EEN EXPLOSIE VAN HAAT

In Nederland willen weinig mensen meer met het communisme worden geïdentificeerd als op 4 november 1956 de Russische tanks Boedapest binnentrekken....

‘Overal door de stad trokken razende meutes, die alles vernielden wat met communisten te maken had, van hun boekhandel tot de ruiten van hun woningen, – daarbij bediend door de pers, die de adressen publiceerde: langs de omweg van objectieve verslaggeving werd bericht, dat de woning van die en die partijleider, woonachtig daar en daar, gisteren slechts geringe schade had opgelopen. De volgende dag werd het dan grondiger aangepakt. Na gedane arbeid kwam men bij elkaar voor Felix Meritis op de Keizersgracht, dat gedurende twee etmalen dag en nacht belegerd werd door duizenden mensen.’

Anton Steenwijk, hoofdpersoon in de roman De Aanslag van Harry Mulisch, staat erbij en kijkt ernaar. Nederland is boos, Nederland is bang. ‘Het rode gevaar’ rukt op. ‘Er spoelde een golf over de hele natie. De opwinding was totaal. Iedereen voelde hetzelfde, iedereen dacht hetzelfde’, zegt Wouter Gortzak. ‘We waren bang.’ Engel Verkerke: ‘ De sfeer was afschuwelijk. Ik was bang, maar ook ontzettend verontwaardigd. Ik dacht: m’n hele leven is verpest, ik kom nooit meer ergens aan de bak. Nederland is voor ons onleefbaar geworden.’

‘Dit is Boedapest’. Zo begint zondag 4 november 1956. Buiten is het druilerig herfstweer. Om acht uur meldt de radio het grote nieuws: Boedapest is gevallen. De Russen zijn de stad binnengetrokken en hebben de revolutie neergeslagen. Nederland reageert als door een adder gebeten. Boos, maar vooral heel erg bang. Het is de tijd van de Koude Oorlog en iedereen vreest een nieuwe oorlog.

Mensen zitten gekluisterd aan de radio, die zondag vrijwel de enige informatiebron. De omroepen draaien op volle toeren. Nederland is nog verzuild en strikt gescheiden naar geloof en sociale klasse, maar avant la lettre ontstaat er spontaan één nieuwszender. De onderlinge vijandschap is voor eventjes begraven voor AVRO, VARA, NCRV en KRO.

‘Christelijke verslaggevers voor de KRO, liberale voor de VARA, ongekend tot op dat moment. Dat creëerde een gevoel van ‘allemaal samen tegen de vijand – de CPN’, zegt geschiedschrijver Hans Olink. ‘Over beide zenders, Hilversum 1 en 2, in innige eendracht, gaven correspondenten hun visie op de gebeurtenissen in Hongarije, met op de achtergrond ratelende tanks, afgewisseld met zware, klassieke muiziek.’

De radio maakt zich tot tolk van christelijk medeleven en menselijke sympathie, schrijft de Volkskrant. ‘Zeker is immers dat miljoenen luisteraars aan hun toestel waren gekluisterd vanaf het eerste onheilsnieuws van acht uur tot de laatste navrante vluchtelingenverhalen uit Wenen, om half twaalf uitgezonden.’ De radio, schrijft de Volkskrant, ‘werd dat gevoelige instrument, dat met zijn berichten – uit de ether geplukt – ontsteltenis en verontwaardiging wakker riep, zodat de luisteraar zich enigszins kon verzoenen met zijn machteloosheid.’

Brandstapel

Verkerke: ‘Iedereen werd door de radio opgehitst. Natuurlijk was het een drama, maar er werd ook echt stemming gemaakt.’ Boedapest sterft als ‘een martelaar der vrijheid op de brandstapel’, zegt een radiocommentator. Gortzak: ‘De hele dag hoorde je radioverslagen. Amsterdam was gigantisch verenigd tegen de buitenstaanders.’

Minister-president Willem Drees spoedt zich naar Hilversum. Hij noemt het Hongaarse volk een lichtend voorbeeld van allen ‘die beseffen dat in de wereld van vandaag evenzeer als in de tijd van het verzet tegen de nazi-heerschappij offerbereidheid geboden moet worden in de worsteling om vrijheid, recht en eerbiediging der menselijke persoonlijkheid.’

‘Helpt Hongarije. Helpt het Hongaarse volk’, hoort iedereen keer op keer de Hongaarse premier Imre Nagy smeken. De vlaggen gaan halfstok, de kerken stromen vol, in vele steden houden gelovigen nachtelijke bedetochten, ‘Vele duizenden mannen, vrouwen en kinderen zelfs, Amsterdammers en inwoners uit de omliggende dorpen en steden, duizenden katholieken maar ook niet-katholieken, schuifelden door de stromende regen in de sombere hoofdstad’, schrijft de Volkskrant. ‘Alleen het schuifelen der voeten was tussen de natte gevels te horen.’ Maar ook in andere steden gaan duizenden mensen de straat op om te bidden. Nijmegen, Vlaardingen, Amersfoort, Hengelo. Ze nemen minutenlange stiltes in acht. Katholieken delen portretten uit van de Hongaarse kardinaal Mindszenty, die de Amerikaanse ambassade is ingevlucht en het symbool is van het verzet tegen het communisme. Er zijn geldinzamelingen, er komen hulpgoederen en het Rode Kruis vraagt om méér donors. Veel Nederlanders eisen militair ingrijpen.

Kabinetsformatie

Het jaar 1956 is ook voor Nederland tot dan toe een verre van rustig jaar. Er is de langste kabinetsformatie ooit. De Greet Hoffmans-affaire dreigt het Koninklijk Huis in een crisis te storten. Het nationale monument op de Dam wordt onthuld. De Tweede Kamer krijgt er 75 zetels bij, de Kamerleden proppen zich met z’n drieën in hun groene bankjes. Marga Klompé, de eerste vrouwelijke minister doet haar intrede.

Het eerste verzet tegen de burgerlijkheid van de jaren vijftig openbaart zich. Jongeren halen hun muziek uit Amerika en ze bestormen bioscopen als gemeenten de film Rock Around the Clock met Bill Haley & The Comets verbieden. ‘Muziek even primitief als een stier in paringstijd’, schrijft de Groene Amsterdammer. De eerste nozems dienen zich aan. Ze brengen vetkuiven, leren jasjes, strakke broeken, Elvis Presley en Little Richard mee, ze drommen bij elkaar op hangplekken en keren zich tegen god en gebod.

Dan is het 4 november. Alle frustratie komt naar buiten en er is één zondebok op wie de angst en woede wordt bekoeld: de communistische partij. De CPN schildert de Hongaarse opstandelingen af als reactionaire kapitalisten en conservatieve kerkleiders. Het is koren op de molen van de massa. Er gaan stenen en molotovcocktails door de ruiten van communistische boekhandels, woningen van partijleiders en andere CPN-gebouwen. De politie kijkt toe, maant voorbijgangers door te lopen, maar in veel plaatsen worden straatstenen losgewrikt om ruiten in te gooien. ‘Vuile communisten’, ‘moordenaars’ , ‘fascisten’.

Het is een volksgericht, schrijft de filosoof – dan nog communist en partijtheoreticus – Ger Harmsen. Hij is niet de enige die het woord pogrom in de mond neemt en zich zorgen maakt over het anti-semitische karakter van de aanval.

‘Weg met de roden, weg met de joden’, klinkt het in de straten. Communisten noemen de kajotters (katholieke jongeren) en hun geestelijke leidslieden de organisatoren van de opstand.

Harmsen is op z’n hoede, hij begrijpt wat zijn partij te duchten heeft. Maar lang niet alle communisten voelen de explosie van haat aankomen. Wouter Gortzak, 25 jaar en student, is een telg uit een CPN-geslacht. Zijn vader zit namens de partij in de Tweede Kamer. ‘We zaten de hele dag te vergaderen met de linkse studentenvereniging Pericles. Ik wilde een afkeurende verklaring tegen het Russische optreden in Boedapest voorkomen. Dat is me niet gelukt. Natuurlijk, ik was in de war, maar ik was toen ook een brave CPN’er.’

Engel Verkerke werkt in de communistische boekhandel Pegasus in de Leidsestraat in Amsterdam.

Hij is die zondag op bezoek bij vrienden. Verkerke heeft mentaal al afscheid genomen van de CPN, dankzij gesprekken met Hongaarse schrijvers en uitgevers die hij ontmoet op de Leipziger Buchmesse.

Zij geloven in een vreedzame revolutie, zij geloven in onafhankelijkheid, ze zijn het regiem beu. Ook Verkerke houdt totaal geen rekening met een Russische inval. Die overvalt hem, de emotie in Nederland verbijstert hem. ‘Alle schurkenstreken van de Sovjet-Unie kregen de communisten op hun bordje.’

Sla ze dood

Gortzak fietst ’s avonds naar de bioscoop. Dan pas ziet hij in de Leidsestraat opgewonden mensen voor Pegasus. Hij hoort roepen ‘Sla ze dood’, en hij zet dan koers naar de Keizersgracht, naar Felix Meritis, het CPN-gebouw waar ook het communistische dagblad De Waarheid wordt gedrukt.

‘Het waren je vrienden, daar moest je naartoe.’ De eerste die Gortzak tegenkomt is zijn 70-jarige grootmoeder. ‘Jongen ga naar huis, het is gevaarlijk hier’, zegt ze. Gortzak: ‘Het was bizar. De zaaltjes in Felix werden verhuurd. Op zondagavond werd in een van de zaaltjes gedanst en in een ander zaaltje traden komieken op. Buiten was er veel geblèr en geschreeuw, binnen werd er gedanst.’

‘Boedapest brandt en de communisten dansen’, zegt de radio en schrijven de kranten. ‘Die avond ging het maar op het nippertje goed’, zegt Wouter Gortzak. ‘Aan de achterzijde van het gebouw was de drukkerij. Er zat een glazen wand voor, die is ingegooid. De drukkerij was laag, niet hoger dan anderhalve verdieping.

Later werd vaak herhaald hoe de dichteres Sonja Prins en de filosoof Harmsen kogelflesjes met koolzuurhoudende limonade naar beneden gooiden, terwijl ze bespraken of de Russen er verstandig aan hadden gedaan Boedapest binnen te vallen. Het was echt een rotzooi.

Het gebouw was gemakkelijk te bestormen. Er waren ook verdedigers die een partijtje matten wel leuk vonden, die stonden met flinke knuppels klaar en ramden iedereen die binnen probeerde te komen op de schedel. We hebben zeildoeken over de persen gelegd, want de krant moest gewoon doordraaien.’

Het was oorlog, burgeroorlog, zal hij later schrijven. Ook Verkerke hoort pas laat dat ‘katholieke studenten’ zijn boekhandel bestormen. Als hij langs gaat, zijn de jongeren weg. Het pand is dichtgetimmerd.

Elders in het land doen zich dezelfde taferelen voor. ‘Het was een ware opstand’, schrijft de Volkskrant. ‘We gaan naar de Dam’, roepen alle politieke partijen en vakbonden, behalve die van de communisten. ’s Middags stromen studenten en scholieren toe. Aan een galg voeren ze een stropop mee, voorstellende de Russische minister van Defensie Zjoekov. De ramen van de Russische handelsdelegatie liggen dan al aan diggelen. ’s Avonds staan er 40 duizend mensen op de Dam. ‘Na de zondag van het verraad, de maandag van het verzet’, zeggen de talloze sprekers.

Kreet van het jaar

‘En nu naar Felix’, moet iemand hebben geroepen als de sprekers op de Dam hun zegje hebben gedaan. ‘Rock-’n-roll in de aanval’. De kreet van het jaar galmt opnieuw over de gracht. Er is politie dit keer, met versterking van de marechaussee, maar de massa weet het cordon te doorbreken. Jongeren gooien met straatstenen en molotovcocktails en proberen in het gebouw te komen. Brandweerwagens kunnen er niet door, omdat de straten worden gebarricadeerd. Duizenden betogers drommen samen voor Felix.

Binnen hebben hulptroepen uit het hele land zich verzameld. Ze werpen met stenen en dakpannen naar de betogers. De deuren zijn gebarricadeerd, op het dak staan schijnwerpers en brandslangen zijn uitgerold. Aan de achterzijde beschermen zware rollen papier de drukkerij.

Jonge communisten gaan de straat op voor een tegenaanval. Gortzak: ‘Toen was er echt sprake van een overmacht. Verzetsman Gerben Wagenaar zou naar de minister van Justitie zijn gegaan en hem hebben gedreigd: ‘Als de politie niet optreedt, staat vanavond De Telegraaf in de hens. Wij communisten hebben in de oorlog ervaring opgegaan met sabotage.’ Of het nou opschepperij is geweest of dat hij dat echt tegen de minister heeft gezegd, weet ik niet. Feit is dat die avond het gebouw werd afgeschermd.’

[Zie verder pagina 26, kolom 8]

COMMUNISTEN ZIJN DANIG ONDER DE INDRUK VAN DE AGRESSIE

Tot midden in de nacht blijft het onrustig voor Felix. Op andere plaatsen in de stad drommen ook betogers samen. Zoals bij Pegasus, waar Verkerke nu wel aanwezig is. ‘Weer een hele menigte. Ze probeerden heipalen naar binnen te werpen. We hebben de aanvallen afgeweerd, met hulp van een groep communistische bouwvakkers. De politie kwam vragen of we wapens hadden. In feite is er weinig schade aangericht. Later hebben we nog een uitverkoop gehouden van boeken die waren beschadigd, dat waren er niet eens zoveel.’

De communisten zijn danig onder de indruk van de agressie. De heftige discussie over de destalinisatie is even verstomd, de onderlinge solidariteit is terug. Gortzak: ‘We hebben nog nachtenlang in Felix Meritis gewaakt. Ik weet niet zeker of toen niet het ene na het andere sterke verhaal is ontstaan. Maar wat ik wel zeker weet is dat er een algemene pogromsfeer heerste. Wij waren extreem geïsoleerd. De politie heeft de woning van mijn ouders wekenlang beschermd, voor- en achterkant waren volgeplakt met galgen.’

Zelf gaat Gortzak na een paar dagen weer naar college. Hij is bang door zijn medestudenten afgedroogd te worden, maar hij vindt alleen de latere columniste Renate Rubinstein tegenover zich. Het duurt nog twee jaar, dan verlaat Gortzak de CPN. Gedesillusioneerd. Hij wordt later hoofdredacteur van Het Parool en Kamerlid van de PvdA. Hij noch Verkerke of Harmsen heeft ooit spijt gehad van hun deelname aan de verdediging, hoezeer ze ook toen al twijfelden aan hun partij. ‘Maar de eigendommen van de partij moesten worden verdedigd’, schrijft Harmsen tien jaar na dato.

Verkerke verlaat de partij in 1957, het keurslijf is hem te knellend. ‘Het afscheid van het communisme is één, het nemen van afscheid van een groep vrienden is twee. De CPN was een familie, je ging niet om met andere mensen. Ik dacht altijd: de theorie is goed, maar ze voeren het gewoon niet goed uit in de praktijk. Achteraf is dat niet waar gebleken.’

Verkerke begint in 1957 voor zichzelf, na zichzelf eerst een burgerlijk imago te hebben verschaft via een baan bij een christelijke bedrijf. Niets mocht meer herinneren aan Pegasus, aan de CPN. Hij lacht er nu om, omdat hij daarna nooit iets verzwijgt over zijn communistische verleden, ook niet toen hij mede dankzij de wereldberoemde Che Guevara-poster een miljoenenbedrijf had opgebouwd. ‘Van communist tot super-kapitalist’, sneert hij. ‘De CPN heeft me een geweldige dienst bewezen door me er uit te flikkeren. Ik ben een heel nieuw leven begonnen.’

Inmiddels is Verkerke 81 jaar. ‘Ik was zo overtuigd van de fatsoenlijke burgerlijkheid in Nederland dat ik nooit had gedacht dat die zich tegen ons zou kunnen keren. In de oorlog zijn veel communistische vrienden omgekomen in dienst van het ondergronds verzet. Nu benauwt me nog vaak de gedachte dat ze voor een verkeerd ideaal zijn gestorven. Het waren brave, idealistische mensen, die met het communisme op de lippen zijn omgekomen.’

Gortzak: ‘Na Hongarije heb ik me geen illusies meer gemaakt over het flegma van de Nederlandse burger. Onder bijzondere omstandigheden kan het volkje danig uit de band springen. Het Binnenhof op de avond van de moord van Fortuyn deed me sterk denken aan toen. Minder mensen, dezelfde hysterie.’

Meer over