Een hele jazzgeneratie blaakt van energie

North Sea Jazz Festival, in het Congresgebouw, Den Haag...

Na afloop van zijn trio-concert richtte Stephen Scott zaterdagavond een ernstig woord tot de bezoekers van het North Sea Jazz Festival. Als een volleerd retoricus begon de 26-jarige pianist met complimenten: hij was diep dankbaar voor de energie en de waardering die hij vanuit het publiek had gevoeld, het waren onmisbare ingrediënten van zijn muziek.

'Maar', ging Scott dreigend verder, 'één festival kan onze muziek niet in leven houden. Ik hoop dat jullie straks ook blijven luisteren, naar jazzclubs gaan en platen kopen. Anders zullen jullie op een dag de radio aanzetten, of naar de platenwinkel gaan, en ontdekken dat onze muziek niet meer bestaat, dat alle live music dood is.'

Na de vermaning kwam tot slot, zoals het hoort, de bemoediging: 'Als jullie dat doen, beloven wij - Roy Hargrove, Christian McBride, ikzelf en alle andere jongens - dat we zo hard en zo lang zullen blijven spelen als we kunnen.'

Stephen Scott had niet helemaal ongelijk met zijn preek. De kolossale toestroom naar het North Sea-festival - opnieuw meer dan zestigduizend bezoekers in drie dagen - contrasteert pijnlijk met de veel geringere belangstelling voor de reguliere jazzpodia tijdens de rest van het jaar, en met de bescheiden verkoopcijfers van jazz-cd's in Nederland. De theorie dat het publiek door het bezoeken van North Sea zou worden gestimuleerd tot blijvende jazzliefde, is na twintig festivals nog altijd niet meer dan een hoopvolle gedachte.

In de voorafgaande uren had Scott zijn recht van spreken met muzikale middelen afdoende bewezen. Zowel in het sextet van trompettist Roy Hargrove als met zijn eigen trio speelde hij fascinerende jazz, geworteld in de bebop maar ruimschoots uitgegroeid boven de schoolse imitatie. Van alle veelbelovende twintigers die in het voetspoor van Wynton Marsalis zijn opgekomen, lijkt Stephen Scott met zijn intrigerende harmonieën en zijn even krachtige als verrassende ritmiek het verst gevorderd met de opbouw van een origineel oeuvre.

Dat zijn hele generatie blaakt van de energie, lijdt geen twijfel. Na hun spectaculaire concert in de Jan Steenzaal spoedden de leden van het Roy Hargrove-sextet zich onmiddellijk naar de volgende speelbeurt. Scott nam bassist Christian McBride en drummer Karriem Riggins mee voor zijn trio-optreden. Hargrove kon meteen doorlopen naar de jam-sessie die moest worden ingelast doordat organist Jimmy Smith (naar eigen zeggen 66) 's middags onverwacht had laten weten dat hij twee concerten in twee dagen te veel van het goede vond.

Tegen die achtergrond verdienden de kranige verrichtingen van twee 87-jarigen op het festival extra lof. Altsaxofonist Benny Carter speelde een aangename dubbele set met het trio van pianist Tommy Flanagan. Claude Williams, zestig jaar geleden gitarist/violist in de Count Basie-band tot hij werd verdrongen door Freddie Green, was zaterdag ook twee keer te horen met zijn niet altijd zuivere, maar in elk geval vitale vioolspel.

Enigszins generaliserend kun je stellen dat de dertigers het meest bezig waren met iets nieuws te bedenken. Niet dat het festival overigens uitblinkt door avontuurlijkheid: eigenzinnige Nederlandse improvisatoren bijvoorbeeld waren ook dit keer weer ondervertegenwoordigd. Op zich is het een goede zet de Knitting Factory, de club van New Yorkers die overal voor openstaan, weer een avond lang een zaal te laten programmeren. Hun 'stal' is echter interessant maar klein, zodat ook hun aanbod vooral uit bekende namen bestond.

Het begrip avantgarde is in de jazz na bijna een eeuw experimenteren heel relatief geworden. Veel meer dan een combinatie van bestaande vormen lijkt niet mogelijk. De meest recente combinatie is nog altijd die van improvisatie met moderne dansmuziek als hiphop. Saxofonist Branford Marsalis is hiervan een van de succesvolste exponenten; met zijn Buckshot LeFonque-project vulde hij moeiteloos de eindeloze vlakte van de Statenhal. Toch lijkt zo'n poging om de jazz jong en fris te houden tegelijk ook een stap terug, naar de tijd dat het genre pretentieloos vermaak bood aan danslustigen, die geen boodschap hadden aan een wat complexere inhoud.

En ook het vermakelijkheidsgehalte van Buckshot LeFonque viel tegen. De heer Uptown is een dertien-in-een-dozijn rapper die nauwelijks swingt, zanger Frank McComb vertilde zich aan de kitscherige song Mona Lisas and Mad Hatters en, veeg teken, de grooves kregen weinig voeten in beweging. De ritmesectie en de blazers konden dan ook een lesje leren van de legendarische soulman Wilson Pickett, die eerder die avond het Tuinpaviljoen op zijn kop zette. Goed, het is pure nostalgie, maar het zinderende ritme was onweerstaanbaar, het koper speelde waanzinnig strak en van Pickett's maniakale stem worden er weinig gemaakt.

Cornettist Graham Haynes stond met zijn Ethnotronic Church ook in een grote zaal, op het dakterras. Ook zijn fusie lijkt immers actueel, al is ze vanuit een andere gezichtshoek soms ook aardig gedateerd. Zoals de naam van de groep al aangeeft was de sfeer 'etnisch' en gewijd: Afrikaanse percussie en drones uit de Indiase tamboura en sitar schiepen een statische, tot trance uitnodigende stemming. Er waren mooie momenten, vooral in saxofonist Steve Williamson's emotioneel betrokken, zoekende solo's, die gunstig afstaken tegen het gladde professionalisme van Branford Marsalis. Er waren echter ook stukken waarin niets gebeurde, zoals in het ongeveer twee weken durende Enlightenment, dat bij ongelovigen associaties opriep met wierookstokjes en George Harrison.

Gelukkig kun je ook jazz van nu spelen zonder DJ's en ritmisch pratende jongens. Altist en fluitist Thomas Chapin, te zien op het Knitting Factory-podium, kon met zijn akoestische trio ook Afrikaanse patronen spelen, en sappige funk neerzetten. Hij doet echter veel meer. Zonder repeterende akkoordenreeksen, maar mèt fantasierijke melodieën, een herkenbare sfeer en een heilig vuur dat niet doorsuddert maar steeds heter wordt, en een puur muzikale trance teweegbrengt.

Ook klarinettist Don Byron speelt 'licht gebonden' jazz: net zo veel vrijheid dat hij zijn verbeelding de ruimte kan geven, en genoeg structuur om de luisteraar te laten weten waar hij zich bevindt. Voortgejaagd door wat een van de hardst swingende ritmesecties van het festival moet zijn geweest, liet Byron horen dat hij aan het uitgroeien is tot een solist van bijna Sonny Rollins-achtige allure. Hij presenteerde dit keer geen project, zoals hij in het verleden deed met klezmer- of latin-programma's, maar de klaaglijkheid van de joodse volksmuziek en de pittige, beweeglijke salsa-ritmiek waren nog te horen. Net als Rollins improviseert hij thematisch: telkens terugkeren naar de bron, steeds weer verrassende en toch herkenbare variaties op elkaar stapelen, en grappige citaten ertussen schuiven. Toepasselijk genoeg werd ook het met Rollins geassocieerde I'm an Old Cowhand van stal gehaald. Geen nostalgie of reconstructie, geen gimmicks, gewoon levende muziek.

Zondagavond verraste Branford's broer Wynton Marsalis met een concert dat de hele discussie over museum-jazz versus spontane creativiteit in een klap irrelevant maakte. Met zijn Lincoln Center Jazz Orchestra heeft hij het ideaal dat voor kort volstrekt onbereikbaar werd geacht, verbazend dicht benaderd.

Dit vijftienmans ensemble functioneert als het jazz-equivalent van een symfonie-orkest. Zoals het concertgebouworkest het repertoire van Mozart tot Mahler levend houdt, zo vertolkt het Lincoln Center Jazz Orchestra de jazz van Ellington en Basie tot Dizzy Gillespie - niet in een anonieme greatest hits-benadering, maar met inzicht, feeling en scheppend vermogen.

Marsalis speelde zelf een paar fraaie gedreven trompetsoli, maar als een ware orkestleider keek hij met even veel plezier toe hoe zijn trompettisen Marcus Printup en Ryan Kisor, en zijn pianist Cyrus Chestnut excelleerden. Met het Lincoln Center Jazz Orchestra is het jazz verleden klaar voor de volgende eeuw.

Frank van Herk

Bert Vuijsje

Meer over