Een fuik met kippenlever

Wat is er verdomme mis met de kwaliteit van de watertjes om Arnhem? Dochter Niene, die vol negenjarig enthousiasme vooruit is gehold, staat al met haar duim omlaag bij onze val....

Toch hebben we geheel conform de voorschriften van het nieuwe veldbiologieboek Zelf de natuur in een petfles doorgezaagd en het bovenstuk omgekeerd terug in het onderstuk gestoken. Vervolgens dompelden we deze plastic fuik, met een stukje kippenlever als aas, in het water.

Dan, zo waren we gewaarschuwd, gingen we misschien wel honderden platwormen vangen, vele roofzuchtige waterkevers, en misschien zelfs een enkele nieuwsgierige salamander.

De fuik niet te lang laten staan, waarschuwden de auteurs nog, anders zouden de gevangen dieren elkaar op kunnen gaan peuzelen. 'Je zult versteld staan hoeveel beesten je op sommige plaatsen kunt vangen met een fuik.' Misschien best wel, maar niet in Arnhem, niet in de waterpartijen van de landgoederen Warnsborn of Zypendaal waar we deze vangmethode probeerden: helemaal niets zwom, kroop of kronkelde onze vangfuikfles in.

Dat is natuurlijk een fiks minpunt voor Zelf de natuur in, al vergoedt de voorpret een deel van de teleurstelling. Jammmer is misschien vooral dat het fraaie boek maar weinig van dit soort leuke proefjes voor thuisgebruik heeft opgenomen.

Na een inleiding van vijftig pagina's met basiskennis over verschillende landschappen, bodemsoorten, de houding van de mens ten opzichte van de natuur en methodes van wetenschappelijk onderzoek, volgt de hoofdmoot van het boek: 270 pagina's fraai geïllustreerde wetenswaardigheden over planten en dieren, met de nadruk op het zelf (leren) herkennen van verschillende soorten en de habitats waar ze te vinden zijn.

Het geheel is op een aanstekelijke manier beschreven door een groep leden van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie (NJN). Slechts te hooi en te gras wordt de tekst ontsierd door de wat studentikoze incrowd-humor die de club altijd heeft omgeven. Wat echter overheerst, is de enorme veldbiologische kennis die de NJN kenmerkt - veel gerenommeerde biologen zijn bij de jeugdbond hun carrière begonnen - en de enthousiaste weerslag die die kennis in het boek heeft gevonden.

Wat Zelf de natuur in zo leuk maakt, is de veelheid aan beschrijvingen. Het overweldigende gevoel van biodiversiteit dat de lezer overvalt als hij door het boek bladert. En dan niet zozeer door de hoofdstukken over vogels of hogere planten, daarvoor bestaan al genoeg aardige, handzame boeken en gidsjes. Nee, het plezier zit vooral in de groepen die wat minder bekend zijn, zoals de varens, de korstmossen, de roofvliegen of bijvoorbeeld de slakken. In die zin is het boek een erg leuk basisboek over de natuur.

Noodgedwongen vereist een dergelijk werk scherpe keuzes. Wie bijvoorbeeld zoekt naar de haantjes, een groep kleurige kevers, komt bedrogen uit. En zo zijn veel meer plant- en diergroepen en tal van afzonderlijke soorten overgeslagen. Bij de vogels bijvoorbeeld zijn slechts algemene en duidelijk herkenbare dieren opgenomen. Wel een fazant, geen havik.

De vraag is: voor wie? Voor de echte beginner waarschijnlijk, maar die raakt misschien toch wat uit het veld geslagen door de vrij rigide systematische indeling die door het boek heen wordt gevolgd. En wie al wat meer op de hoogte is, weet waarschijnlijk al wel hoe een fazant eruitziet. Die had weer meer gehad aan bijvoorbeeld het onderscheid tussen een sperwer en een havik.

Dat is dan ook waarschijnlijk de makke van dit boek. Wie behoort precies tot de doelgroep? De natuurliefhebber zal na een eerste kennismaking al snel meer verlangen. Dan moet alsnog een complete vogel-, strand- of diersporengids in huis worden gehaald.

Overigens is daarmee de rol van Zelf de natuur in niet uitgespeeld. Zo zijn er lang niet voor alle diergroepen en planten handzame gidsjes. Daarnaast kan het boek goede diensten bewijzen vanwege de begrijpelijke informatie. Dat is in de natuurgisdsenbranche allerminst gemeengoed.

Daardoor overheerst toch het positieve gevoel bij dit veldbiologie-boek. Het zou andere uitgevers sowieso sieren als ze eens een blik werpen op de boeken die hun kleine branchegenoot, de KNNV-uitgeverij, laat verschijnen. Het ene pronkstuk na het andere over de natuur laten ze in Utrecht het licht zien. Maar misschien heeft de uitgever nu zelfs wel wat overdreven.

Zelf de natuur in is namelijk een fraai boek, en voor een spotprijs te verkrijgen, maar ook wel wat zwaar, tegen de kilo aan en van een formaat dat slechts in een tas kan worden meegedragen. Om dat nu, zoals de achterflap aanraadt, op excursie mee te nemen, gaat wel wat ver. Het boek is net zo zwaar als bijvoorbeeld mijn insecten- en vogelgids bij elkaar. Bovendien is het te mooi om nat te laten worden.

Meer over