Een heel mensenleven verdween in de modder

Ze staat met rood betraande ogen te treuren voor een modderpoel. 'Ik had gedacht dat dit soort rampen alleen in verre landen gebeurde....

JAN VAN DER PUTTEN

Van onze correspondent

ALESSANDRIA

De snelweg van Genua over de Ligurische Alpen naar de Po-vlakte is weer open, want de slagregens zijn eindelijk opgehouden. Daardoor is ook Alessandria weer bereikbaar geworden. Na de afslag Alessandria-Zuid is er nog steeds van de watersnoodramp niets anders te zien dan wat plassen in het weiland. Zou het dan toch allemaal wel meevallen? Totdat na een bocht de ramp zich brutaal opdringt.

Rechts van de weg heeft zich een groot bruin meer gevormd. Er loopt een spoorlijn doorheen, die door een reuzehand verbogen is. De bovenleiding is verfomfaaid. Uit het water rijzen bomen, huizen en schuren op, en kris kras daar tussendoor liggen op het water doppen in allerlei kleur: autodaken. Een desolate troep oud roest steekt boven de poel uit. Een truck met oplegger ligt met zijn buik naar boven.

Helikopters vliegen rondjes. Op de snelweg komen politiewagens en ambulances aangereden. Het verkeer wordt tegengehouden. Oorverdovend maakt een van de helikopters een landing op de weg. Uit een ambulance wordt vliegensvlug een zieke op een brancard de helikopter ingedragen, die daarna pijlsnel weer opstijgt.

De poel wordt begrensd door de afslag naar Alessandria-West. In haar cabine int een zuur kijkend meisje het tolgeld, ramp of geen ramp. Maar Alessandria-West blijkt onbereikbaar, want de politie heeft de straat afgezet. Hier begint San Michele, een plattelands-buitenwijkje met tweeduizend inwoners. En hier begint ook de ellende.

De weg ligt vol modder. Gisteren stond het water nog een meter hoog. Het heeft zich nu aan weerskanten teruggetrokken naar de voortuinen, of wat daarvan rest. 'Ik had hier een prachtige tuin', zegt een man die samen met zijn vrouw, kinderen en een paar vrienden bezig is het slijk het huis uit te vegen. Hij wijst naar de bagger.

De tuin staat vol beblubberde huisraad, rijp voor de schroot. De begane grond is ontruimd. Het hoogwater heeft op de muur zijn sporen achtergelaten. Francesco Catanio geeft een rondleiding door zijn vernielde onderverdieping. Hij is verbitterd, en wil dat weten ook: 'Niemand is ons komen waarschuwen. De televisie heeft niets gezegd. Van het ene moment op het andere kwam daar die enorme massa water aan. Wij hebben gemaakt dat we wegkwamen.'

Eén keer heeft Catanio het water van de rivier de Tanaro tot de spoorlijn zien komen, maar nooit tot hier. Hij wijst naar de overstromingen achter zijn huis: 'Het water staat daar nog twee, drie meter hoog.' Hoe verloopt de hulp? 'Heel langzaam. Die huizen daar in het water, daar moet de evacuatie nog beginnen. Pas na 28 uur, stel je voor. Die bescherming burgerbevolking, die hebben we hier niet gezien. De mensen helpen elkaar.'

Catanio wordt steeds bozer: 'Het enige wat hier functioneert is het Rode Kruis, en we hebben de boeren die met hun tractoren veel mensen hebben geëvacueerd. Italië ziet er uit als een mooi land, maar het is erger dan de Derde Wereld. Niets functioneert hier. Het is een land van alleen maar dieven en mafiosi. We hebben er echt genoeg van. Laten ze Italië maar verdelen in het noorden en het zuiden. Ik hoor bij het noorden.'

Zijn er hier in San Michele doden gevallen? 'Een man van zestig, die is verdronken in zijn eigen huis. Maar er zijn nog vermisten.' Wat verderop ligt een van die vermisten in een metalen kist in de auto van een begrafenisonderneming. Zijn lijk is net geborgen.

'Hij is door het water meegesleurd', vertelt een jongen, 'en toen is hij tegen dat hek daar te pletter geslagen.' Aan het eind van de dag is het dodencijfer in Alessandria gestegen tot tien.

Er komt een tractor aangereden, met achterop twee mannen, onder de modder. Net gered uit een geïsoleerd huis. Een van hen is half bloot.

Een Rode-Kruisman verzekert dat nu iedereen is geëvacueerd. Maar de mensen die overal op de weg in groepjes staan te praten, betwisten dat. Een jongeman heeft drie lijken van bejaarden voorbij zijn huis zien drijven, een ander weet van twee oude broers die gestorven zijn. 'Heel wat oude mensen willen hun huis niet uit', zegt iemand anders. Veel eenzame huizen, zegt hij, zijn leeg. De bewoners zijn verdronken.

Links en rechts heeft de modderstraat slechts onttakeling en smerigheid te bieden. Alle hekken en muren weggeslagen. In de greppels omvergeworpen vuilniscontainers. Autowrakken en landbouwmachines schots en scheef in verdronken voortuinen. Een pompstation ondergelopen. De zijstraten onder water. Alles wat in het veld nog overeind staat, is behangen met vuile slierten en flarden.

In deze surrealistische omgeving ligt in een greppel een dode koe met stijve poten omhoog, terwijl het Rode Kruis iets verderop bezig is een geïsoleerde soortgenoot te redden. Tweeduizend stuks vee zijn hier verdronken.

En weer breekt de woede door. 'Volgens mij hebben ze de rivierdijken expres doorgestoken', zegt een man. 'Het zijn klootzakken.' Wie hij bedoelt, spreekt voor zichzelf. Anderen geven niet deze regering, maar alle regeringen de schuld, die met hun wanbeleid de bodem- en waterhuishouding hebben verziekt.

De vrouw met de betraande ogen vertelt haar verhaal. Over de plotselinge inval van het water. Over de vlucht naar het dak. Over haar vergeefse pogingen om de aandacht van de helikopters te trekken. En toen, eindelijk om middernacht, die rubberboot. 'We leven nog. En wat een hartelijkheid hebben we ondervonden. Ongelooflijk.'

De nacht valt. Het gaat opnieuw regenen. Er is geen licht. Er is vaak ook geen water en voedsel. Er voor een nog onbekend aantal vermisten is er geen hoop.

Meer over