Een Colosseum bij maanlicht

De moderne toerist kiekt Rome digitaal, desnoods met zijn mobieltje. In de 19de eeuw kocht de toerist kunstfoto's. Anderhalve eeuw dezelfde beelden....

Door Ben van Raaij

De tempel van Minerva aan het Keizersforum in Rome rijst op in het felle zonlicht.

De deur van de blijkbaar in het antieke monument gevestigde bakkerij staat open. Een nogal spookachtig beeld, vanwege de haarscherpe details en het ontbreken van elk teken van leven. De foto is dan ook van 1860, toen de negatieven groot waren maar de sluitertijden zo lang dat elke beweging tijdens de opname vervloog.

De prent, een albuminedruk, is te zien op de kleine expositie 'Spiegel van het geheugen: de fotografisch verbeelding van de Romeinse oudheid in de 19de eeuw' in het Allard Pierson Museum in Amsterdam. De expositie is het werk van studenten museumstudies van de Universiteit van Amsterdam. Zij kozen de foto's, uit de collectie van het Rijksmuseum, en maakten ook het charmante catalogusje, in de vorm van een ouderwetse reisgids, met uitklapbare vouwplaten.

Foto's uit vooral Rome en Zuid-Italië worden op de expositie getoond samen met oude prenten, reisgidsen van Murray en Baedeker, plattegronden en 19de eeuwse souvenirs, zoals een tempelmaquette van kurk en een replica van een bronzen faun uit Pompeii. Het levert een aardige kijk op een tijd dat zowel de fotografie, de archeologie als het moderne toerisme nog in de kinderschoenen stonden.

De monumenten van de Romeinse oudheid zijn al eeuwenlang toeristische attracties. In de 17de en 18de eeuw trokken jongeren uit de betere standen voor hun Grand Tour naar Italië. Ze namen als reisherinnering of studiecollectie prenten of gravures van monumenten mee terug, zoals de Vedute di Roma van Piranesi (1746) – één van diens gezichten op het Colosseum is op de expositie te zien.

Toen na 1840 de fotografie opkwam, werden foto's van de antieke monumenten in Italië direct populair. De fotografische pioniers sloten bij de oude pictorale traditie aan, zegt Mattie Boom, conservator fotografie van het Rijksmuseum, die de inleiding bij de catalogus schreef. 'Alle conventies van de prentkunst werden overgenomen. De fotograaf zette zijn driepoot op dezelfde plekken neer waar vroeger de schilder met zijn ezel en schilderskist ging zitten.'

Laagje eiwit Fotograferen was rond 1850 nog een heel gedoe, met enorme camera's vanwege het formaat van de negatieven (vergroten was nog niet mogelijk), lange sluitertijden en omslachtige afdrukprocédés. Aanvankelijk waren collodiumdrukken in trek, glasplaten met een lichtgevoelige emulsie. Later werd de albuminedruk populair, papier met een laagje eiwit met zilverzout, wat een mooie glans gaf.

Ondanks de bewerkelijke praktijk werd de fotografie al snel een bloeiende bedrijfstak, die een compleet 'beeldprogramma' leverde voor de private markt. 'Welgestelde toeristen gingen in Genua, Florence of Rome naar de fotograaf – de adressen stonden in de reisgidsen vermeld – en zochten daar dan een mooie serie uit', aldus Boom.

Foto's werden los verkocht, als series in portfolio's, als illustraties in boeken geplakt (fotomechanische druk kwam pas later), als ansichtkaarten. Van de populaire fotograaf James Anderson hangt op de expositie een bestellijst (1866-87). Zijn foto's waren te koop bij Spithöver aan de Piazza di Spagna: kleine voor anderhalve lire, grote voor drie, keurig opgeplakt.

Ook Nederlandse Italiëgangers, zoals literator Carel Vosmaer en schilder Lourens Alma Tadema, verzamelden zulke foto's (Tadema had wel driehonderd dozen vol) en toonden ze op 'dia-avondjes' van hun oudheidkundig genootschap. Veel collecties kwamen later in het Rijksmuseum terecht, net als de foto's die lesmateriaal waren op de Rijksschool voor Kunstnijverheid.

Het hele kant en klaar verkrijgbare fotorepertoire van Romeinse oudheden zat vol visuele conventies, zegt Boom. 'Dat veranderde pas na de introductie van de rolfilm in 1888. Want dan komt de amateurfotografie op, en die introduceert een zekere verfrissing en spontaniteit. Toen konden mensen hun eigen Italiëbeelden gaan bedenken, al zie je dat men toch de gebaande paden blijft volgen.'

Boom ziet in de vroege foto's van Romeinse monumenten twee invalshoeken, die verband houden met de opkomst van zowel de archeologie als het toerisme. 'De foto als droge documentatie en als uitdrukking van een romantische verbeelding. Maar wetenschap en romantiek zijn ook beiden aspecten van de 19de eeuwse sensibiliteit.'

Beide genres liepen lang door elkaar heen, zoals blijkt uit de documentaire foto's die Giorgio Sommer in opdracht van de archeoloog Fiorelli van de opgravingen in Pompeii maakte, en die ook met veel succes gewoon als souvenir aan toeristen werden verkocht.

Perfecte ruïne De 19de eeuwse kijk op de Romeinse monumenten wordt in de expositie thematisch uitgewerkt. Zo was er 'de perfecte ruïne'. Ultiem voorbeeld: het Colosseum. 'Geen schooner ruïne ter wereld dan het Colosseum', aldus een reisgids. Zie de mooi gecomponeerde foto's van Calvert Richard Jones en Robert MacPherson.

Dat Colosseum werd, net als het Forum Romanum, door fotografen als Gioacchino Altobelli en Pompeo Molnis graag afgebeeld bij nacht – een romantisch bezoek bij maanlicht was een must voor elke Romeganger. Bij nacht fotograferen was nog onmogelijk, wat werd opgelost door twee negatieven over elkaar te leggen, waarvan één met een getruct donkere lucht.

Sommige monumenten werden niet in hun ruimtelijke en historische context maar juist geïsoleerd en sec afgebeeld als stille getuige van een groots verleden, zoals de triomfboog van Constantijn. Opvallend genoeg werd deze boog altijd vanaf het noorden afgebeeld, hoewel de zuidzijde even mooi is.

Een klassiek thema was de antieke ruïne in een idyllisch landschap, te zien op foto's uit Zuid-Italië, dat mede door de aanleg van spoorwegen werd aangesloten op de tourist trail. De Siciliaanse fotograaf Giovanni Crupi benadrukte bij het theater van Taormina de pittoreske ligging, bij de tempels van Agrigento juist de dreigende natuur.

Opvallend bij al deze beelden is hoe vertrouwd ze zijn, zelfs voor wie nooit in Italië is geweest. Zoals de 19de eeuwse fotografen in de traditie van de oude prentkunst stapten, volgen hedendaagse toeristen de clichés van hun voorgangers. Giovanni Gentili fotografeerde rond 1855 de drie zuilen van de Jupitertempel aan de voet van het Capitool. Een perfect symbool voor het hele Forum Romanum, zoals het nog altijd door elke toerist wordt gekiekt. Of gekocht, als een plastic miniatuur-souvenir.

Het mooiste op de expositie zijn de stereofoto's, een 19de eeuwse rage. Dubbelbeelden, gemaakt met een speciale camera met twee objectieven, die bekeken met een stereokijker een fraai diepte-effect tonen. De bezoeker kan zelf door zo'n kijker turen, wat een hallucinerend levensecht beeld oplevert uit die verre 19de eeuw. Alsof je je betovergrootmoeder ziet poseren op de trappen van het Capitool.

Meer over