Een eeuw toga's in Groningen

In juni 1917 nam de Groningse hoogleraar theologie Isaac van Dijk afscheid van de universiteit. Hij had er duidelijk moeite mee....

'In den kring der Groningsche professoren is er een ongedwongen samenleven', zo stond het in zijn afscheidsrede. 'Dit komt, naar mijn meening, o.a. hiervan dat wij in onzen kring geen menschelijke goden hebben, niet aan heroëncultus doen. Er zijn wel corypheeën, maar zij gedragen zich tot dusver behoorlijk als gewone menschen. Dat is bizonder aangenaam.'

'Hoezeer Van Dijk hier ook idealiseerde, helemaal bezijden de waarheid waren zijn opmerkingen toch niet', constateert de Groningse historicus K. van Berkel in zijn bijdrage aan de bundel Een universiteit in de twintigste eeuw - Opstellen over de Rijksuniversiteit Groningen 1914-1999 (Rijksuniversiteit Groningen; ¿ 25,-). Deze bundel verscheen bij gelegenheid van het 385-jarig bestaan van de universiteit; op zichzelf geen getal dat een gedenkboek rechtvaardigt, aldus de samenstellers in een inleiding, maar vanwege het naderende einde van de twintigste eeuw toch een aardige gelegenheid om terug te kijken 'hoe het de universiteit in deze eeuw is vergaan'.

De Groningse universiteit is - net als haar collega-universiteiten - in deze eeuw geevolueerd van een traditionele, op negentiende-eeuwse leest geschoeide universiteit tot een moderne, op de toekomst gerichte instelling voor wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Die ontwikkeling krijgt in de bundel reliëf vanuit verschillende interessante invalshoeken: de studentencultuur (P.A.J. Caljé), de bureaucratisering (G. Termeer), de plaats van de universiteit in de stad (M. Martin en J. Smals), de 'verschoolsing' van het onderwijs (C. Boomsma) en de strijd om de algemene vorming (I.E. de Wilde). Een apart fotokatern, samengesteld door R. Lapoutre, brengt de academische rituelen door de jaren heen in beeld. Van Berkel behandelt het thema: 'De stand der hoogleraren.' Gaat de Groningse universiteit wel voldoende met haar tijd mee, is zijn centrale vraagstelling. Hoewel de universiteit zich graag presenteert als een modern bedrijf, zijn er nog altijd rituelen die doen vermoeden dat de werkelijkheid anders is. Hoogleraren hullen zich van tijd tot tijd in plechtstatige toga's, promovendi krijgen na de uitroep 'Hora est' een bul uitgereikt die gesteld is in het Latijn, en bij de opening van het academisch jaar (zoals weer aanstaande maandag) zet de rector magnificus volgens een vast patroon de recente lotgevallen van de universiteit uiteen.

'Hoe moeten wij deze rituelen interpreteren?', vraagt Van Berkel zich af. 'Waarom trekken de hoogleraren steeds die toga's aan en doen ze mee aan plechtigheden die eerder aan een klooster dan aan een moderne onderwijsinstelling annex kennisfabriek doen denken? Zijn het aandoenlijke overblijfselen uit een voorbije tijd, herinneringen aan iets wat ooit geweest is maar nu niet meer bestaat, relicten die de studentenrevolutie van de jaren zestig toevallig vergeten is op te ruimen? Of representeren ze iets dat toch de kern van het academisch leven raakt en worden ze daarom nog steeds in ere gehouden?'

Met smaak zwiert Van Berkel door de Groningse universitaire geschiedenis van deze eeuw om een antwoord te vinden op die vraag. Fundamenteel voor het zelfbeeld van de hoogleraren aan het begin van deze eeuw, schrijft hij, was de beleving van hun werk. Zij voelden zich niet zomaar rijksambtenaren die door 'Den Haag' vorstelijk werden gehonoreerd, maar zij vonden dat zij een ambt bekleedden, zoals ook predikanten een ambt bekleedden. Zij voelden zich in hoge mate autonoom. De universiteit was er voor hen, en niet andersom. Zij vormden een zelfstandige stand.

Hoogleraren werkten zeer veel van huis uit. Zij ontvingen thuis ook veelvuldig collega's ter nadere kennismaking. Ook studenten werden elk jaar geacht een bezoek aan de hoogleraar thuis te brengen. Dit ceremonieel stond bekend als het 'thee-slaan' en vond plaats in november. Gekleed in jacquet en met de hoge hoed op mocht elke student twintig minuten met de hoogleraar converseren. Die regel werd stipt in acht genomen, herinnerde een oud-student zich later. 'De studenten wierpen (. . .) onder hun moeizaam vlottende conversatie onophoudelijk steelse blikken op de pendule en stonden onverhoeds, desnoods midden in een zin, op om afscheid te nemen.'

Volgens Van Berkel bleef de groep hoogleraren tot in de jaren vijftig als stand min of meer intact. In de loop van de jaren zestig veranderde alles in snel tempo. Hoogleraren verloren hun geprivilegieerde positie en werden gedwongen meer in het gareel te lopen van een steeds meer gedemocratiseerd en verzakelijkt universitair bedrijf. In Groningen verliep dit proces nog iets meer schoksgewijs dan elders, doordat de democratiseringsbeweging in bestuurders als rector magnificus J. Snijders en psycholoog P. van Strien gedreven sympathisanten vond.

Van Berkel komt tot de conclusie dat de hoogleraren ondanks de opkomst van de bureaucratie, de gigantische schaalvergroting en de ingrijpende bestuurlijke hervormingen nog altijd in het universitaire leven de hoofdrol spelen. Hun macht is op sommige terreinen (bestuur en beheer) verzwakt, maar vooral op het gebied van onderwijs en onderzoek nemen zij nog altijd een centrale positie in. 'De rituelen bij de oraties en zeker die bij de promoties zijn dus meer dan alleen relicten uit het verleden, zij symboliseren nog altijd de centrale rol die de hoogleraren in het universitaire leven spelen.'

Meer over