Een idee van Reve's memoires

Diderot, dacht ik. Zijn Brieven aan Sophie. Opnieuw een prachtuitgave in de reeks Privé-Domein. Of toch liever Het zingen van de wereld van Jean Giono, wederom een voorbeeldig boek van Coppens & Frenks?...

Ook verder lezen in de Gracchanten van Pim Wiersinga, die omvangrijke, in de klassieke oudheid spelende roman van 616 bladzijden, waarin ik pas tot pagina 291 gevorderd was, deed zich als een verlokkende optie voor.

Je weet het soms niet, hè.

Je hebt de tijd, je wilt lezen - want wat is er mooier dan dat? - en bij Zeus je lijkt wel onmachtig om een keus te maken. Er liggen zoveel boeken in de winkel, zeker nu aan de vooravond van Sinterklaas; er worden zoveel boeken door middel van AKO-, Libris- en andere prijzen tot iets uitzonderlijks gemaakt; er zijn zoveel zaligmakende recensies en ronkende annonces op de tv en in de courant, dat je wel een zeer krachtig ontwikkeld onderscheidingsvermogen moet hebben om dat éne boek te vinden dat jou naar lichaam en ziel zal bevredigen.

Ik begon, na enige aarzeling, met Zondagmorgen zonder zorgen. Van Gerard Reve. Waarom? Ik zou het niet weten. Misschien omdat ik van die man houd (en het me geenszins hindert dat ik niet de enige ben). Iemand van zìjn malicieuze slimheid, iemand met zó'n stilistisch bewustzijn, een schrijver die zó zijn wereldbeeld, zijn 'decadent-romantische' levensgevoel met zijn kwinkslagen, humor en taalvernuft onder woorden heeft gebracht, zo'n schrijver blijf je volgen, ook al vermoed je - en daarom aarzelde ik - dat het in dit boek(je) om een verzameling gelegenheidsstukken gaat.

Het zìjn gelegenheidsstukken, voor een krant of zo gemaakt en nu gebundeld, maar dat neemt niet weg dat er zovéél in wordt verteld dat je je toch weer vermaakt en zelfs enigszins een idee krijgt van hoe Reve's memoires eruit zouden kunnen zien (als hij die een keer gaat opschrijven). Met zijn herinneringen verveelt hij zelden, wat niet altijd gezegd kan worden van zijn religieuze exegesen of uitweidingen. Maar als hij zich over deze en andere raadselachtigheden van het bestaan met zijn 'kunstbroeder' Rudy Kousbroek verstaat (in een aantal brieven uit 1985), is-ie er weer in volle glorie: 'Jij schrijft: 'Ik geef de R. K. Kerk nog hooguit honderd jaar.' Nu, ik jou veel minder, want je bent al in de vijftig, hoewel je er nog erg jong en knap uitziet.' Zondagmorgen zonder zorgen verscheen bij Veen (¿ 24,90).

Het leek me, hierna, tijd voor meer brieven: de Brieven aan Sophie van Denis Diderot en ik begon eraan. . . fantastisch, maar omdat 746 pagina's nogal wat man-uren vergen, onderbrak ik mijn lectuur voor iets handzamers: de nieuwe roman Huldigingen van Alfred Kossmann, waarnaar ik benieuwd was omdat er al zo snel recensies over waren verschenen en bovendien omdat ik het eerste hoofdstuk kende uit een tijdschriftpublikatie.

In die publikatie was sprake van een jonge vrouw die een oude schrijver, Jacob Drent geheten, voor de radio komt interviewen. Drent was een aantal jaren daarvoor in opspraak geraakt door plagiaat. Wie na deze hooggestemde inzet met zijn scherpe contrast tussen jeugdige twijfel en bejaarde zekerheid geïnspireerd verder leest, bemerkt al spoedig dat het Kossmann in elk geval niet om die jonge vrouw te doen is geweest. Zij verdwijnt uit beeld. Het ging hem om Drent en daarom laat hij anderen aan het woord, die de schrijver al of niet direct hebben gekend en zo slaagt hij erin een (soms) schril licht te werpen op het leven van de joodse, rijke en talentvolle literator Drent - die een beetje aan H. A. Gomperts doet denken - waardoor een bewogen portret ontstaat.

Toch is Huldigingen geen biografie. Het is een roman en 'het superieure van het boek is', schrijft Tom van Deel in Trouw, 'dat er in maar honderdtwintig bladzijden zoveel levens en gebeurtenissen, fragmentarisch en suggestief, aan de orde komen, dat men het idee heeft in het leven zelf te zijn ondergedompeld geweest.' Een lang leven, een héél leven, voeg ik daaraan toe, waaraan juist door de ouderdom paradoxaal genoeg een kwikzilverige schittering wordt verleend, die het tegenwoordig veel gebruikte woord 'vergrijzing' tot iets onwerkelijks maakt (Querido, ¿ 27,50).

Dan wil je meer. Ik las Paarden zijn ook varkens van Guido van Heulendonk (die geprezen werd om zijn roman Vooravond) en ook dat was een ervaring die ik niet graag had willen missen. In deze roman volgt Van Heulendonk de wat in de marge terechtgekomen acteur Eduard Bottelaer, die alle tijd van de wereld lijkt te hebben, zeker als zijn geliefde voor het maken van een 'installatie' naar New York vertrekt. Ze zadelt hem op met de opdracht een idee voor een volgend kunstwerk van haar hand uit te voeren. Bottelaer moet betekenisvolle dingen in het Gent van alledag zien te vinden en haar die bij terugkomst overhandigen: bingo, weer een nieuw meesterwerk!

U begrijpt dat de taak van deze Bottelaer niet eenvoudig is, want wat is in godsnaam een betekenisvol ding. Die scepsis, gemengd met een toch al groot gevoel voor de betrekkelijkheid van alles, begeleidt Bottelaer op zijn speurtocht door de stad en allengs wordt zijn bestaan, nu in dienst van andermans kunst, nog grotesker en zinlozer dan het al was.

Paarden zijn ook varkens is, vooral door het idee dat eraan ten grondslag ligt, een aardig boek dat stilistisch van vakmanschap getuigt, al is Van Heulendonk niet helemaal vrij van een soort jaren-zestig-melancholie, die zijn gevoel voor humor niet altijd ten goede komt (AP, ¿ 29,90).

Vergelijk dat eens met het nieuwe boek van zijn jonge landgenoot Paul Mennes. In Soap, de tweede roman van Mennes na Tox, geeft de schrijver zijn indrukken omtrent het eigentijdse leven in gokhallen, supermarkten, disco's en flats, voorzover daar door een paar jongens en de travestiet Graziëlla gebruik van wordt gemaakt om elkaar snel, hard en cynisch te beminnen (of te pijnigen). Dat kan er nog mee door, maar als je enige subtiliteit, achtergrond, verklaring of inzicht in 's mensen zieleroerselen wil, wordt Soap - de titel zegt het al - even vermoeiend als een discodreun (Nijgh & Van Ditmar, ¿ 27,50).

In een zeer eigentijdse wereld, maar dan een Amerikaanse spelen zich ook de verhalen van Kevin Canty af. Het is een ruwe wereld, met veel drank, liefde teruggebracht tot seks, schietpartijen, en zelfs de obligate achtervolging per automobiel, die wij tot vervelens toe avond-in-avond-uit op de buis kunnen aanschouwen zolang het omroepbestel vooral in Amerika zijn grabbelton vult. Maar, moet ik hier onmiddellijk op laat volgen, Canty nuanceert deze situaties wèl. Zijn verhalen zijn het sterkst als hij evidente gruwelijkheden als moord en dergelijke laat voor wat ze zijn en zich verdiept in wat zijn personages van binnen ervaren. Dan is 'Mooie Judy' bijvoorbeeld, één van de verhalen uit de bundel Een vreemde in deze wereld - waarmee Canty debuteert - bepaald aangrijpend. Mooie Judy is een verstandelijk gehandicapt meisje, dat door haar buurjongen, overigens tot haar genoegen, seksueel wordt gebruikt. Zijn schuldgevoel daarover wil hij goed maken door haar mee te nemen, de grote, boze wereld in en daar raakt zij bevangen door een radeloze paniek (vertaald door Rien Verhoef, De Harmonie, ¿ 32,50).

Het grote werk: de Brieven aan Sophie van Denis Diderot. Wie Diderot is weten we, een groot schrijver, een philosophe, een 'allesdenker' noemt de vertaalster Anneke Brassinga hem in haar nawoord, een van de belangrijkste mannen van de invloedrijke Encyclopédie in de achttiende eeuw, waarin de ideeën van de Verlichting tot bloei kwamen. Maar wie was Sophie? Diderot's geliefde, dat is wel duidelijk voor wie dit omvangrijke, aan haar gewijde pakket brieven gaat lezen. Wie ze werkelijk was, of niet was - Brassinga legt het allemaal zorgvuldig en beknopt uit - doet er niet zoveel toe. Belangrijker is dat Diderot door zijn schrijfkunst, zijn kritische instelling en zijn hartstocht, die de ratio eerder stimuleerde dan verlamde, het leven van de intellectuele bovenlaag ten tijde van de Verlichting zo voor ons weet te ontsluiten (intiem, soms zelfs huiselijk) dat je het gevoel hebt er voor de duur van dit boek met je neus bovenop te staan, en dat is altijd weer een merkwaardige belevenis (AP, Privé-Domein, ¿ 125,- gebonden).

Zulke boeken laat je niet ongezien passeren. Er zijn er meer, deze week. Het zingen van de wereld is er zo een. Het is een roman van de wat vergeten schrijver Jean Giono, die in 1895 in Manosque, een plaatsje in de Haute Provence, werd geboren en daar in 1970 overleed (in hetzelfde huis waarin hij veertig jaar lang had gewoond en gewerkt). Giono is wel afgeschilderd als een schrijver van streekromans, want al zijn werk speelt zich af in de Provence, maar de laatste jaren is hij, in Frankrijk, aan een herwaardering toe en wordt onderkend dat zijn stabilitas loci niet noodzakelijkerwijs het uitgangspunt voor een negatief oordeel over zijn werk hoeft te zijn. Integendeel.

Wie aan Het zingen van de wereld begint, zal algauw in de ban raken van de atmosfeer, die Giono heel poëtisch (soms met een lyriek, die wij ontwend zijn) weet te scheppen. Het 'vreemde' verhaal van de eenzaat Antonio, die leeft van de rivier, en met 'Matroos' in de bossen een blinde vrouw in barensweeën vindt (op wie hij verliefd wordt) is doortrokken van een geweld, dreiging en primitiviteit, die je nog het meest aan het Wilde Westen of de Braziliaanse sertao doet denken (vertaald door Jeanne Holierhoek, Coppens & Frenks, ¿ 56,90 gebonden).

Een bijzonder boek is ook De Golden Gate van Vikram Seth. Van hem gaf Van Oorschot eerder A suitable boy (onvertaald) in het licht. Maar de roman-in-verzen die nu van Seth is uitgekomen, is wel degelijk uit het Engels vertaald, door Paul van den Hout, en dat moet niet alleen een heel werk zijn geweest, Van den Hout is er ook uiterst zorgvuldig mee omgesprongen. In 342 bladzijden ontspint zich op rijm ('Om te beginnen, kort en krachtig:/ de Muze Heil, dat is bon ton./ Zo rond het jaar 1980/ was er een man, hij heette John.') het verhaal van de computer-expert John, die in San Francisco hunkert naar liefde, nee. . . geen seks. Een vriendin haalt een grapje met hem uit door een contactadvertentie te plaatsen, en dat is niet iets in John's stijl. Toch speelt hij het spel mee, om al snel te ervaren dat dit niet de methode is. John is een man van de wereld, die er niettemin weinig voor voelt daar als een 'yup' aan deel te nemen. Hij probeert zijn leven inhoud te geven, en ook zo bezien is De Golden Gate een nogal uitzonderlijk boek, dat geïnspireerd werd door Jewgeni Onegin van Poesjkin (Van Oorschot, ¿ 49,-, ¿ 69,- gebonden).

Poëzie, nu we het er toch over hebben, is er in overvloed. Een nieuwe bundel van Leo Vroman, Psalmen en andere gedichten (Querido, ¿ 39,90); van Neeltje Maria Min, Kindsbeen (De Bezige Bij, ¿ 29,50 gebonden), van Sybren Polet, van Jacques Hamelink, van Margreet Schouwenaar. Het is te veel om op te noemen. En dan is er óók nog een kolossale Spiegel van de Surinaamse poëzie (Meulenhoff, ¿ 59,50). Ik kom er op terug. Net als op de Gracchanten van Pim Wiersinga (ik ben tot pagina 416 gekomen, ik weet het nog steeds niet); op Zionoco van Leon de Winter (De Bezige Bij, ¿ 35,-); op Stenen van Roger Caillois (De Bezige Bij, ¿ 37,50); op de drie prachtige deeltjes in de Griffioen-reeks (heel leuk zijn de schildersbiografieën van Arnold Houbraken in De Grote Schouwburg, Querido, ¿ 12,50); op Een verstoorde relatie, de brieven van George Sand aan haar dochter Solange Clésinger (Scheffers, ¿ 49,90); op. . ., op . . ., nee, het houdt, zeker tot Kerstmis, voorlopig nog niet op, want nu moet alles in één klap voor het koopkrachtige publiek beschikbaar zijn.

Meer over