Een eenheid tussen baan, fiets en renner

Op de overdekte wielerbaan Velodrome Amsterdam groepen de oud-kampioenen samen. Elke dag komen ze hier hun rondjes fietsen. Met gemak nemen ze de ontzaglijk steile bochten....

door Gijs Zandbergen

DE MOOISTE winterse verrassingen voor fietsers hoeven niet altijd in een warm en ver land te liggen. Soms is het dichtbij in de kou ook leuk. In dit geval is dat op een boogscheut van de drukste snelweg van Nederland, de A4 tussen Amsterdam en Den Haag. Daar staat sinds een half jaar de enige geheel overdekte wielerbaan van Nederland: het Velodrome Amsterdam. Liefhebbers kunnen er terecht. Ervaring en een baanfiets zijn niet vereist. Wel vijftien gulden, een eigen schaalvalhelm, handschoentjes, fietsschoenen en een stel pedalen. Toch is de eerste kennismaking met het knalgeel geverfde 'sportpaleis' niet overweldigend positief. Althans niet voor degenen die met gevoelens vol nostalgie denken aan de tijden van Schulte, Derksen, Van Vliet en Post, aan massagegeur, cabinetjes met gordijntjes, Lee Towers, geblondeerde vrouwen en motoren in de baan.

Het eerste wat namelijk opvalt, is dat de hal op een doordeweekse dag een koude en lege indruk maakt. Op de tweehonderd meter lange baan cirkelt een pelotonnetje van zes mannen in de VUT-gerechtigde leeftijd rond. Ze dragen trainingsjacks en lange broeken, want binnen is het net zo koud als buiten. Aan de rand van de baan groept op witte plastic stoeltjes nog zo'n ploegje renners uit die leeftijdscategorie samen.

Het middelpunt van de koude gezelligheid is het barretje bij de toegangstunnel. Erachter staat de beheerder die entreegeld int en koffie en chocoladerepen verkoopt. Naast het bouwsel staan twee rekken met een twintigtal kale huurbaanfietsen, nadrukkelijk zonder pedalen. Niemand schijnt er belangstelling voor te hebben.

Desondanks moet het hier gaan gebeuren voor de 46-jarige fietsende verslaggever, die voor het eerst van zijn leven op een heuse wielerbaan gaat rijden. Hij meldt zich bij de beheerder achter de balie en vraagt of hij een middagje kan fietsen.

Deze eenvoudige vraag krijgt, zoals het hoort, een eenvoudig antwoord. Het kan. Vanaf deze regel krijgt dit verhaal dan ook de positieve teneur die de eerste zin beloofde. Bij nader inzien blijkt de leegte namelijk een verkapte zegen. De beheerder heeft daardoor alle tijd om de regels uit te leggen. En nog mooier: hij doet het met plezier.

Na de meegenomen pedalen op een fiets van de juiste framemaat te hebben gemonteerd en zich te hebben verwonderd over de eenvoud en het lichte gewicht van een fiets zonder remmen, freewheel en versnellingen, rijdt de beginneling de eerste rondjes, nagekeken door de beheerder, die hem heeft geadviseerd het eerste half uur beneden te blijven om aan de doortrapper te wennen.

Een wijze raad, zo blijkt. Angstvallig blijft de beginneling op het vlakke gedeelte onderin de baan, want vooral de bochten zijn ontzaglijk steil. Dat durf ik nooit, denkt hij. Totdat hij zich een beetje lullig gaat voelen wanneer hij telkens wordt ingehaald door een groepje renners, van wie de gemiddelde leeftijd minstens zestig jaar lijkt te zijn.

Voorzichtig rijdt hij daarom even later op de korte rechte stukken een eindje omhoog naar het midden van de baan om bij de bochten weer snel naar het horizontale gedeelte van de piste te sturen. Totdat een van de renners zich bij hem laat zakken en een praatje begint. 'Rij maar achter mij aan. Bovenin is het net zo steil als beneden. Als ik niet onderuit glij, gebeurt het jou ook niet. Hou druk op de pedalen.'

Een paar ronden later voltrekt zich het wonder. Aan het wiel van zijn voorganger wordt eerst de zwarte lijn die de onderkant van de baan markeert, overschreden, dan een meter hoger de rode lijn en tot slot, nóg een meter verder, de blauwe. Vanaf dat moment hoort de beginneling erbij, want het blijkt nu een koud kunstje om zelfs boven de reclameplaten te rijden. Achter zijn voorganger gaat het steeds hoger, alsof hij nooit anders heeft gedaan. Hij wordt zelfs moedig en stuurt bij het ingaan van de bochten naar boven om bij het uitkomen met een lekker vaartje naar beneden te kunnen rijden.

Ten slotte is de beginneling zo ver dat hij durft aan te pikken bij het groepje dat hem zo-even telkens voorbij reed. Nu is het echte baanwielrennen begonnen. Dat wil zeggen: fietsen zonder verkeerslichten, kuilen, hobbels, tegenliggers en tegenwind.

Nu pas ook blijkt hoe fijn het is op een basic racefiets te rijden. Weg met alle frutsels en tierlantijnen als snelheidsmeters, kilometertellers, bidons, geïntegreerde schakelsystemen, fietspompen en opzetsturen. Weg ook met de luxe van het fietsen op de weg, zoals schakelen, freewheelen en om je heen kijken. Dat alles is overbodig geworden. Daarvoor in de plaats ontstaat iets veel mooiers: een eenheid tussen renner, fiets en baan. Bochten bestaan niet meer, en toch ook weer wel. Ze worden genomen zonder sturen en de benen gaan als vanzelf rond. Dit kan nog uren duren.

Dat valt echter tegen. De zelfopgewekte luchtweerstand maakt het rijden vermoeiender dan aanvankelijk gedacht en na een minuut of twintig wordt het gehijg zodanig dat hij het groepje zestigers moet laten gaan en het middenterrein oprijdt.

A LS VANZELFSPREKEND maken de mannen bij de plastic stoeltjes plaats in hun kring. Kennelijk zonder het zelf in de gaten te hebben gehad, is de beginneling bij het kransje baanrenners gaan horen. Dan komen ook de verhalen. Want wat blijkt? Onder de renners bevinden zich enige heuse oud-kampioenen. De besnorde Piet van Heusden (70) was wereldkampioen achtervolging in 1952. Hij rijdt dagelijks zijn rondjes op zijn vroegere kampioensfiets. Ook is er Hennie Marinus (62), meervoudig nationaal kampioen stayeren.

Wielrennen is een democratische sport. Op de openbare weg kan iedereen oprijden met iedereen. Maar op de baan is het nóg democratischer, daar praat ook iedereen met iedereen. Althans praten. . . Het is voornamelijk verhalen vertellen en aanhoren over vroeger, toen wielrenners nog doorzettingsvermogen hadden. Renners die met de baanfiets op de schouder naar de wedstrijden gingen om de vijf gulden reiskostenvergoeding in de zak te kunnen houden. Renners die altijd wonnen; desnoods duwden ze hun wiel zo hard naar voren dat ze met hun kruis op het achterwiel landden. Het zijn sterke verhalen, want een liefhebbend geheugen corrigeert.

En zo komt het dat de beginneling, die nu geen beginneling meer is, een belangrijk verschil met fietsen op de weg gaat begrijpen: een baanrenner komt nooit 'uitgewoond' thuis. Want voor hij zover is, gaat hij zitten. Daarom ook houdt hij het zo lang vol. De verhalen komen dan vanzelf.

Meer over