Een heldendaad

Een man doet mee aan de Elfstedentocht. Hij heeft zogenoemde Elfstedenkoorts. Drie dagen voor de tocht kan hij zijn werk niet meer doen door de opwinding en de zenuwen....

Hij denkt: niet vele keren in een leven krijgt een man een kans iets bewonderenswaardigs te doen, iets waardoor anderen zeggen: deze man is uitzonderlijk, zie hem eens! Kijk eens hoe sterk hij is, hoe machtig zijn blik! Tweehonderd kilometer heeft hij geschaatst in de bittere koude! Alleen in mooie dromen komt zoiets voor.

Hij denkt: het leven van een man is vaak gewoontjes. Wanneer een kans op uitzonderlijkheid zich voordoet, moet een man die kans grijpen met beide handen. Is het vreemd dat zo'n man zijn werk niet langer kan doen? Dat hij koorts krijgt?

Elke keer als hij gaat zitten achter zijn bureau om zijn werk te doen, bedenkt hij weer iets nieuws om te kopen voor de grote dag:

'Ik moet nog een lamp kopen om in het donker te schaatsen'

'Ik moet voedsel kopen tegen de hongerklop'

'Ik moet nog een speciale bril kopen'

'Ik moet een speciaal pak kopen'

En daar holt hij weer naar de winkels.

De filosoof Plato heeft gezegd: een man die een huis bouwt, een kind maakt, een boom plant en een boek schrijft, zo'n man kan later rustig sterven. Het hart van zo'n man hoeft niet bang te zijn om op te houden met kloppen.

Je hoeft geen koorts te hebben om het daarmee eens te zijn. Iedere levende ziel is het daarmee eens, ook al heeft hij huis noch kind, boom noch boek, zoals velen.

Plato zei niet: een man die in zijn leven een schaatstocht rijdt van tweehonderd kilometer lang, die kan rustig sterven. Om dat te zeggen heb je Elfstedenkoorts nodig. En onze held in wording had zoals gezegd de vereiste koorts.

De dag brak aan en hij vertrok zoals mannen vertrekken die van plan zijn iets groots te verrichten in de wereld. Als hij een paard had gehad, dan was hij te paard gegaan. Maar hij had geen paard. Zijn vrouw en kinderen brachten hem met de auto naar het ijs.

Wat had hij het allemachtig hoog in zijn bol! Hij dacht al aan het glorieuze einde toen hij nog maar pas aan het begin was. Hij hoorde het gefluister al achter zijn rug: die man daar, die zeer uitzonderlijke man, hij heeft de elfstedentocht gereden, terwijl vele duizenden het opgaven.

Maar zijn ogen bevroren ondanks de bril. Hij had het koud ondanks het speciale pak. Hij had honger ondanks het speciale voedsel. Hij viel met een klap op het ijs, in het donker, als een kind. Hij gaf het op.

Peter Bekkers

Meer over