Een clownesk gevecht tegen angst en ontreddering

ZELDEN HEEFT een boek in Nederland een zo grote invloed uitgeoefend als De avonden (1947), het romandebuut van de 23-jarige Simon van het Reve....

Frits vult de uren met landerig draaien aan de knop van de radio en aandachtig pulken tussen zijn tenen. Hij bezoekt vrienden die hij onderricht over kaalhoofdigheid, bochels en de 'heel mooie ziekte' kanker. Dwangmatig observeert hij zijn ouders, de slurpende, winden latende vader en de moeder die, als ze het gezin op oudejaarsavond wil trakteren op wijn, een fles 'bessen-appel' koopt. Frits heeft het gezien, 'het is niet onopgemerkt gebleven'. Hij vraagt de 'eeuwige God' om erbarmen met zijn ouders. Terwijl hij zijn speelgoedkonijn omklemt, fluistert hij: 'Ik leef, ik adem.'

Voor Van het Reves generatiegenoten was De avonden meteen hét boek, hun boek. 'Verpletterend herkenbaar' (K. Schippers), 'een boek waarin de onlust van de adolescent is beschreven als in geen enkel ander' (Rudy Kousbroek). Oudere critici griezelden van dit 'pathologische geschrijfsel' (Rico Bulthuis), 'zó naargeestig, zó grauw, cynisch en volstrekt negatief' (Godfried Bomans), dat 'ontgoocheling' door de oorlog snel als excuus moest worden aangevoerd. De jury van de Reina Prinsen Geerligsprijs, die Van het Reve voor zijn romandebuut kreeg, sprak van 'de geestelijke nood van de naoorlogse jeugd'. Vestdijk zag als een van de weinigen de wanhopige humor waarmee Frits zijn angst en eenzaamheid probeert te bezweren.

De avonden bleek geen voorbijgaand 'generatieboek'. Frits van Egters met zijn dwangmatige waarnemingen en plechtstatige platheden werd decennialang door 'ingewijden' geciteerd en gepersifleerd. Alleen al in de jaren zestig werden er 100 duizend exemplaren van verkocht. Reve - na zijn debuut werd Simon weer Gerard Kornelis van het Reve en in 1972 kortweg Gerard Reve - werd wel eens moe van die overtrokken aandacht voor zijn 'onrijpe' debuut, dat hij naar eigen zeggen niet meer kon lezen.

Hij schreef de roman op aanraden van zijn psychiater. 'Ik was net zo krankzinnig als nu, alleen kon ik er niet mee leven', zei hij in 1964. Het gevoel in een wereld te leven die voor anderen normaal, maar voor hem bedreigend en angstaanjagend was, had hij al als kind.

Hij groeit op in een communistisch gezin; zijn vader is actief lid van de Communistische Partij en redacteur van het dagblad De Tribune. Het grootste deel van zijn jeugd brengt hij door in Betondorp, in de Amsterdamse Watergraafsmeer. De keurig-armoedige buurt met de aangeharkte voortuintjes, een oase van 'licht en lucht', zou een kweekvijver zijn voor talentvolle jeugd uit de arbeidersklasse, maar Reve beschrijft het als een beklemmend oord: 'Wie hier binnengaat, laat alle hoop varen.'

Het kind wordt ondergedompeld in de denkwereld van het historisch materialisme, met zijn ijzeren categorieën van goed en kwaad, afkeer van religie, en kritiekloze aanbidding van de leider. Een dodelijke omgeving voor een gevoelig, magisch denkend jongetje, dat droomt van een kerstboom met lichtjes, maar te horen krijgt dat zoiets 'burgerlijke onzin' is. Hij zoekt beschutting in zelfbedachte rituelen. Net als Elmer, de hoofdpersoon in de novelle Werther Nieland (1949), die zijn demonen bezweert met tempeldiensten en offerandes. Hij droomt zich een betoverd kasteel en stuurt 'boodschappen' aan een denkbeeldige broer, de enige die hem begrijpt.

Het zoeken naar een eigen symbolentaal, een mythe die hij tegenover de 'levensvijandige leer' van zijn jeugd kon stellen, is een constante in Reves oeuvre. In zijn roman Oud en eenzaam (1973) beschrijft hij hoe de 'communistische pornografie', waarin onschuldige 'kameraadjes' worden gemarteld door kapitalisten, hem voor het leven psychisch heeft 'verminkt'. Ze heeft hem 'besmet met een gepreoccupeerdheid met wreedheid, die alle andere gevoelens op de achtergrond drong'.

In de jaren zestig vindt Van het Reve de vorm waarin hij zich het best kan uitdrukken. In twee bundels met 'reisbrieven', Op weg naar het einde (1963) en Nader tot U (1966) ontwikkelt hij de reviaanse wereld waarin zijn werk zich voortaan zou bewegen. In 1951 was hij, nadat hem op grond van een fragment uit Melancholia door minister Cals een reisbeurs was ontzegd, naar Engeland vertrokken, met het vaste voornemen alleen nog in het Engels te publiceren. Na The acrobat and other stories (1956) komt hij daarvan terug, maar hoe het verder moet weet hij niet.

De ommekeer begint met de openlijke verklaring van zijn homoseksualiteit. Na elf jaar huwelijk laat hij zich in 1959 scheiden van de dichteres Hanny Michaelis. In de reisbrieven bevrijdt hij zich van elke vormdwang. Dit proza is een onnavolgbare, ironische en gedreven mengeling van reisverslag, beschouwing, jeugdherinnering, erotisch sprookje en gebed. Hij lanceert de briljante theorie van het Zinloos Feit: de niet ter zake doende gebeurtenis die de schrijver dwarsboomt in zijn verhaal. Hij introduceert het 'revisme', een liefdesdienst waarbij de aanbedene jongens ter onderwerping aangeboden krijgt. Nader tot U eindigt met een serie 'Geestelijke Liederen'. In 1966 wordt Van het Reve rooms-katholiek.

De bundels met reisbrieven, in literaire kring als verbluffend oorspronkelijk herkend, veroorzaken heibel. In 1963 stelt AR-kamerlid Algra vragen over de 'aanstootgevende' inhoud van Op weg naar het einde. Van het geld dat hij met dit boek verdient, koopt de schrijver in Friesland een huisje dat hij Huize Algra doopt. In 1967 komt het tot een rechtszaak wegens een 'godslasterende' passage waarin de ik-figuur God, 'in de gedaante van 'een éénjarige, muisgrijze ezel', beklimt om 'Hem drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening te bezitten'. Na een magistrale 'pleitrede', waarin hij het recht op een eigen verbeeldingswereld opeist, wordt Van het Reve vrijgesproken.

Het zal niet de laatste keer zijn dat hij zijn godsbeeld moet uitleggen aan 'symboolblinden', die sprookjes, mythen en religie letterlijk opvatten - zijn Geleerde Broer Karel van het Reve is daarvan in zijn ogen het prototype. Er is veel papier verspild aan de vraag of Reve 'het nu echt meent met dat geloof'. In Moeder en Zoon (1980) beschrijft hij zijn twijfel om zich aan te sluiten bij een leer die weliswaar 'gebrekkig, infantiel en verkitscht' is, maar hem niettemin voorkomt als het Ware Geloof. De oervoorstellingen van het katholicisme bezitten voor hem 'een dwingende kracht' en leveren een symboliek die past in zijn werk.

Reves geloof is dus oprecht, zolang we zijn God beschouwen als een projectie van de schrijver. Een menselijke God, met feilen en angsten, die masturbeert, stevig drinkt, en getroost wil worden. Een God die Liefde is en zich samen met tweelingbroer Satan openbaart in een Meedogenloze Jongen, maar die zijn ereplaats deelt met de Moeder, die bij wangedrag een oogje dichtknijpt.

Reve maakt het zijn publiek niet makkelijk hem serieus te nemen. Hij speelt de laatste decennia met verve de rol van Bekende Nederlander, die op verzoek de pias uithangt. Hij poseert als de 'Volksschrijver' die 'warme mensenboeken' maakt voor 'huisvrouwen' en laat zich verleiden tot uitspraken over 'zwartjes' en 'blauwen', over 'staatsroof' en het 'rode gepeupel'. En elke keer klinkt de vraag of hij nu een clown is, of - zoals de door hem beschimpte Harry Mulisch ooit schreef - een racist die 'door de dubbele bodem van zijn eigen ironie zakt'.

Alle herrie rond de persoon van de schrijver mag niet het zicht ontnemen op zijn schitterende oeuvre. Stap voor stap bouwde hij aan een mythe tegen angst en ontreddering, een wereld waarin alleen zijn wetten gelden. Dat zijn ongeëvenaard mooie en zorgvuldige schrijfstijl tot vervelens toe werd geïmiteerd en daardoor een 'komisch toontje' werd, is hem niet aan te rekenen. Dat hij zichzelf in laatste romans zou 'herhalen' evenmin. Het is niet de minste die zich herhaalt, maar een van de belangrijkste en meest vernieuwende schrijvers van deze eeuw. Met zijn werk is het als met het katholicisme: een oeuvre dat zoveel kitsch en ongein overleeft, moet wel groot zijn.

Meer over