Een grand seigneur en tegelijk een clown

'NOOIT HEEFT James Ensor zich, zelfs aan zijn beste vrienden, vertoond met zijne pantoffels aan de voeten', berichtte correspondent Karel van de Woestijne in zijn wekelijkse kroniek in de Nieuwe Rotterdamsche Courant....

Paul Depondt

Op een dag in de late jaren twintig, vertelt John Gheeraert in De geheime wereld van James Ensor, toen de schilder elke avond in de Falstaff op het Wapenplein met een groepje getrouwen gin of Engels bier dronk, werd hij door zeven kerels verrast die zich vermomd hadden als Ensor. 'Allen hadden hetzelfde Ensor-masker op en droegen dezelfde Ensor-attributen: de zwarte paraplu, de paarse strik, de lange overjas en de zwarte hoed.' De schilder zelf, 'een grand seigneur en tegelijk een clown', triomfeerde en juichte. Hij hield van zo'n eerbetoon.

Sinds zijn 33ste was Ensor een soort curator geworden van zijn eigen werk, conservator van zijn eigen baronie, een Oostendse schelpjeswinkel. Hij maakte sindsdien voor kooplustige bezoekers minderwaardige pastiches en doublures van zijn prenten die hij dikwijls antidateerde of zelfs vervalste. Waarom verslapte, rond 1893, Ensors creatieve kracht? Ook zijn fantasie taande. Wat was er gebeurd?

We weten weinig over de schilder, ook al is hij pas in 1949 overleden. Over Ensor is nooit een uitvoerige biografie verschenen en ook tegenover zijn vrienden was hij 'gierig met herinneringen'. Zijn eigen levensverhaal, dat in 1999 bij de Brusselse Editions Labor werd heruitgegeven als Mes écrits, ou les suffisances matamoresques, is niet altijd even geloofwaardig en betrouwbaar. De fictie is in Ensors geschriften moeilijk van de werkelijkheid te onderscheiden.

Bovendien heeft hij de bronnen van zijn inspiratie nooit vrijgegeven en hij heeft ook nooit verteld over de oorsprong van het satanische karakter van sommige van zijn vroege schilderijen of tekeningen.

In maart 2000 publiceerde romanschrijver Gheeraert in de Frankfurter Allgemeine Zeitung een artikel over de invloed van Helena Petrovna Blavatsky, medestichtster van de Theosofische Vereniging, op het werk van Ensor. De 'Russische heks' Blavatsky, ontdekte Gheeraert - die eerder een boek schreef over Stefan Zweig in Oostende - verbleef in de periode 1886-1887 een klein jaar in 'de koningin der badsteden'. Ze schreef er een deel van haar beroemde boek De geheime leer. Enkele weken woonde Blavatsky in een appartement in de Villa Nova op de Boulevard Van Iseghem. Vanaf zijn zolderatelier had Ensor een goed uitzicht op het huis. De schilder begon zich voor haar te interesseren 'toen hij vernam dat ze contacten had met spiritisten'. In de buurt was ze, met haar kozakkengelaat en in haar geborduurde jasje, een opvallende verschijning.

In het mondaine Oostende werd flink over haar geroddeld. Ze werd door de burgerij beschouwd 'als een van de meest talentrijke en vindingrijke bedriegsters van die tijd'. Ze had het in haar gesprekken, steevast met een sigaret tussen de vingers, 'over een broederschap van het hele universum, en ze beweerde dat je onuitspreekbare grootheid kon ontdekken en vrijmaken in de individuele ziel'. Ensor las in die dagen Isis Unveiled, waarin Blavatsky schreef over het licht, 'de anima mundi die het heelal doordringt', een boek dat hem zeer aansprak. Ensor was bezeten van het grijs paarlemoeren licht, het schijnsel op zee dat op zwoele zomeravonden werd veroorzaakt door talloze fosforescerende weekdiertjes. Het was in Ensors ogen een geestelijk teken.

In een van zijn brieven, die door Xavier Tricot in 1999 in James Ensor - Lettres zijn bezorgd, vertelt hij over een zicht op de Oostendse daken, 'Vue prise en Phnosie, ondes et vibrations lumineuses'. Het woordje Phnosie, schreef Ensor, deed hem 'dromen van omsluierd licht', volgens Gheeraert een vervormde verwijzing naar het licht van de gnostici en van de theosofen, naar het Franse gnosie, 'de diepere kennis over de goddelijke realiteit die de gnostici nastreefden'.

Blavatsky had het over demonen, djinns en dzin-dzins - Ensor echter sprak over 'dzitts', de griezels en de duivels uit haar behekste wereld. Die kleine monsters, dacht Ensor, konden zijn nog enigszins naïeve tekeningen en prenten mysterieuzer maken. Een doodgewone piano werd in zijn schetsen een behekst klavier, bij een lamp tekende hij een paar spookgestalten. Blavatsky's esoterische wereld had zijn verbeelding zo geprikkeld dat hij een serie tekeningen een voor een bewerkte en veranderde. Uit onderzoek met infrarood- en ultravioletstralen bleek dat Ensor ook aan enkele van zijn schilderijen nare geesten had toegevoegd.

Zijn nog jonge vriendin Augusta Boogaerts, die door Ensor 'de sirène' werd genoemd, zag in 1888 op zijn atelier het 'Portret van madame B.'. Nieuwsgierig vroeg ze hem wie die mevrouw B. was, maar Ensor aarzelde om te antwoorden. Was het Helena Blavatsky, zoals Gheeraert suggereert? Misschien was het, zegt Tricot, de schimmige prostituee Neel Doff. In de recente catalogus Between Street and Mirror - The Drawings of James Ensor wordt elke gelijkenis met Blavatsky of Doff ontkend. Het blijft voor kunsthistorici en vorsers een raadsel, zoals eigenlijk ook de vermeende invloed van Blavatsky's aanwezigheid in Oostende op Ensors werk.

Gheeraert schrijft met veel inlevingsvermogen over de jonge Ensor. Hij heeft, om de sfeer van toen op te snuiven, 33 jaargangen doorgenomen van het liberale weekblad L'Echo d'Ostende en van het katholieke blad La Feuille d'Ostende 'die met elkaar een ongenadige pennenstrijd voerden'. Zijn empathie is gebaseerd op archiefmateriaal, eigen onderzoek, bekende feiten en gebeurtenissen, foto's, brieven en getuigenissen van vrienden. 'Mijn inlevingsvermogen werd bij wijze van spreken ''behekst'' door de wereld van Ensor', schrijft Gheeraert. Zijn boek is een interpretatie.

Kunsthistorici hebben altijd met veel argwaan kennis genomen van de speculaties van Oostendse 'kroniekschrijvers' en Ensoriana-vorsers als Gheeraert en Tricot, of van Ensor-verzamelaar Patrick Florizoone. Toch is vooral Tricot, de bezorger van Ensors brieven en samensteller van de tweedelige catalogue raissoné des peintures (1992) intussen een door kunsthandelaren en museumconservatoren veel geraadpleegde kenner.

Was Blavatsky's dood in 1891 de oorzaak van Ensors neergang? 'Het nieuws bracht James uit zijn evenwicht', schrijft Gheeraert. 'Een diep verdriet welde in hem op. Alleen hijzelf wist hoe belangrijk ze geweest was voor hem. 't Was alsof de zon uit de hemel verdwenen was.' De gecompliceerde Ensor, die na zijn 33ste even burgerlijk werd als de door hem in zijn excentrieke Franse oprispingen bespotte Oostendse bourgeoisie, is net zo ongrijpbaar als zijn getekende en geschilderde demonen en kwelgeesten. De dood in 1887 van zijn alcoholische vader, die Ensor zich in zijn brieven vol tederheid herinnert, greep hem naar de keel. Maakte diens overlijden Ensor schichtig of angstig?

Of was hij impotent en misogyn? Liefelijke vrouwen komen in het werk van Ensor niet voor. Wellicht zijn het die verdrongen seksuele verlangens die hij in tekeningen sublimeerde, die van hem die oude en uitgebluste man 'met zijn opschietende falsetstem' maakten, zoals zijn 'geliefde' Boogaerts beweerde, die armzalige harmonium spelende minnaar 'die behekst was door de zonde die men niet bedrijft'. We weten het niet.

Meer over