Een Ernst-klasje voor Ernst

Ernst (11) is autistisch, werd van drie scholen verwijderd en krijgt nu thuis onderwijs. ‘Op zeer bijzondere en succesvolle wijze’, schreef zijn moeder Inger ons....

Tekst Evelien van Veen

‘Weet je wat het is met Ernst?’ zegt zijn moeder Inger (46, socioloog). ‘Hij kan moeilijk schakelen. Dat had hij als peuter al. Zat hij te spelen, wilde ik zijn jas aantrekken om boodschappen te gaan doen. Daar werd hij razend van. Dan begon hij tegen te spartelen. Hij zat intens geconcentreerd aan een wieltje te draaien – veel autisten kunnen niet genoeg krijgen van draaiende objecten – en begreep dan niet dat er opeens iets anders van hem werd verlangd.’

Niet dat ze het toen al zo benoemde: de term autisme hield ze op afstand. Inger en haar man Peter (49, eigenaar van een theaterbureau) wilden hun jongste zoon niet stigmatiseren.

Die schroom zijn ze wel voorbij nu Ernst 11 is, al drie scholen achter de rug heeft en sinds twee jaar thuis onderwijs krijgt. Ja, Ernst heeft een vorm van autisme en ja, dat betekent dat hij een speciale gebruiksaanwijzing heeft. Waarom zou je het niet zo benoemen? Het gaat om ‘het geluk van het kind’, mailde Inger na de oproep voor dit jubileumnummer, ‘dat op zijn 5de tegen de juf zei: ‘Ik maak een afspraak: jij bepaalt ‘s morgens de regels, en ik ’s middags.’’

Ze heeft een boekje gemaakt samen met Ernst, waarin hij zich voorstelt en over zichzelf en zijn leven vertelt. Gewoon een ringbandje, voor mensen die Ernst leren kennen. ‘Hallo ik ben Ernst’ staat er op de voorkant. Daarna volgen er foto’s en korte teksten, verdeeld over zo’n twintig pagina’s:

Ik ben autistisch.

Daar moet je rekening mee houden. Net als bij iemand die blind is.

Ik ben bang voor harde onverwachte geluiden, zoals alarmen.

En voor boze mensen. Vooral als ze tegen mij schreeuwen.

Soms ben ik boos en kan ik ontploffen.

Als ik boos ben doe ik soms dingen waar ik later spijt van heb.

Het is vrijdagochtend half elf. Ernst zit niet op school. Ernst zit aan de keukentafel van het knusse, houten huis in Nieuwendam, waar hij woont met zijn ouders en broer Vincent. Voor hem, op tafel, staat een kartonnen kamerscherm waar hij half achter schuilgaat. Twee ochtenden per week krijgt hij begeleiding van de vrouw naast hem, een kunstenares met een onderwijsachtergrond. Nog twee ochtenden heeft hij een andere begeleidster aan huis; de vijfde ochtend van de week geeft zijn moeder hem les. De middagen maakt hij muziek op de computer of gaat hij naar een club voor kinderen die ook autisme of ADHD hebben.

‘Het is nu eigenlijk precies zo geregeld’, glimlacht zijn moeder, ‘als Ernst met die opmerking aan de juffrouw op school vroeger aangaf: ’s ochtends bepaalt een ander de regels, ’s middags doet hij wat hij leuk vindt.’ Met rekenen zit Ernst op groep-6-niveau; met taal en de andere vakken op het niveau van groep 7, de klas waarin hij had gehoord als hij nog op school had gezeten.

Als hij nog op school had gezeten, zegt Ernst later, wanneer de boeken aan de kant zijn, dan had hij zijn spreekbeurt vast over tornado’s gehouden. Want daarover weet hij heel veel. Maar zijn spreekbeurt had ook over moleculen kunnen gaan – of over computers, daar kan hij ook ‘uren mee bezig zijn’. Want geïnteresseerd in dingen is hij juist heel erg. Dus ja, dat is wel een nadeel, een spreekbeurt had hij best graag gehouden. Gevraagd of het nog meer nadelen heeft om niet naar school te gaan, zegt Ernst eenvoudig: ‘Je ziet geen kinderen. Je komt nergens. Je blijft gewoon thuis.’

Toch zou hij het niet anders willen, zegt hij. ‘Het is lekker rustig. Je mag een beetje uitslapen ’s ochtends, je hebt geen stress. School was veel te druk voor mij. Er zijn weinig scholen die mij snappen. Ze hadden wel van autisme gehoord, maar ze dachten: dat leren we hem wel even af. Maar als ik rare straffen krijg, ga ik bizarre dingen doen. Met stoelen gooien. Omdat zíj dingen deden die ik niet begreep.’

De problemen begonnen vrijwel meteen na de eerste schooldag, vertelt zijn moeder nadat ze koffie heeft gezet. Ernst was nog geen 4 en toch zei zijn juf al na twee weken: ‘Ik ga het niet trekken met dit kind.’

Inger: ‘Hij begreep de regels niet. Waarom maar een kwartier buiten spelen als het daar nu net zo leuk was? Andere kinderen slikken het, maar hij wilde het snáppen. Als hij uit zijn spel werd gehaald, werd hij boos. Dan gaf hij een ander kind een tik met een hamertje dat hij toevallig in zijn hand had. Dat kan natuurlijk niet, dat is gevaarlijk. Thuis hielden we rekening met hem, dan was het prima te doen. Conflicten moest je juist vermijden. Dan was het een heerlijk kind dat zich intens over de wereld verwonderde. We konden ons niet voorstellen dat het op school zo mis ging.’

Thuis was er ‘veel geduld en ruimte’. Als Ernst gefrustreerd raakte door een puzzeltje dat niet wilde lukken, pakte Inger hem vast. Ze troostte hem, ze leidde hem af. Ze benoemde zijn frustratie. ‘Wat naar nou, hè, dat het niet lukt?’ Ze ging samen met hem iets leuks doen. ‘Dan kalmeerde hij en was er weer contact.’

Hoe de juf zoiets aanpakte – boos worden, op de gang zetten – was voor Ernst nou net verkeerd. Hij werd bang voor haar en voor alle andere volwassenen die hem voortdurend vertelden wat er allemaal niet mocht, en ging zich steeds weerbarstiger gedragen. Inger: ‘Ernst kan heel goed vertellen wat hij nodig heeft. Maar je moet wel naar hem luisteren.’

Maar daarop was de school niet toegerust. Al na twee weken hielden Inger en Peter hun zoontje elke middag thuis, opdat de juf niet overbelast zou raken. Na nog eens een paar maanden ging hij alleen op dinsdag- en donderdagochtend naar school, omdat het in de klas niet ging. Inger: ‘Er is toen een speciaal Ernst-klasje voor hem gecreëerd. Naast het kopieerapparaat kreeg hij les van een juf die boventallig was, samen met steeds een paar andere kinderen uit zijn klas. Dan gingen ze bijvoorbeeld alle verwarmingsbuizen van de school bekijken, want daardoor was hij gefascineerd.’

Dat was precies wat hij nodig had, maar het duurde jammer genoeg niet voort.

Het was duidelijk dat Ernst niet op zijn gewone basisschool kon blijven: hij ging naar een medisch kleuterdagverblijf. Daar werd hij geobserveerd en klonk de diagnose autisme. Zijn ouders kregen het advies vooral structuur te bieden. Inger: ‘Structuur, structuur, structuur. Dat kregen we overal en altijd te horen. Ik vind dat zo armoedig, alsof dat het enige antwoord is voor dit soort kinderen. Alles moest volgens een vast ritme. Ik hou helemaal niet van vaste ritmes. Daarbij loop je het gevaar dat er op den duur niets meer buiten de lijntjes kan. Structuur biedt veiligheid, is de gedachte erachter. Dan zeg ik: bied die véíligheid dan. Zeg tegen zo’n kind: ‘Kom, ik hou je vast, we gaan samen de wereld ontdekken.’’

Hoe anders was de praktijk in het speciaal onderwijs waar Ernst vervolgens terechtkwam. Daar waren veel onvoorspelbare kinderen en dat maakte hem bang. Elke dag waren er conflicten. Als Ernst niet wilde rekenen en hij zich uit onmacht van zijn stoel liet vallen, werd hij bij kop en kont gepakt en in een aparte kamer gezet. Inger: ‘Hij snapte dat gewoon niet. Hij werd steeds wantrouwiger en opstandiger; volwassenen waren de vijand. Thuis lossen we dat anders op: wij gaan met hem in gesprek. Leggen hem uit dat hij beter wel kan rekenen, omdat hij dan later, als hij muzikant is, kan uitrekenen hoeveel cd’s hij heeft verkocht. Dan gaat hij overstag. Je moet foefjes in huis hebben en altijd ónder hem gaan zitten. Op school konden ze hem niet geven wat hij nodig heeft.’

Nadat het ook op een derde school op een escalatie was uitgelopen, concludeerden zijn ouders dat het onderwijs in zijn huidige vorm Ernst niet kan bieden wat hij nodig heeft. Toen was het klaar, beslisten ze. Ernst was beter af thuis, waar rust heerste en begrip was, en ruimte om zijn gebruiksaanwijzing te volgen. Maanden van bellen, e-mailen en overleggen volgden: de leerplichtambtenaar moest worden overtuigd, het persoonsgebonden budget moest worden uitgebreid om een onderwijsvervangend programma te kunnen betalen, er moesten begeleiders-aan-huis worden gevonden. En zie, het lukte: er kwam medewerking van de GGZ en Jeugdzorg, die materialen leveren en Ernsts ontwikkeling volgen, en alles werd geregeld.

Ernst geniet weer van het leven. Inger: ‘Hij kan best in een groepje functioneren, maar om echt tot leren te komen heeft hij een rustige omgeving nodig, en één-op-één-begeleiding. Dat is nu geregeld. Ik weet wel zeker dat er meer kinderen zijn die hierbij veel baat zouden hebben. Een Ernst-klasje zoals op zijn eerste school, dat is eigenlijk nodig.’

’s Ochtends leert Ernst met plezier aan de keukentafel, twee keer in de week gaat hij ’s middags naar Kids at Home, waar hij vrienden heeft en sociaal vaardig leert te zijn. Hij zwemt voor z’n C-diploma, hij speelt basgitaar in een bandje bij een gewone muziekschool, hij heeft ‘geen probleem meer’, zegt hij zelf.

‘Al met al is het een positief verhaal’, zegt zijn moeder. ‘Geen klaagzang over dat vreselijke onderwijs of de zielige kanten van autisme. De oplossing is uit nood geboren. Maar hij heeft wel goed uitgepakt.’

Meer over