Een geschiedenis van Moed & Misdaden

Koste wat kost wilden de Palestijnse Joden 60 jaar geleden de strijd voor nationale onafhankelijkheid winnen. Dat lukte, maar de prijs was hoog.Door Anet Bleich..

Op Pesach (Joods Pasen) 1948 schreef Ruth Gefen-Dotan, destijds een 24 jaar oude bewoonster van een kibboets in het noorden van Galilea in haar dagboek over de verovering van de stad Haifa door de Haganah, de voorloper van het Israëlische leger. ‘Haifa, de haven, het bloed en het leed van de Joodse immigranten die door de Britten naar Mauritius en Cyprus werden afgevoerd; Haifa de stad van Herzl’s visioen* ja, er zijn momenten dat je de polsslag van de geschiedenis voelt.’

Over de inname van Haifa zijn ook andere verhalen in omloop. Het was in 1948 een gemengde, door Joden en Palestijnse Arabieren bewoonde stad. Gedurende de burgeroorlog die eind 1947 begon, nadat de Verenigde Naties met tweederde meerderheid hadden besloten het Britse mandaatgebied Palestina op te delen in een Joodse en een Palestijns-Arabische staat – een besluit waartegen de Palestijnen en de Arabische buurlanden zich met hand en tand verzetten – ontbrandde in het voorjaar ook de strijd om Haifa. De Joodse militie Haganah beschoot de lager gelegen Arabische wijken met mortieren. Dat veroorzaakte zo’n enorme paniek dat duizenden Palestijnse bewoners hals over kop hun huizen ontvluchtten naar de haven, waar door de haast om aan boord van een schip te kunnen komen velen onder de voet werden gelopen. De latere premier van Israël Golda Meïr was begin mei in Haifa en toonde zich ontzet over de ‘afschuwelijke exodus’ van de Arabische inwoners die hun huizen waren ontvlucht, ‘terwijl de koffie en de pitabroodjes nog op tafel stonden.’ Het gedrag van de Joodse autoriteiten, schrijft de Israëlische historicus Benny Morris in 1948; The First Arab-Israeli War, was ambivalent. Enerzijds was daar burgemeester Levy, die een hartstochtelijk beroep deed op de Arabische inwoners om te blijven en hun veiligheid en gelijke rechten beloofde. Daar tegenover stonden anderen die een Haifa zonder grote, potentieel vijandige, Arabische minderheid als politiek en militair voordeliger beschouwden voor de Joodse staat in wording. Bovendien, meldt Morris, doorzochten eenheden van de Haganah systematisch de veroverde wijken op zoek naar wapens en verborgen Arabische militieleden. ‘Ze behandelden de bevolking vaak ruw; families werden tijdelijk uit hun huizen gezet, jonge mannen opgepakt en soms geslagen. Er werd geplunderd.’ Tegen half mei had het grootste deel van de Arabische bewoners Haifa verlaten.

Ter gelegenheid van het 60-jarige bestaan van Israël op 14 mei wordt door een aantal auteurs teruggeblikt op het ontstaan van de Joodse staat. The Ethnic Cleansing of Palestine van Ilan Pappe uit 2006 (besproken door Alex Burghoorn in Cicero van 26 januari 2007) is nu ook in het Nederlands verschenen. Pappe is een van de ‘nieuwe historici’ uit Israël die de strijd hebben aangebonden met de dominante Israëlische visie op de ontstaansgeschiedenis van dit land. In 1948 poogt Benny Morris, de bekendste van de ‘nieuwe historici’ zijn eerdere publicaties over het ontstaan van het Palestijnse vluchtelingenprobleem (The Birth of the Palestinian Refugee Problem 1947-1949 en The Birth of the Palestinian Refugee Problem Revisited) in een bredere context te plaatsen. Van de hand van de Nederlander Chris van der Heijden, bekend van Een grijs verleden over Nederland in de Tweede Wereldoorlog is het essay Israël – Een Onherstelbare Vergissing. De drie auteurs hebben met elkaar gemeen dat ze met hun beschrijving van de aard van de Joods-Arabische strijd in 1948 de eventuele feestvreugde over het 60-jarig bestaan van de Joodse staat aardig weten te dempen.

Want de behandeling van Arabisch Haifa blijkt nog een gunstige uitzondering. Er zijn nog twee steden waar de Arabische bevolking voor verdrijving werd behoed. In Nazareth verzette de commandant Ben Dunkelman zich met succes tegen een order van generaal Carmel om de bewoners te verjagen. Dat gebeurde ook in de Arabische stad Shafa’Amr. Elders evenwel was het telkens hetzelfde treurige lied. Uit Tiberias, Safed, Yaffa, Lydda en Ramla kwam een Arabische uittocht op gang. Wie niet spontaan voor de oorlog op de vlucht sloeg, werd verdreven.

Berucht is de verdrijving uit Lydda en Ramla, in het midden van het land. Rond vijftigduizend inwoners vluchtten zonder voedsel of water te voet naar de nabije, door Jordaanse troepen beheerste westelijke Jordaanoever. Tientallen kwamen onderweg om. In Lydda hadden Israëlische eenheden , nerveus geworden door het onverwacht verschijnen van enkele Jordaanse pantserwagens op verkenningsmissie, een bloedbad aangericht in en rond de Dahamishmoskee. Volgens Palestijnse bronnen werden daarbij 426 burgers gedood. De verantwoordelijke commandant was Yitzhak Rabin die – o ironie van de geschiedenis – veel later met Yasser Arafat het vredesakkoord van Oslo zou sluiten en daarom door een Joodse extremist werd vermoord.

Hoe was het mogelijk dat Joodse soldaten, van wie een zeer groot deel vlak hiervoor vluchteling was geweest in het net van de nazi’s bevrijde Europa, op een dergelijke manier tekeer gingen? Om daarvan iets te begrijpen is het nodig om ook het gedrag van de tegenpartij in herinnering te roepen. Het is de grote zwakte van Pappe’s De Etnische Zuivering van Palestina dat hij dat achterwege laat. Het huiveringwekkende beeld dat hij schetst is, hoewel feitelijk niet onjuist, maar een deel van het verhaal. De Arabieren waren niet bereid de door de VN voorgestelde stichting van een Joodse staat in een deel van Palestina te aanvaarden. Ook de aanwezigheid van Joodse immigranten die na 1917 waren gekomen, wilden ze niet tolereren. Meteen na het verdelingsbesluit van de VN in november 1947 begonnen Palestijnse milities en vrijwilligers uit de omringende landen onder de noemer Arab Liberation Army tegen de Joden te vechten. Ze vielen kibboetsen en voedselkonvooien aan. In steden als Caïro en het Syrische Aleppo vonden pogromachtige uitbarstingen plaats tegen de Joodse wijken. Egypte, Jordanië, Syrië en Irak dreigden met een militaire aanval die op 15 mei 1948, toen het Britse mandaatbestuur zich had teruggetrokken, ook kwam. Eind mei stonden de Egyptische troepen 25 kilometer ten zuiden van Tel Aviv. In de praktijk bleek de gevechtskracht van de Arabische troepen (met uitzondering van het Jordaans Legioen dat zich evenwel beperkte tot het veroveren van de aan de Palestijnen toegewezen Westoever) niet groot, evenmin als hun strijdlust. Dat werd in Joodse ogen meer dan gecompenseerd door een bloedstollende retoriek, waarbij het ‘Idbah al Yahud’ (Slacht de Jood af) op de Palestijnse en Arabische straten werd aangevuld door officiële aankondigingen dat men van zins was de zionisten de zee in te drijven. De Joden vonden het ook niet geruststellend dat de Palestijnen hun lot toevertrouwden aan de mufti van Jeruzalem, Haj Amin al-Husseini, die door de Britten uit Palestina was verbannen en de Tweede Wereldoorlog in Berlijn had doorgebracht als bondgenoot van Hitler. Van der Heijden vindt het niet onlogisch dat de Palestijnse voorman toenadering zocht tot de vijand van zijn vijand en wijst op het verschil tussen het politieke antisemitisme van Husseini en het racistische van de nazi’s. Maar het valt de Palestijnse Joden te vergeven dat ze nog geen drie jaar na de Holocaust voor deze nuance geen oog hadden. Zij waren er integendeel van overtuigd dat een nieuwe Holocaust dreigde tenzij ze de overhand zouden weten te behalen in een strijd op leven en dood. Het feit dat de Britten zich gedurende de laatste maanden van hun mandaat over het algemeen passief opstelden en Joden en Arabieren lieten begaan en dat de VN niet in staat waren een vreedzame realisering van hun verdelingsbesluit af te dwingen, versterkte de vastberadenheid van de Joden/Israëli’s om koste wat kost de zege te behalen.

Toen op 15 mei de drie frontenoorlog uitbrak (Syrië en Irak vielen in het noorden aan, Jordanië in het oosten en Egypte in het zuiden), hadden de Israëli’s het achterland grotendeels gezuiverd van vijandige en ‘potentieel vijandige’ Arabische dorpen. Militair gesproken was dat ongetwijfeld een groot voordeel, want de optrekkende Arabische legers ontbeerden daardoor elke steun en de Israëli’s werden niet gehinderd door guerrilla-achtige aanvallen vanuit het eigen gebied. In menselijk opzicht daarentegen was de prijs catastrofaal hoog.

Aanvankelijk had de in november 1947 begonnen Palestijns/Joodse burgeroorlog alle trekken van een low intensity war. Palestijnse strijders vielen konvooien aan, waarbij soms doden vielen en ze belegerden kibboetsen. De Haganah voerde dan vergeldingsoperaties uit, terwijl dissidente rechtse Joodse groepen (Irgoen en Stern) in Arabische wijken en dorpen af en toe terroristische acties ondernamen. Dit beeld van incidenteel uitgewisselde klappen veranderde begin april drastisch. De verandering van strategie aan Joodse kant – in de dominante Israëlische geschiedschrijving eufemistisch uitgedrukt als het begin van het offensief – werd uitgelokt door de dreigende val van (Joods) West-Jeruzalem, dat door Palestijnse strijders onder Abdel Kader al-Husseini van het Joodse gebied werd afgesneden. Daarop startte de Haganah Operatie Nahson, waarbij, aldus Morris, in feite een begin werd gemaakt met de uitvoering van het zogeheten Plan D(alet). Operatie Nahson beoogde het heropenen van de weg naar Jeruzalem.

‘De preambule vermeldde dat ‘alle Arabische dorpen langs deze weg moeten worden beschouwd als vijandige bases’. Volgens Ilan Pappe en andere (pro)Palestijnse historici was Plan D gericht op de etnische zuivering van de toekomstige Joodse staat. Morris spreekt dat tegen, van een voornemen tot verdrijving van ‘de Arabische inwoners’ uit Palestina of delen ervan is volgens hem in dat document geen sprake. Het plan had militaire oogmerken: het verdedigen van het grondgebied van de staat, het verzekeren van vrij verkeer, het aan de vijand onthouden van bases, het tegengaan van guerrilla-acties. Plan D gaf echter ongetwijfeld wel een vrijbrief voor verdrijving en etnische zuivering. Het gaf de brigade-commandanten carte blanche om te beslissen over het lot van ingenomen dorpen: de keuze was tussen bezet houden onder een militair bestuur of het dorp verwoesten en de bevolking verjagen. In de praktijk werd in veruit de meeste gevallen voor de tweede mogelijkheid gekozen. Vanaf april 1948 tot het eind van dat jaar werden in het kader van diverse militaire operaties honderden (minstens vierhonderd) Palestijnse dorpen ingenomen en met de grond gelijk gemaakt. Voorzover de inwoners niet al gevlucht waren, werden ze verjaagd. Soms ging de verdrijving gepaard met moorden. Pappe en Van der Heijden noemen in dit verband het dorp Tantura, waar een paar honderd man zouden zijn doodgeschoten. Volgens Morris zou uit documenten blijken dat daar ‘alleen’ een handvol krijgsgevangenen is vermoord. Morris vermeldt bloedbaden in Burayr in het zuiden, waar tientallen dorpelingen zijn vermoord en (in oktober 1948) in het dorp Dawayima , waar tachtig mannen, vrouwen en kinderen om het leven werden gebracht. Een oude vrouw werd een huis ingeduwd en opgeblazen, een andere vrouw werd verkracht en vervolgens gedood. Moordpartijen en verkrachtingen kwamen voor, maar waren uitzondering, het verwoesten van dorpen en verjagen van de dorpsbewoners was schering en inslag. In zeven maanden werd de infrastructuur van de Palestijnse samenleving binnen wat Israël zou worden letterlijk met de grond gelijk gemaakt.

Moet Israël zich schamen dat het een onafhankelijkheidsoorlog heeft gevoerd en gewonnen? Is het ontstaan van dat land een vergissing, zoals Van der Heijden meent? (Hij noemt die ‘vergissing’ overigens onherstelbaar omdat elke poging tot ‘herstel’, dat wil zeggen het van de kaart vegen van Israël, met nieuwe stromen van bloed gepaard zou gaan.) Nee. De behoefte aan een nationaal tehuis in een deel van het historisch Joodse land was alleen al voor het miljoen ontheemde overlevenden van de Holocaust dwingend aanwezig en is door de internationale gemeenschap terecht gehonoreerd. Maar de methodes waarmee de Israëlische onafhankelijkheid tot stand is gebracht, waren erger dan een vergissing, ze waren misdadig.

Verleden jaar juli veroorzaakte minister van Onderwijs Yuli Tamir grote commotie in Israël door toestemming te geven voor een Arabisch geschiedenisleerboek waarin de Nakba (de Ramp, zoals de Palestijnen hun nederlaag en verdrijving noemen) wordt herdacht. Ze vond dat de Arabische Israëli’s, die momenteel 20 procent van de bevolking uitmaken, er recht op hebben hun kinderen te laten kennis nemen van de eigen geschiedenis. Het is een hoopgevende eerste stap op een smal, met stenen bezaaid pad naar erkenning van elkaars rechten en van eigen dramatische vergissingen.

Meer over