EEN HEEL STERRENSTELSEL VIII

Wat voorafging: de ontploffing die het leven kostte aan Struiscowboy Van Duivelaar en travestiet Tantetje, blijkt veroorzaakt door een lekke GEB-leiding....

Jannie kon terugzien op een indrukwekkend kampeerverleden: nachtenlang had ze de kreukels van het grondzeil in haar billen voelen snijden. Natuurlijk was de tent weer eens verkeerd opgezet. Uiteraard had de jongen met wie ze was het meest rotsachtige plekje uitgezocht. Dat wat betreft het ongemak dat haar van onderen trof. Veel ernstiger waren de bedreigingen van opzij; zweterige lichamen, die zich gedurende de nacht breed maakten, aan haar vastzogen, en net zo lang manoeuvreerden totdat zij een klein dood visje was, dat opgerold lag in een oude krant.

Je hoefde alleen maar 'Luxemburg' tegen haar te zeggen, of ze kwamen stuk voor stuk tot leven: al die vriendjes, die haar ooit een vrijgevochten vakantie hadden beloofd, een compleet nieuw bestaan eigenlijk, dat precies een dag liften van ze verwijderd lag.

Tegen haar moeder zei ze dat ze naar een muziekkamp ging, samen met dat aardige vriendinnetje. Ensemble-spel. Trio'tjes, kwartetten.

Tegen de jongens zei ze weinig, omdat ze geen flater wilde slaan en niet zeker wist of zij Herman Hesse wel goed begrepen had. 'Dit wordt tof' glunderden haar vriendjes, zodra ze met hun plunjezakken langs de snelweg stonden.

Maar het werd steevast Luxemburg.

Ze wilde best geloven dat ze een bedompt, burgerlijk bestaan leidde, in dat belachelijk grote huis van haar ouders met zijn overhangende rieten dak. Maar het viel haar toch moeilijk enige vooruitgang te zien, wanneer ze na zo'n doorwaakte nacht de tent openritste om in godsnaam maar wat frisse lucht binnen te krijgen.

Zij sliepen door. Allemaal, altijd. Verzadigde glimlachen op hun gezichten: dat was haar werk geweest.

Het ergste waren de zogenaamde ervaren types, die van die nieuwe ontdekking hadden gehoord. Het vaginaal orgasme. Dat kon uren duren.

Was zij nou ook al? En hoe vaak? Wist ze dat wel zeker? En hup, daar klommen ze weer op haar en in haar. De haringen prikten van onderen en zij van boven.

Ze had zich vaak een plank gevoeld, als ze zich 's ochtends uitrekte op die tevreden glooiende, Luxemburgse weiden. De koeien keken haar meewarig aan. Nog vaker voelde ze zich een plank met een groot, rond gat in het midden.

Maar nu was ze uitgerust, besefte Jannie toen ze overeind kwam op de politiebrits. Ze keek nog eens naar de noodvoorziening waarmee de Caluwe zich behielp - een matrasloos uitklapbed dat met twee ijzeren kettingen aan de muur was bevestigd - en realiseerde zich dat ze geen last had van verkrampte spieren of stijve botten. Eindelijk was ze dan 'relaxed', zoals haar vriendjes haar zo vaak hadden opgedragen. Ze had op het politiebureau gevonden, waarvoor ze heel Luxemburg was afgereisd. En wat al die zwoegende, blote jongens niet voor elkaar haden gekregen, was een man in jurk gelukt.

Ze dacht aan Angelo, ze zag in een flits hoe hij twee avonden geleden voor haar verrezen was: eerst de grote Angelo van vlees en handtas en bloed, en toen ook de kleine Angelo, de getatoeëerde, de botloze, die telkens getroffen werd door een acute groeistuip. En bij elke opwaartse beweging die hij maakte, werd het spandoek een stukje verder ontrold; als een schoolmeisje spelde ze zijn naam, met het puntje van haar tong tussen haar tanden geklemd. 'A-N-G-E-L-O'. Het smaakte naar meer.

Ze voelde zich weg zinken. Het hemelbed was zacht. Waarom hadden studenten nooit een goede binnenvering? Als ze omhoog keek zag ze Angelo's ballroom-jurken, die aan de ombouw hingen. Een firmament van glinsterende pailletjes.

Toen had hij haar gewezen op een mal bandje, met kriebelige bedeltjes, dat rond zijn ballen knelde.

'Mijn kleine boa' vertelde hij trots 'een cockring met echte struisvogelveertjes'.

Er was een waas voor haar ogen gekomen, en ze raakte bevangen door een vreemd, dwingend gevoel. Haar hoofd ging als vanzelf naar beneden. Ze wilde ineens prikken, steken, graven. Ze wilde meer zijn dan een plank met een gat erin. Ze wilde zelf een opening maken.

'Maar dat zou betekenen. . .'. Van de Vijver.

Ze herkende de verbeten toon in zijn stem; hij kon maar niet kiezen tussen onderdanigheid en woede over zijn eigen onderdanigheid. Net als ik, schoot het Jannie te binnen. Er schuilt iets vrouwelijks in die man.

Ze hoorde De Caluwe antwoorden, gemeenzaam.

'Een pittig vrouwtje, Bert, dat mag je wel zeggen. Als types zoals zij vrij blijven rondlopen, hebben wij politiemannen niets meer aan een kogelvrij vest, als je begrijpt wat ik bedoel. Dan moeten we dat zaakje hier beneden zien te beschermen.'

Jannie keek naar het gordijn, dat licht bewoog. Ze konden het ieder moment openschuiven. Ze probeerde zo geluidloos mogelijk te lachen, en voor de verandering begroef ze nu eens haar gezicht tussen haar eigen benen.

Wordt vervolgd door Wanda Reisel, dinsdagavond bij De Avonden (VPRO, Radio 5, 1008 AM), woensdag op de Voorkant.

Meer over