Een dramatische switch

Onderwijsminister Ronald Plasterk brak radicaal met zijn carrière als vooraanstaand wetenschapper om de politiek in te gaan. ‘Zoiets kun je maar één keer in je leven doen’....

Slechts één persoon heeft ooit ‘nee’ gezegd op de vraag of hij op de foto wil in de werkkamer van Plasterk. De minister van Onderwijs vraagt ook niet zozeer of je gefotografeerd wilt worden. Hij dirigeert je met een vanzelfsprekend gebaar naar het witte stoeltje voor zijn Hasselblad, in de veronderstelling dat iedereen van zijn hobby op de hoogte is: al zijn bezoekers fotograferen en de negatieven in grote stroken op het raam plakken. ‘Ik vind het leuk’, verklaart hij achteloos terwijl hij knipt.

Misschien is het een manier om grip te krijgen op zijn nieuwe werkomgeving. De overstap naar de politiek, twee jaar geleden, betekent een radicale breuk met zijn wetenschappelijke carrière. Plasterk behoort op dat moment tot de absolute top onder de biologen en is 25 jaar lang onderzoeker in de moleculaire genetica. Hij bestudeert onder meer de DNA-structuur van het rondwormpje C. elegans, dat vanwege zijn geringe aantal cellen (959) in de jaren zeventig is bestempeld tot modelorganisme voor genetisch onderzoek.

Hij werkt daarbij op het prestigieuze MRC Laboratory of Molecular Biology in Cambridge samen met de latere Nobelprijswinnaar John. E. Sulston.

Na een aantal hoogleraarschappen in Nederland wordt hij in 2000 directeur van het Hubrecht-laboratorium aan de Universiteit Utrecht, waar hij de traditie van onderzoek in de ontwikkelingsbiologie verbreedt tot ‘functional genomics’. Nu de genetische codes van veel organismes bekend zijn, verschuift het onderzoek kort gezegd naar de vraag wat al die genen eigenlijk doen. Tegelijkertijd is Plasterk hoogleraar ontwikkelingsgenetica aan de Universiteit Utrecht.

Tot hij in 2007 een telefoontje krijgt van PvdA-leider Wouter Bos. Of hij minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wil worden. Hij hoeft niet lang na te denken. Zo’n kans krijg je maar één keer. Plasterk is van jongs af aan al geïnteresseerd in politiek en zit begin jaren tachtig voor de PvdA in de gemeenteraad van Leiden. In 2006 schrijft hij mee aan het verkiezingsprogramma van zijn partij.

Hoe kunt u zo’n glanzende wetenschappelijke carrière in één klap opgeven?

‘Gek hè? Ja, dat is het ook. Ik heb het er met mijn collega’s over gehad, zoiets kun je maar één keer in je leven doen. Het heeft iets vervreemdends om al je schepen achter je te verbranden. Als wetenschapper bewoog ik me in een internationale gemeenschap, sommige collega’s kende ik al twintig jaar. Daar zaten dierbare vriendschappen bij, dat is in één keer weg. Ik zie ze niet meer. Ik kan nu niet naar Seattle reizen om een collega te bezoeken, die tijd heb ik gewoon niet.’

‘Met Nederlanders in het wereldje heb ik nog wel contact. Die volgen mij via de media. Op mijn beurt stuur ik een brief of probeer even langs te gaan als een kennis hoogleraar wordt. Er zijn mensen in de internationale gemeenschap die inmiddels een Nobelprijs hebben gewonnen, Martin Chalfie (neurobioloog, red.) bijvoorbeeld, die heb ik een e-mail gestuurd toe hij die prijs kreeg. Normaal zou dat een belangrijk moment geweest zijn, die man heeft bij mij gelogeerd.’

Uw motivatie om de wetenschap in te gaan was om onderzoek te doen. Is die drang nu weg?

‘Ik heb 25 jaar lang met hart en ziel onderzoek gedaan. Toen deed dit zich voor en dan moet je kiezen. Mijn interesse in politiek is natuurlijk altijd heel sterk geweest.’

U kunt niet meer terug in de wetenschap.

‘Nee. Ik lees de literatuur niet meer, er zitten andere mensen. Je kunt niet vier jaar uit de eredivisie zijn en dan weer een balletje trappen. Zo werkt het niet.’

U staat erom bekend dat u zich snel verveelt. In hoeverre speelde mee dat u alles had bereikt en het niet spannend meer vond?

‘Dat speelde niet mee. Ik werd omgeven door mensen van mijn generatie die de absolute wereldtop aan het vormen waren. De uitdaging was om daarbij aan te sluiten. Allemaal jongens om mij heen gaan opeens Nobelprijzen winnen. Het gaat natuurlijk om de ontdekkingen. Ik heb nooit iets ontdekt dat de Nobelprijs verdient, laat dat duidelijk zijn. Maar we speelden wel in dezelfde divisie.’

U heeft gezegd dat u nóg een termijn als minister wilt vervullen. Dat heeft u niet zelf in de hand. Is dat niet frustrerend voor iemand die gewend is zijn eigen weg te gaan?

‘Nee, dat heb ik me vanaf dag één gerealiseerd. Als minister heb je ook binnen de regeerperiode zelf niet helemaal in de hand dat je blijft zitten. Ik heb een knop omgezet. Ik heb weleens gezegd: ik heb het gevoel dat ik met mijn ski’s aan op een iets te steile helling ben gezet en dan moet je niet denken wat zit er na de volgende bocht. Gewoon concentreren op ‘gaan’. Maar als ik niet doorkan als minister zal dat nooit zo’n dramatische switch opleveren als ik nu heb gehad. De vaardigheden van mijn vorige vak gebruik ik nog maar heel weinig. En het hele adresboek van mijn telefoon is veranderd.’

Ronald Hans Anton Plasterk (1957) groeide op in een intellectueel milieu tussen de arbeidersgezinnen in Den Haag. Zijn grootouders behoorden tot de elite van Berlijn, waar zijn grootvader chirurg was. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak stuurden zij hun 11-jarige zoontje – de vader van Plasterk – naar een Nederlands pleeggezin. ‘Mijn vader was vanaf dat moment op zichzelf aangewezen’, vertelt Plasterk. ‘Zijn ouders zaten in het sperrgebiet. Hij werkte bij Philips en studeerde in de avonduren. Hij werkte zich uiteindelijk op tot directeur van een wetenschappelijke uitgeverij.’

De jonge Ronald die in een portiekwoning tussen de arbeiderskinderen woonde, leerde – net als zijn vader – al vroeg laveren tussen verschillende werelden. ‘Ik las thuis heel veel en ik wist dat ik op straat niet de kleine professor moest uithangen. Dan kon je klappen krijgen. Toch vond ik dat als kind vanzelfsprekend, je weet niet beter.’

Samen met zijn buurjongetje was Plasterk de enige van de klas die naar het gymnasium ging. De rest ging naar de lts of de huishoudschool. ‘Ik weet nog dat we een keer met de schoolklas terugfietsten van een kennismakingsbezoek aan de lts en dat ik tegen mijn moeder zei dat ik daarheen wilde omdat ze daar van die mooie draaibanken hadden. Mijn moeder zei dat ze dat begreep maar het kwam er op neer dat we toch maar naar het gymnasium gingen.’

Ook als de deftige oma van Plasterk op bezoek was, werd het verschil met de buren duidelijk. ‘Mijn moeder hamerde op onze tafelmanieren, we mochten niet met een mes in onze aardappels snijden. En er was geen sprake van dat we onze vis met mes en vork zouden eten.’

Grinnikend: ‘Daarin waren we wel de enigen in het portiek: dat we het viscouvert gebruikten voor de scholletjes op vrijdag.’

Plasterk heeft er voordeel van gehad dat hij zich steeds moest aanpassen, zegt hij. ‘Van jongs af aan heb ik geleerd om rekening te houden met het gezelschap waarin je je bevindt en hoe je praat. Je moet je niet laten voorstaan op wie je bent, dat heb ik met de paplepel ingegoten gekregen. Veel onderwijsinstellingen leggen nu bijvoorbeeld veel nadruk op het woord excellentie. Het woord vind ik een beetje...mijn moeder zou zeggen ‘ordinair’. Doe maar gewoon je best, en dan zegt iemand anders wel dat het goed is.’

PvdA-voorzitter Mariëtte Hamer zei vorige week in Volkskrant Magazine dat ze een voorkeur heeft voor mensen die zich omhoog hebben moeten vechten. Herkent u zich daarin?

‘Jawel. Ik heb zelf 25 jaar in een bètavak gezeten, dat is bij uitstek een vak voor sociale stijgers. Ik heb altijd een zwak gehad voor mensen in de biologie die zo van de boerderij kwamen. Die hadden niets anders meegekregen dan een goed stel hersens en ambitie: werk er maar hard voor.’

Denkt u dat mensen met deze achtergrond verder kunnen komen?

‘Ja. Ik denk dat sociale stijgers elke kans pakken die voorbij komt. Dat zie je bijvoorbeeld bij de Echo Awards voor excellente allochtone studenten die ik onlangs heb uitgereikt. Sommige vluchtelingen zijn pas drie jaar in Nederland, spreken uitstekend Nederlands en studeren cum laude af in Delft. Die pakken elke kans omdat ze allang blij zijn dat ze niet worden opgeknoopt. Bij mensen wier ouders al redelijk comfortabel leefden, zie je meer de luxe van het kunnen kiezen. En daardoor kunnen die jongeren ook vaak niet kiezen en dat is voor hen ook weer een probleem.’

Grinnikt: ‘Dat is soms een cyclisch patroon. Toen ik in CalTech werkte in de VS, hadden al die hoogleraren kinderen die een beetje op het strand hingen. Haha, die kwamen zelf uit de goot van New York en beklaagden zich over hun kinderen die zo’n luxeleven hadden. Dus vanuit dat perspectief moeten we het in Nederland in de toekomst juist wel hebben van de sociale stijgers. Dan denk ik dat nieuwe Nederlanders hierin een grote rol spelen.’

Meer over