Een complete set

'Ze kijken dwars door me heen', zegt MARIA GOOS over haar broer en zus. Toch ziet ze hen niet vaak....

BIJ dit stukje staat een foto afgedrukt die op het moment dat ik dit schrijf nog gemaakt moet worden want de enige foto waar ik met m'n broer en m'n zus op sta is tien jaar oud. We zien elkaar niet zo vaak.

Hoe ik op die foto zal staan, dat weet ik niet, maar hoe m'n broer en m'n zus erop zullen staan, dat weet ik wel. Hij ernstig, want mijn broer is een ernstig man. Als de fotograaf hem gaat vragen om een klein glimlachje, dan zal ie dat niet doen. Dan zal z'n gezicht eerder onwillig, of verlegen worden. Maar geen glimlachje.

Mijn zus kijkt waarschijnlijk met moederogen, lief. Of verbaasd. En als ze moet lachen van de fotograaf, dan doet ze dat.

We hebben maar elf jaar als de kinderen van Goos in één huis gewoond en dat is 32 jaar geleden. Heel lang geleden dus. Mijn broer is al zo lang de man van mijn schoonzus en mijn zus is al zo lang de vrouw van mijn schoonbroer dat ik ze niet meer zo goed ken, deze mensen op de foto.

Ik weet meer niet dan wel van ze. En toch weet ik vrij zeker hoe ze op de foto zullen staan. Want dàt blijft. Dat ik mijn broer ga bezoeken, heel af en toe, en dat hij dan de deur opendoet en dat ik in die eerste seconde dat ik hem zie staan al weet hoe het met hem gaat.

Met mijn zus ook: hoe ze door het keukenraam zwaait als ik aan kom rijden. Ik hoef dan eigenlijk niet eens meer uit te stappen want alles is al verteld. En zij hebben dat ook met mij. Ze kijken dwars door me heen. Misschien dat we elkaar daarom zo weinig bezoeken: we zien van alles aan elkaar wat we niet willen zien. En wat moet je ermee. Het zijn tekens uit een ander leven. Van toen we nog in hetzelfde verhaal zaten. Maar dat is al heel lang niet meer. We hebben alledrie ons eigen verhaal. We zijn allang niet meer wie we waren.

Alleen toen mijn moeder dood ging. Toen ineens weer even wel. Ons ouderlijk huis moest leeggehaald worden. Dat gingen wij met z'n drieën doen. En voor het eerst in vijfentwintig jaar waren we weer samen, zonder anderen, in dezelfde ruimte. In ons eigen huis nog wel en alledrie ongegeneerd verdrietig. We aten een boterhammetje aan de keukentafel, we gingen tompoucen halen bij het bakkertje. We maakten drie stapels van spullen. We waren weer de kinderen van Goos.

Mijn moeder had een set van vazen, een dikke ronde voor in het midden en twee smalle voor links en rechts van de dikke. Drie vazen, drie kinderen. We namen dus ieder een vaas. Toen we de deur van 'ons huis' voor de laatste keer hadden dichtgetrokken gingen we bij mijn zus wat eten. De man van mijn zus kon er niet over uit. Hoe hadden we nou zoiets stoms kunnen doen. Een bij elkaar horende set van drie vazen verdelen over drie huizen, en dan nog wel in Breda, Raamsdonksveer en Amsterdam. Zo werd zo'n set toch totaal waardeloos en onverkoopbaar. We zaten ieder met een vaas op schoot. En omdat we niets zeiden kwam de man van mijn zus met een nog steekhoudender argument: 'En als de mensen die ene vaas nou hier zien staan, dan zien ze een vaas van een incomplete set. Wat zeg jij dan?'

Mijn zus zei: 'Dan zeg ik dat de set wél compleet is, maar dat de vazen alleen een beetje ver uit elkaar staan.'

En zo is het precies.

Meer over