral op hun talloze onderlinge brieven gebaseerd. Edward Fitzgerald was een van de vele zonen van Emily Lennox en zijn verhaal is een vervolg op Aristocrats. Kunsthistorica Tillyard werkt thans aan het derde deel van de trilogie over de andere mannen van het geslacht-Richmond/Lennox/Leinster.

Tillyard doceert niet meer in Harvard, maar woont en schrijft nu afwisselend in Londen en Florence. Zij heeft een uiterst doeltreffende pen en bezit een grondige kennis van de Britse zeden en politiek tussen 1750 en 1800. Haar beide boeken lezen als een roman. Zij zijn vooral politiek-morele geschiedschrijving in de marge van de officiële geschiedenis, maar er zodanig mee verbonden dat die des temeer gaat leven, wat ideaal is voor mensen die zelden historische werken lezen. Tillyard was al meteen een fenomeen en vanaf dit tweede boek zal ze waarschijnlijk een begrip worden.

Het verhaal van Edward Fitzgerald lijkt woest romantisch en zo heeft zijn eerste biograaf, Tom Moore, het in 1831 (op aandringen van de schaamtevolle familie) ook opgeschreven. De revolutionaire Lord was volgens die theorie een goedaardige dromer, door Ierse ultra's misbruikt voor hun godverlaten doel. Aan dat beeld is in de loop van de tijd steeds meer geknabbeld.

Tillyard betoogt dat Fitzgerald heel bewust koos voor revolutionair geweld en dat hij als militair alle smerigheid, ellende en risico (ook voor hemzelf) volledig besefte. Zijn levensloop was geen hoogromantische omzwerving, maar 'logisch, consistent en onontkoombaar'. Een neveneffect van dit boek is dat het de revolutie (Frans of Iers) ontdoet van elke mystieke waas om des temeer ruimte te scheppen voor de harde politieke motieven en de - wederzijds wrede - praktijk.

Helder en ontroerend wordt beschreven hoe Lord Edward zich geleidelijk aan ontwikkelde tot een utopist, republikein en vijand van monarchen, adel en geestelijkheid. Zijn moeder en stiefvader voedden hem op volgens de vrije theorieën van Jean-Jaques Rousseau. Edward leerde stand, gezag en traditie minachten.

In de ontsnapte negerslaaf Tony Small, die hem in de laatste slag van de Amerikaanse Vrijheidsoorlog (1781) zijn leven redde, zou hij de 'edele wilde' zien, evenals in de Canadese indianen tussen wie hij als militair leefde. Tony Small is zijn hele verdere leven als 'vrije' bediende en als wandelend bewijs van Edwards afwijkende inzichten bij hem gebleven.

Edward Fitzgerald haatte de traditie waarbij de oudste broer de adellijke titel en bijna alle bezit erfde, een situatie waarvan hij zelf slachtoffer was. Zijn vader, de hertog van Leinster, was de eerste Peer van Ierland en strikt pro-Engels, en hetzelfd gold voor zijn domme en pedante oudste broer. Bovendien was Fitzgerald steeds weer verliefd op briljante jonge vrouwen die een meer lucratieve verbintenis kregen. Zelden heeft de ongelijkheid van de wereld op zo'n hoog niveau toegeslagen.

Na zijn Canadese en Amerikaanse omzwervingen - boeiend beschreven - belandde Fitzgerald in het revolutionaire Parijs van 1792. Hij woonde daar bij de roemruchte Thomas Paine (Rights of Man) en zwoer onder gejuich van de Franse jakobijnen zijn adellijke titel af. In het paradijs, zo schreef Paine, 'bestaan geen beesten als hertog of graaf'. Edward was ervan overtuigd dat er vrije republieken zonder vorst, kerk of adel moesten komen en dat de Franse revolutie naar Ierland geëxporteerd moest worden. In Parijs vond hij ook zijn echtgenote, vermoedelijk een dochter van de revolutionaire hertog van Orléans, 'Philippe Egalité'.

Tillyard schildert fraai de ontsteltenis van de Londense en Dublinse elite, toen de ex-Lord zijn beruchte en flamboyant-revolutionair geklede vrouw, zijn negerbediende en zijn bewondering voor de steeds meer gehate Fransen kwam etaleren en in het Ierse parlement ook nog eens grondig het Britse bewind beledigde. Fitzgerald droeg kort haar, tuinierde zelf en liep over straat (in plaats van op of achter een paard te zitten). Allemaal zaken die bij de adel taboe waren.

Pas geleidelijk begreep die elite dat deze vreemde vogel daadwerkelijk de United Irishmen, de Ierse revolutionaire beweging (die met moeite katholieken en protestanten bijeenhield) hielp. Hij werd de belangrijkste militaire leider, allerminst uit eerzucht, maar bij gebrek aan een alternatief. Hij heeft vijf jaar moeizaam en risicovol gecomplotteerd, geworven en gedrild en werkte samen met Wolfe Tone en Arthur O'Connor. Londen en Dublin Castle hadden dankzij de vele spionnen bij de United Irishmen in 1797 genoeg bewijzen van 'hoogverraad'.

Het verhaal van de Ierse pogingen een revolutie te ontketenen aan het eind van de achttiende eeuw is er een van klungeligheid, tegenspoed, en groeiende Britse repressie. Een Franse landingspoging (de Ieren konden het niet alleen af) mislukte jammerlijk rond Kerstmis 1796, vooral door slecht weer. Daarna verloor Parijs voorlopig zijn belangstelling. In augustus 1798, dus drie maanden na de mislukte pogingen van de United Irishmen, werd echter weer een kleine expeditie ondernomen. Ze was kansloos.

De echte revolutionaire gezindheid was er een jaar eerder nog wel, toen de Engelsen, vooral onder generaal Lake, vrijelijk moordden en huizen verbrandden. Maar ook Fitzgerald, die lange tijd op legendarische wijze aan de Engelsen wist te ontsnappen, was laat met zijn plannen voor 23 mei. Hij had nog lang zijn hoop gevestigd op het (gematigde) Franse Directoire.

Tot overmaat van ramp werd Edward door een bondgenote naar het veilige geachte huis van de spion Francis Magan gebracht. Ook daar wist hij te ontsnappen, maar Magan kreeg het nieuwe adres op een presenteerblaadje aangeboden. Daar werd de Lord aangehouden en tweemaal in de schouder geschoten. In het gevecht verwondde hij een officier zodanig dat deze later stierf. Naast verraad zou hem ongetwijfeld ook moord ten laste zijn gelegd.

Maar waarschijnlijk heeft het Engelse bewind in Dublin Castle nooit een openbaar proces - met huilende familie, politieke touwtrekkerij en Ierse opstootjes - gewild. Fitzgerald werd, vreemd en kwalijk genoeg, niet geopereerd. De kogels bleven zitten en hij is - steeds onder permanente bewaking - op 3 juni 1798 na een lange lijdensweg aan infectie overleden. De slotfase wordt, met alle wanhoop en politieke verscheurdheid van de Leinster/Fitzgeralds, door Tillyard aangrijpend beschreven.

Jan Joost Lindner

Stella Tillyard: Citizen Lord - Edward Fitzgerald 17638-1798.

Chatto & Windus, import Nilsson & Lamm; 337 pagina's; ¿ 50,85.

ISBN 0 7011 6538 3.

Meer over