Een goede renner heeft maar weinig vrienden

Eerst is het hobby, daarna is het hobby-werk en uiteindelijk is het alleen nog maar werk. Jelle Nijdam besluit vandaag zijn laatste Ronde van Nederland en zonder enige vorm van spijt gaat over twee maanden zijn racefiets na dertien seizoenen voor de laatste maal de schuur in....

BART JUNGMANN

NIETS KAN Jelle Nijdam nog op andere gedachten brengen. Zijn besluit staat vast, ook al wint hij vandaag de Ronde van Nederland of later dit seizoen een van de najaarsklassiekers Parijs-Tours en Parijs-Brussel. Hij heeft dertien jaar lang zijn brood met fietsen verdiend. Het is mooi geweest, letterlijk en figuurlijk.

Jelle Nijdam zal niet omzien in wrok, want: hij heeft nergens spijt van (1), hij verlaat een wereldje dat hij kan missen als kiespijn (2) en hij heeft genoeg geld verdiend om de rest van zijn leven op bescheiden wijze te rentenieren (3).

1: 'Ik ben misschien te lang bij Jan Raas blijven rijden, dat is het enige dat ik nu kan bedenken. Sportief gezien, althans. Zakelijk is het niet slecht geweest die laatste twee jaar bij Raas.

'Als ik op die dertien jaar terugkijk, kan ik mezelf toch een geslaagd zakenman noemen. En in de wielrennerij komt het daar toch uiteindelijk op neer: zaken doen. Eerst is het je hobby, dan is het hobby-werk en uiteindelijk is het alleen maar werk. De ene dag vind je het leuk, de andere dag baal je ervan. Zoals iedereen dat in zijn werk heeft. En dan ben je blij dat je kunt stoppen. Met het wielrennen ben je toch dertien jaar uit de maatschappij. Je investeert in niets. Het is geen vak waaraan je later iets hebt.'

2: 'Ik heb nooit vrienden in het wielrennen gehad. Er was natuurlijk wel kameraadschap, maar dat houdt ook op als je in een andere ploeg gaat rijden. Een goede renner heeft weinig vrienden, een goede renner is een egoïst. Dat geldt ook voor mij. Wat er verder allemaal in het wielrennen om ging, heeft me nooit ene moer geïnteresseerd. Alleen wat er thuis zit, is belangrijk voor me.

'Vijandschap zal er vast wel bestaan in het wielrennen, jaloezie vooral, maar ik heb daar geen last van. Als ik door iemand geflikt werd, dan was ik dat een dag later vergeten.

'Soms word je door renners wel eens aangeschoten. Dan zeggen ze: daar en daar heb je me geflikt. Dat is dan vaak iets van jaren geleden en daar zijn ze dan nog kwaad over. Ik weet dat dan al lang niet meer. Ik rijd voor de sponsor en ik rijd voor mezelf, en daar moet natuurlijk wel eens wat voor wijken. De ene keer word je geflikt, de andere keer flik jij ze. Zo gaat dat.'

3: 'Ik ben geen miljonair geworden met het wielrennen, maar ik zou het kunnen uitzingen als ik voor de rest geen gekke dingen doe. Maar ik weet niet of ik dat wel wil. Ik ga nu eerst een jaartje niets doen en daarna ga ik eens rustig bekijken of ik nog iets anders ga oppakken en wat dat dan moet zijn.

'Misschien wel weer iets in de wielrennerij. Op dit moment zou ik er niet zoveel behoefte aan hebben, maar wie weet kijk ik er straks wel anders tegenaan. Je ziet zoveel oud-wielrenners rondlopen in het wereldje. Kennelijk kruipt het bloed toch waar het niet gaan kan.'

De Ronde van Nederland heeft zijn tweede etappe erop zitten. Buiten stroomt de regen in rivieren naar afvoerputten die het zat zijn, binnen zit Jelle Nijdam de boot af te houden. Hij gaat niet spuwen in de bron waaruit hij zolang heeft gedronken.

Natuurlijk heeft hij in die dertien jaar ook wel eens vraagtekens geplaatst bij de vroege dood van sommige wielrenners en hij zal ook niet ontkennen dat de medische begeleiding haar schaduwkanten heeft. Maar hij wil zichzelf slechts gelukkig prijzen dat er aan zijn lijf nooit polonaise is geweest.

'Ik ga geen verhalen vertellen die ik niet zeker weet. Als ze niet kloppen, doe ik de ouders verdriet van jongens die nu dood zijn. Dat wil ik niet. Bovendien willen de mensen dat soort verhalen toch niet lezen.'

Hij lacht een veelbetekenend lachje en zegt dan: 'Nou, ga je zeker ook nog vragen naar de criteriums die allemaal verkocht worden.' Vooruit eentje dan.

'Het was bij een criterium in Roosendaal, nog in mijn goede jaren. Iedereen nam aan dat ik zou winnen. Maar de organisatie kwam naar me toe. Ze hadden toch liever dat een ander won en ze hadden er ook nog wel wat geld voor over. Chiappucci ontsnapte dus een ronde voor het einde. Ik sprong ernaar toe, kwam er vlakbij, deed nog een laatste jump, maar ik won net niet. Ik sloeg nog een keer hard op mijn stuur, zogenaamd uit teleursteling. Komt er een journalist naar me toe en die zegt: zie je wel dat die criteriums niet van tevoren geregeld worden.'

Die goede jaren heeft Jelle Nijdam al een tijdje achter zich liggen. 'Dat was tussen mijn 23ste en 29ste.' Met generatiegenoten als Frans Maassen en Erik Breukink pikte hij onder het ploegleiderschap van Jan Raas een graantje van de Nederlandse wielerwelvaart mee, vooral dankzij zijn talent voor korte tijdritten, ontsnappingen in de laatste kilometers en het lanceren van sprinter Jean-Paul van Poppel.

Zijn grote zegetocht begon in 1987 met de Tourproloog in West-Berlijn. Daarna won hij nog vijf maal een rit in de Ronde van Frankrijk, waarin hij drie dagen de gele leiderstrui droeg. In zijn imponerende erelijst van 112 zeges zijn de Amstel Gold Race, Parijs-Tours en Parijs-Brussel de opvallendste.

Daarna raakte Nijdams carrière in de versukkeling, zodanig dat Raas hem niet eens goed genoeg meer achtte voor de Tour. 'Ik heb twee jaar in de soep gezeten. Ik was gewoon niet meer fris in m'n kop.'

De overstap naar Raas' collega Priem deed Nijdam goed. Hij besloot de lat wat lager te leggen en kwam er toen wel over heen. 'Ik wilde mijn jaar niet langer laten verzieken doordat ik geen klassieker won.' Wat hij wel won: Dwars door België en de Ronde van Nederland. 'Vorig jaar was eigenlijk een superjaar.'

In het volste vertrouwen dat zijn loopbaan nog lang niet ten einde was, bereidde Jelle Nijdam zich deze winter voor op 1996. 'Ik heb er nog eens alles aan gedaan. Maar in het voorjaar werd ik vaak ziek, steeds als de vorm eraan begon te komen. Ook toen ik de Ronde van Midden-Zeeland had gewonnen en ik dacht: nu gaat het gebeuren.

'Het Nederlands kampioenschap was een soort breekpunt. Toen heb ik voor mezelf het besluit genomen ermee te stoppen. Die beslissing heeft me geestelijk rust gegeven. Lichamelijk ging het misschien nog wel, maar het kost me ook steeds meer moeite om van huis weg te zijn. Vroeger kon me dat niet zoveel schelen, nu steeds meer.

'Het is niet alleen een kwestie van leeftijd. Ik zou gemakkelijk tot mijn 37ste kunnen doorgaan. Priem heeft ook nog geprobeerd me over te halen, maar ik heb geen zin anoniem rond te rijden. Daar ben ik de man niet naar. Ik ben niet het type dat anderen kan begeleiden. Alleen als ik zelf goed rijd, kan ik dirigeren. Als een ploeggenoot wint, vind ik het ook alleen leuk wanneer ik er zelf een bijdrage aan heb geleverd.

'Ik vind het niet moeilijk om nu nog door te rijden, ook al heb ik die beslissing genomen. Ik weet dat er een einde aan komt. Dat is eigenlijk wel zo rustig. Je hoeft niet aan opslag of afslag te denken. Nu de Ronde van Nederland, daarna nog de Ronde van Polen en nog wat andere ritjes. Daarna is het fini, afgelopen. Ik moet niet denken aan een of ander afscheid. Ik ga twee weken op vakantie naar Aruba. Dat soort dingen kan nu. Gewoon weggaan als je wilt.'

Jelle Nijdam kreeg het wielrennen met de paplepel ingegoten. Vader Henk was een gerenommeerd baanrenner, een wereldkampioen achtervolging die er in 1969 mee stopte. Zoon Jelle was toen zes jaar, zijn kinderfiets had bij wijze van spreken al een racestuur. 'Ik heb er eigenlijk nooit aan getwijfeld dat ik beroepsrenner zou worden. Dat stond vanaf mijn vijftiende al vast.'

Een opleiding tot kok-kelner liep om die reden ook spaak. 'Bij ons thuis was het altijd wielrennen. Dat heb je natuurlijk ook met zo'n vader. Als-ie voetballer was geweest, was ik dat waarschijnlijk gaan doen. M'n vader is nooit een voorbeeld geweest. Ik heb eigenlijk nooit een voorbeeld gehad. Ik reed gewoon voor mezelf. Bij de nieuwelingen wilde ik zo snel mogelijk goed worden. Dat was mijn enige ambitie.'

Op zijn 21ste verjaardag trad Jelle Nijdam toe tot de profs, de jongste toen in die beroepsgroep. Het was een leukere tijd, stelt Nijdam ruim een decennium later vast. 'Vroeger reden we in de Ronde van Nederland nog wel eens tegen het peloton in, of er kwam een soigneur met een ezel het hotel binnenlopen. Dat soort grappen is er niet meer bij. Het is allemaal veel serieuzer geworden. Dat komt door die FICP-punten. Elk klein koersje is belangrijk geworden.

'Het wielrennen is tegenwoordig gecomputeriseerd. Renners zijn haast medische instituten geworden. Ik heb me redelijk aangepast, denk ik, hoewel ik altijd mijn oude trainingsschema's ben blijven gebruiken. Dat verander je niet zo een-twee-drie. Trouwens, dat wilde ik ook helemaal niet. Mensen zeggen wel eens dat ze het dan heel anders zouden aanpakken als ze het over konden doen. Dat heb ik helemaal niet. Ik zou het precies weer zo doen.'

Meer over