Een hol om in weg te zakken

Het is allemaal begonnen met Paul de Leeuw. Die had in zijn praatprogramma op televisie een grote bank pal in beeld gezet....

Naast de klassieke Chesterfield is de trend in zitbanken inmiddels de kussenbank. Kennelijk is het punt van verzadiging in de vorige trend een beetje bereikt: de strakke design-bank met een lichtelijk hartvormige rug begint in winkels op de achtergrond te raken. En de rechte bank met chromen poten en armleuningen ook. Kussenbanken staan opeens prominent in de etalage bij elke meubelzaak.

Voor oude mensen is het echt niks, deze hedendaagse bank. Je ziet ze in winkels langzaam gaan zitten, de billen wachtend op steun. Denkt het achterwerk vaste grond te voelen, dan ontspant het - waarna het zitkussen nog een centimeter of vijftien meegeeft. Volgt een geschrokken gezicht alsof een grapjas de stoel onder hem of haar heeft weggetrokken. En vervolgens kunnen ze niet meer overeind komen uit zo'n diepe bank die helemaal meegeeft.

Dat de nieuwerwetse kussenbank veel te zacht is voor ouderen beaamt ook Eric Jonkers, uitbater van meubelhandel Kietschenberger in de Amsterdamse Kerkstraat. 'Mijn moeder vindt het maar niks. Die wil rechtop zitten, die houdt van een harde bank. Maar ik ben juist erg tegen die ouderwetse Hollandse calvinistische zit op harde schuimrubber platen.'

Jonkers heeft zijn winkel vol staan met kussenbanken in alle soorten en maten, die hij laat maken door een Engelse fabrikant. Banken met zes, acht, tien kussens, met een zitting die zo diep is dat je automatisch je schoenen uittrekt en je voeten erop legt. Jonkers' klandizie is goeddeels tussen de 30 en de 45 jaar, bezig met het inrichten van hun huis met spullen die een paar centen mogen kosten. Want die Engelse kussenbanken zijn behoorlijk begrotelijk. Een mille of vier is heel normaal, de meeste zijn zelfs nog duurder. Komt mede doordat ze op maat, in elke gewenste stof met desgewenst extra kussentjes worden uitgevoerd.

Een kussenbank, stelt Jonkers, is het ultieme voorbeeld van cocooning: 'Het zijn echte wegzakbanken. Ze worden gekocht door mensen die 's avonds moe van het werken op de bank neerploffen, hier en daar een kussen in hun rug proppen en dan afstandsbediening of telefoon pakken. Te diep, te zacht, je komt niet meer overeind? Nou en?! Hoe ik er straks weer uitkom, zie ik dan wel weer. Desnoods doe ik hier nu eerst eens een tukje. Zoiets.'

Die andere trend in banken, de klassieke Chesterfield, mikt niet op diezelfde modegevoelige klanten. Een echte Chesterfield is behalve peperduur namelijk dermate onverslijtbaar dat het geen aanschaf is voor een jaar of vijf.

Wat meteen opvalt aan verkopers en bezitters van zo'n bank is dat ze praten over de Chesterfield alsof het een religie is die ze aanhangen. Wie eenmaal voor de Chesterfield gewonnen is, wil kennelijk nooit meer een andere bank. Mensen die hem tweedehands te koop aanbieden, doen dat omdat de kat het leer heeft gesloopt, waarna ze op zoek moeten naar een nieuwe.

De traditionele Chesterfield is een diepe bank, bij voorkeur in leer, met ronde, in elkaar overlopende rug- en armleuning. Leuningen en bij sommige modellen ook de zitting zijn gecapitonneerd met knopen die diepe kuilen in leer of stof maken. De zitting en de leuningen zijn zo diep en zo breed dat het meubelstuk in huis niet alleen kolossaal lijkt, maar inderdaad ook veel plaats inneemt in verhouding tot de daadwerkelijke zitruimte die het biedt.

Ook Chesterfields worden op maat en op bestelling gemaakt, doorgaans door kleine fabrikanten in Engeland, die hun producten via tussenhandelaren afzetten in Nederland. De klant kan aangeven hoe hoog de pootjes moeten zijn, of de leuningen hoog of laag moeten en welke kleur het leer moet hebben. Speciaal is bovendien dat de klant bij sommige fabrikanten kan zeggen of hij een keiharde of een zachte zitting wil, geheel naar eigen smaak en wens.

Verwarrend is dat 'Chesterfield' geen merk is, maar een model, zo legt de erin gespecialiseerde winkelier van meubelzaak Temfay in Hoofddorp uit. In principe kan iedereen dus Chesterfields bouwen. In de handel zit daardoor veel kaf onder het koren. Een echte Chesterfield hoort bijvoorbeeld een zogenoemde boxspring als bodem te hebben. Een boxspring is een constructie met metalen veren en lagen vulling, zoals in een degelijk matras zitten. De onderkant mag niet bij elkaar worden gehouden door singels, gewone stoffen banden.

De echte Chesterfield is gemaakt van hoogkwalitatief dik rundleer. De gebruikte huiden zijn geverfd voordat ze zijn verwerkt in een bank. Bovendien zijn de stiknaden onzichtbaar weggewerkt in de plooien. Slechte banken verraden zich dus door stoffen banden onder de zitting en doordat ze pas op kleur zijn gespoten toen ze kant en klaar waren. Dat is te zien doordat het leer in de plooien nooit door en door gekleurd is, in de kern zijn ze naturel-wit. Vaak blijkt in het gebruik dat het leer ook te dun is, en dat het daardoor op de plooien bij de knopen en hoeken te snel slijt. Een nieuwe bank die na vijf tot acht jaar versleten is, was geen 'echte' Chesterfield.

Bij een gespecialiseerde zaak als Temfay komt een bank dan ook op minimaal vier en een halve mille voor een tweezitter. Het is heel normaal om voor een zithoek zo'n tienduizend gulden of meer te betalen. Een goedkoop aangeschafte nieuwe Chesterfield betekent volgens deze handelaar een schrijnend slechte kwaliteit.

Opvallend genoeg zijn zelfs tweedehands Chesterfields nog zeer aan de prijs, en desondanks erg gewild. Twee- tot vijfduizend gulden is in het tweedehandscircuit een redelijke prijs voor een bank, mits het een echte is. En of het een echte is of een snel doorzakkende nepper, moet de liefhebber die er geen verstand van heeft maar net in de gaten hebben. De tweedehandshandel schijnt zeer wel te varen bij de onwetendheid van de klant; het lijkt de autobranche wel. Het enige argument dat de malafide tweedehandshandelaar mee heeft, is dat het eeuwige leven ook wel erg lang is voor een bank, wanneer de bezitter na acht jaar weer eens iets nieuws wil.

Mieke Zijlmans

Meer over