Een geniale romanticus, maar ook een aartsleugenaar Heinrich Schliemann maakte van vondst 'schat van Priamus' fantastisch verhaal

De Duitse zakenman en amateur-archeoloog Heinrich Schliemann is de geschiedenis in gegaan als de man die het Troje van Homerus een historisch gezicht gaf....

VOERDE BEWONDERING voor Heinrich Schliemann, de negentiende-eeuwse ontdekker van Troje, lange tijd de boventoon, recentelijk is kritiek op hem in volle hevigheid losgebarsten. Op 6 januari 1972, de honderdvijftigste gedenkdag van Schliemann's geboorte, hield de Amerikaanse classicus William M. Calder III in Schliemann's geboorteplaats Neubuckow in Mecklenburg een opzienbarende lezing. Die voordracht 'markeert het begin van de nieuwe, sceptische houding ten opzichte van Schliemann', naar de woorden van Calder's landgenoot David Traill, auteur van het onlangs verschenen Schliemann of Troy - Treasure and Deceit.

Het zijn geen geringe verwijten die Schliemann postuum naar het hoofd geslingerd kreeg: mateloze arrogantie, zelfverheffing, pathologische leugenachtigheid. Aanvankelijk werden verdraaiingen en leugens aangewezen in Schliemann's autobiografische geschriften. De laatste tijd - en dat is ernstiger - gaat men ook twijfelen aan het waarheidsgehalte van zijn wetenschappelijke publikaties.

William Calder III had de toon gezet voor de nieuwe houding ten opzichte van Schliemann, maar Traill heeft ontegenzeggelijk het grootste aandeel gehad in de recente 'debunking'. Traill, geboren in Schotland en sinds 1970 verbonden aan de Universiteit van California in Davis, schreef een groot aantal wetenschappelijke artikelen over de ontdekker van Troje, in 1993 verzameld onder de titel Excavating Schliemann. Hij leek als geen ander geschikt om een nieuwe, kritische biografie van Schliemann te schrijven, waarin de resultaten van het onderzoek van de laatste jaren aan een breed publiek zouden worden voorgelegd.

Hij is uitstekend in die opzet geslaagd. Zijn boek, uitgegeven door John Murray in Londen (de uitgever bij wie indertijd ook Schliemann's Engelstalige werken verschenen), levert boeiende lectuur op. Het beeld dat Schliemann van zichzelf had opgehangen en dat door de meeste van zijn biografen klakkeloos was overgenomen, is door Traill danig geretoucheerd.

Naar eigen zeggen was Schliemann van jongs af aan bezeten geweest van het verlangen om Troje op te graven. Op kerstavond 1829, schreef hij later, was die gedachte voor het eerst bij hem opgekomen. Hij kreeg toen van zijn vader de Weltgeschichte für Kinder van Ludwig Jerrer cadeau en vond daarin een afbeelding van het brandende Troje. De enorme muren met de Skaeïsche poort en de vluchtende Aeneas (zijn vader Anchises op de rug en de kleine Ascanius aan de hand) maakten diepe indruk.

Volgens Schliemann's vader berustte de hele voorstelling op fantasie, maar daar wilde de zevenjarige Heinrich niet aan: 'Als zulke muren ooit bestaan hebben, dan kunnen ze niet helemaal vernietigd zijn, dan zijn ze waarschijnlijk onder het stof en het puin van eeuwen verborgen', aldus de jeugdige Schliemann. En hij sprak met zijn vader af dat hij eens Troje zou opgraven. Het is uiterst twijfelachtig of dit mooie verhaal authentiek is of een verzinsel van later - pas veertig à vijftig jaar na dato heeft Schliemann de autobiografische geschriften het licht doen zien waaruit we het verhaal kennen. Maar dat Schliemann Troje heeft opgegraven, is wèl waar.

In 1870 vond de eerste (illegale) opgraving plaats in het noordwesten van Turkije, bij Hisarlik, waar Schliemann, anders dan veel geleerde tijdgenoten, meende dat het Troje van de Trojaanse oorlog lag. En hij vond inderdaad sporen van vroegere bewoning. In 1873 ontdekte hij bij Hisarlik een grote hoeveelheid kostbaarheden, die hij - dat paste geheel bij zijn romantische aard - de 'schat van Priamus' doopte, naar de oude koning van Troje, bekend uit Homerus' Ilias.

Het jaar daarna zette Schliemann in Mycene de eerste spade in de grond. Was hij begonnen aan de Trojaanse kant, nu waren de Grieken aan de beurt. En ook in Mycene, waar Agamemnon, de machtigste van de voor Troje verzamelde helden, vandaan kwam, vond hij goud. In 1876 verbaasde hij de wereld met de vondst van het 'masker van Agamemnon' - de benaming is weer van Schliemann zelf - en andere kostbare voorwerpen.

Goud vond hij en roem en eer werden zijn deel. Maar niet altijd is alles goud wat er blinkt. Kritiek is Schliemann niet bespaard gebleven. Tijdens zijn leven heeft hij, amateur en autodidact, vaak te lijden gehad van neerbuigende opmerkingen van gevestigde namen uit academische kring. Sommige negentiende-eeuwse geleerden bleven zich hardnekkig, maar ten onrechte, verzetten tegen de opvatting dat Hisarlik met Troje vereenzelvigd moest worden.

Anderen staken de draak met Schliemann's neiging om alles wat hij vond onmiddellijk met de mythische Trojaanse oorlog in verband te brengen. Alsof mèt het bestaan van de stad Troje ook de historiciteit van de Trojaanse oorlog bewezen zou zijn. Ook wezen zij er terecht op dat Schliemann's chronologie rammelde. Wat hij de 'schat van Priamus' en het 'masker van Agamemnon' had genoemd en had toegewezen aan de tijd zo rond 1200 voor Christus, moest in werkelijkheid vele eeuwen vroeger worden gedateerd.

In de loop van de twintigste eeuw nam de kritiek af, zij het nooit helemaal. Bewondering overheerste nu. Schliemann had toch maar gepresteerd wat velen voor onmogelijk hadden gehouden. En hij had - ook geen geringe verdienste - de resultaten van zijn werk opvallend snel in rijk geïllustreerde boeken bekend gemaakt. Natuurlijk, de man was niet zonder fouten geweest. Sommige van zijn interpretaties deugden niet en hij had Troje opgegraven op een wijze die latere archeologen een gruwel was. Maar was hem dat kwalijk te nemen? In zijn tijd stond de archeologie nog in de kinderschoenen. Schliemann was een pionier geweest en kritiek achteraf op pioniers is altijd goedkoop.

Bovendien, bij zijn latere opgravingen (tot aan zijn dood is hij blijven graven) ging hij omzichtiger te werk. Zo had hij voor het werk in Troje een vakman als Wilhelm Dörpfeld aangetrokken; boze tongen hebben overigens wel beweerd dat niet de ontdekking van Troje, maar de ontdekking van Dörpfeld Schliemann's grootste wetenschappelijke prestatie is geweest.

DIT GEMATIGD positieve beeld van Schliemann staat, Traill's Schliemann of Troy is ervan een sprekend bewijs, opnieuw ter discussie. Het begon met het zetten van vraagtekens bij bepaalde episoden in Schliemann's leven, al blijven de hoofdlijnen daarvan vaststaan. Geboren als zoon van een predikant, die het hield met de keukenmeid en daardoor zijn betrekking kwijt raakte, had Heinrich het in zijn jeugd niet breed. Hij kreeg maar weinig onderwijs en moest al op jonge leeftijd gaan werken.

Eerst werd hij winkelbediende, in 1841 vertrok hij als scheepsjongen op een schip met bestemming Zuid-Amerika. Ver kwam hij niet, want het schip leed schipbreuk ter hoogte van Texel. Hij kwam vervolgens in Amsterdam terecht en vond daar een baantje als kantoorklerk.

Aanvankelijk verdiende hij in Amsterdam maar weinig en woonde hij op een armoedig zolderkamertje. 'Maar niets spoort meer tot studie aan dan kommer en ellende', schreef hij later en hij wierp zich met enorme inzet op de studie van verschillende moderne talen: 'Het lukte me om in een half jaar de Engelse taal grondig te leren.' Na nog een half jaar beheerste hij ook het Frans.

Daarna ging het sneller: zes weken waren telkens voldoende om Nederlands, Spaans, Italiaans en Portugees 'vloeiend te spreken en te schrijven'. Hierbij kwam ook nog Russisch (en later nog veel meer: Chinees, Pools, Slavonisch, Zweeds, Deens, Nieuwgrieks, Oudgrieks, Latijn, Arabisch, Hebreeuws, Hindoestaans, Perzisch en Turks). Een crime voor zijn biografen, want een deel van de achttien dagboeken en de zestigduizend (!) brieven van Schliemann is in een telkens weer andere vreemde taal geschreven. Maar dit laatste is tevens het bewijs dat Schliemann's talenkennis werkelijk fenomenaal was. Daaraan hoeft niet getwijfeld te worden.

De in Amsterdam opgedane kennis van het Russisch is Schliemann goed van pas gekomen. Hij was inmiddels in dienst genomen door de firma Schröder & Co (Herengracht 286) en die firma zond hem in 1846 als agent naar Sint-Petersburg. Een jaar later begon hij daar een handelshuis voor eigen rekening. En het ging hem voor de wind: hij legde er de grondslag voor het fortuin dat hem op den duur in staat zou stellen zich uit zaken terug te trekken en zich geheel aan de archeologie te wijden.

In 1850-1852 maakte hij een eerste reis naar Amerika. Bij die gelegenheid hield hij een in het Engels geschreven dagboek bij. Het is dit dagboek geweest dat het eerst aanleiding heeft gegeven te twijfelen aan het waarheidsgehalte van Schliemann's autobiografische geschriften. Men treft er onder andere een beschrijving in aan van een bezoek van Schliemann, in 1851, aan de president van de Verenigde Staten.

Het lijkt vrij onwaarschijnlijk dat een onbekende buitenlandse zakenman zomaar, zonder introductie, het Witte Huis kon binnenstappen om daar met president Fillmore en diens familie gezellig anderhalf uur te babbelen, terwijl de president en zijn echtgenote op het punt stonden achthonderd gasten te ontvangen voor een soirée. Toch staat het zo in het dagboek.

In datzelfde dagboek staat ook een kleurrijk verslag van de grote brand in San Francisco in de nacht van 3 op 4 juni 1851. Alleen, er heeft in die nacht in San Francisco helemaal geen brand gewoed. Wel was er zo'n brand in de nacht van 3 op 4 mei. En het verslag in Schliemann's dagboek vertoont frappante overeenkomsten met het verslag in het dagblad de Daily Union van 6 mei. . .

Waar rook is, is vuur. Toen Traill eenmaal op het spoor was gekomen van het feit dat Schliemann het in zijn dagboek met de waarheid omtrent de brand in San Francisco niet zo nauw had genomen (het leverde in 1979 Traill's eerste artikel over Schliemann op), is hij als een detective Schliemann's verdere handel en wandel nagegaan. Hij vergeleek nauwgezet zijn dagboeken met zijn brieven en zijn officiële publikaties en hij bestudeerde documenten van tijdgenoten. Wat hij vond aan tegenstrijdigheden en verdraaiingen levert een overweldigend bewijsmateriaal à charge op.

Schliemann, zo toont Traill overtuigend aan, had ongetwijfeld geniale trekken, maar hij was ook een aartsleugenaar. Sommige van zijn leugens kan men schouderophalend afdoen als op hol geslagen fantasieën van een romanticus. Is het nou zo erg als iemand zich op latere leeftijd verbeeldt dat hij eigenlijk als jongetje al Troje wilde opgraven? En is het werkelijk zo schokkend als iemand zich in zijn dagboek tot ooggetuige maakt van een brand die hij alleen maar uit de krant kent? Misschien wilde hij in dit laatste geval alleen maar zijn Engels oefenen.

Erger wordt het natuurlijk als leugens ten koste gaan van anderen. Zo beweerde Schliemann later glashard dat hij direct, bij zijn allereerste bezoek aan de vlakte van Troje, geweten had dat hij bij Hisarlik en nergens anders de spade in de grond moest steken om het homerische Troje te vinden. Dat hij in werkelijkheid dit idee dankte aan de Amerikaan Frank Calvert, trachtte hij op geraffineerde wijze te verdoezelen. Dat hij Calvert ook een aantal keren financiëel beduveld heeft, maakt de affaire er niet frisser op.

De streken van Schliemann (hij heeft er veel meer uitgehaald) zouden tot daaraan toe zijn geweest, als het gebleven was bij pogingen zichzelf in een beter daglicht te plaatsen. Maar wat alles veel erger maakt is het feit dat hij ook heeft geknoeid met zijn wetenschappelijke publikaties, bijvoorbeeld met zijn verslag van de vondst van de zogenaamde 'schat van Priamus'. Onlangs is deze schat ook om andere redenen in het nieuws gekomen: sinds kort weten we namelijk dat de beroemde vondst uit Troje niet, zoals men lange tijd had aangenomen, bij bombardementen op Berlijn in de Tweede Wereldoorlog werd vernietigd, maar in 1945 door het Rode Leger is meegenomen naar Rusland (waar hij nog steeds verblijft).

OVER DE ONTDEKKING van de 'schat van Priamus' gaan misschien wel de meest onthullende bladzijden van Schliemann of Troy. Uitgangspunt is hetgeen Schliemann zelf schreef in zijn in 1874 in Leipzig verschenen Trojanische Alterthümer: 'Om de schat aan de hebzucht van mijn arbeiders te onttrekken en hem voor de wetenschap te redden, was de allergrootste haast nodig en (. . .) terwijl mijn arbeiders aten en uitrustten, sneed ik de schat met een groot mes uit, wat niet zonder de allergrootste krachtsinspanning en het vreselijkste levensgevaar mogelijk was, want de grote vestingmuur die ik ondergraven moest, dreigde elk moment op mij neer te storten. Maar de aanblik van zoveel voorwerpen, die stuk voor stuk een onmetelijke waarde voor de wetenschap hebben, maakte mij driest en ik dacht aan geen gevaar. Het te voorschijn halen van de schat zou mij echter onmogelijk geweest zijn zonder de hulp van mijn lieve vrouw, die steeds klaar stond om de door mij te voorschijn gebrachte voorwerpen in haar omslagdoek te pakken en weg te dragen.'

Een spannend en roerend verhaal. Men ziet het voor zich: de hard werkende, zwetende, levensgevaar niet schuwende Heinrich, met de trouwe Sophie, zijn Griekse echtgenote, aan zijn zijde. Maar er klopt niet veel van. In de eerste plaats was Sophie helemaal niet ter plaatse. Zij zat in Athene, zoals uit de correspondentie van het echtpaar en de getuigenis van de voorman van de arbeiders onomstotelijk is komen vast te staan.

En verder heeft Traill meer dan aannemelijk weten te maken dat Schliemann de schat niet op één en hetzelfde moment en op één en dezelfde plaats heeft gevonden, maar dat hij de voorwerpen, afkomstig van verschillende plaatsen, in de loop van enkele maanden heeft verzameld om ze op een gegeven moment te presenteren als de vondst van één dag en van één plek - men zou dus eigenlijk moeten spreken, niet alleen van de zogenaamde schat van Priamus, maar ook van de zogenaamde ontdekking ervan.

Op 26 december 1890 overleed Heinrich Schliemann. Hij was een autodidact die de geleerde wereld toen en nu versteld deed staan. Hij is vereerd en verguisd. Hij was iemand die niet in zijn eerste leugen is gestikt. Mede daardoor is hij nog steeds een controversiële, maar ook, Traill's Schliemann of Troy toont dat aan, een uiterst boeiende figuur.

Hans Teitler

David A. Traill: Schliemann of Troy - Treasure and Deceit.

John Murray, import Nilsson & Lamm; ¿ 62,95.

ISBN 0 7195 5082 3.

Meer over