Een charmant zootje

De Amsterdamse jaren van Piet Mondriaan waren vol, enerverend en onstuiming. Het Amsterdam Museum wijdt er een tentoonstelling aan. Met werk van de meester dat niet vaak de depots verlaat.

DOOR STEFAN KUIPER

Het is iets dat je makkelijk vergeet: hoe iedere oude meester zijn schilderijen ooit moest overwinnen op het grote niets. Dat ging niet vanzelf, zo stel je je voor. Aan de ene kant was er de ambitie, de honger naar iets nieuws en radicaal anders; tegelijkertijd was er de strijd tegen het onbegrip, de angst om voor paal te staan, de hoon van het publiek, slechte pers enzovoort. Vertrouwen was nodig om zo'n sprong in het duister te maken. Geen wonder dat veel kunstenaars zelfrechtvaardiging zochten in spiritualiteit en filosofie.

Aardig voorbeeld daarvan is de jonge Piet Mondriaan (1872-1944). Aan diens Amsterdamse jaren wijdt het Amsterdam Museum nu een tentoonstelling: tekeningen, schilderijen, olie, aquarel, landschappen, stadsgezichten; de vruchten van een potje koehandelen met het Gemeentemuseum Den Haag. Als tegenprestatie kreeg dat museum De Anatomische Les van Rembrandt over de vloer.

De tentoonstelling is prima - niet perfect, wel de moeite waard. Er ontbreken stukken, de Oostzijdse molen uit het Rijksmuseum bijvoorbeeld, en de inrichting is een tikje schools, maar daar staat veel werk tegenover dat niet vaak de depots verlaat: voorstudies, de beruchte potboilers. Er hangen doekjes die Mondriaan maakte van de Koninklijke Waskaarsenfabriek én van een droef kijkende sint-bernard - en dat is leuk. Er verscheen een nieuwe publicatie bij van specialist Hans Janssen - en die is behoorlijk goed.

De tentoonstelling beslaat de jaren 1892-1912, de vormende jaren: van het moment dat Mondriaan uit Winterswijk als aspirant Rijksakademiestudent in Amsterdam arriveerde tot het moment dat hij als avant-gardekunstenaar met aanzien verder trok naar Parijs.

Die periode was vol, onstuimig, enerverend, niet per se altijd makkelijk. Er was een streng christelijke familie - daar moest Mondriaan zich aan ontworstelen. Er waren geldzorgen - daarin voorzag hij met het maken van bacteriologische tekeningen en, minder vervelend, met tekenles aan welgestelde dames. Er was zijn gezondheid - die was niet best. Mondriaan had zwakke longen. Hij was soms weken achtereen bedlegerig en moest dan de wijk nemen naar het platteland. Er waren kortom nogal wat dingen die hem van het schilderen hielden; eigenlijk een wonder dat hij nog aan vrij werk toekwam.

Dat werk blijkt een charmant zootje. Mondriaan scharrelde fijn rond. Expressieve bomenrij, stemmige bomenrij, bomenrij à la Haagse School - twee stappen naar voren en dan weer een stap terug. Er hangen mooie stukken, daar in het Amsterdam Museum, een stoer gepenseeld bosje knotwilgen, een weiland met koeien dat oogt als gezien vanuit een voortrazende trein, en onwillekeurig loop je te zoeken naar vooruitwijzingen naar de latere, abstracte meester. Een vruchteloze zoektocht, je kunt immers in iedere deurpost of vensterbank wel een vooruitwijzing zien.

Wat je wél vindt: Mondriaans talent. Preciezer: de kwintessens van dat talent. Wat Mondriaan niet, en vooral ook wat hij wél kon. Niet: de fonkelende details en levendige stoffering. Mondriaan was onhandig met beweging, bij levende wezens leek hij sowieso matig op z'n gemak. Wel: compositie en ordening; het plaatsen van bomen, gebouwen, fabrieken, velden, beesten in solide, stevige arrangementen. Landschapjes bouwen - dat ging Mondriaan goed af.

Het best zijn de studies die hij zij aan zij maakte met Simon Maris, het neefje van Jacob Maris. Maris nam Mondriaan mee de stad uit. Piet ging uit fietsen. De bestemming was Abcoude aan het Gein en daarover schreef hij: 'Ik schilderde bij voorkeur landschappen en huizen gezien bij grijs, donker weer of in sterk zonlicht, wanneer de dichtheid van de atmosfeer de details aan het zicht onttrekt en de grote contouren van de dingen accentueert.' Schilderijen als Oostzijdse Molen (1906) of Boerderij Landzicht (1905) zijn mooi: schemerig, stemmig, er openbaart zich een temperament, maar het is nog niet uitgekristalliseerd; het kan nog alle kanten op. Geef die wolken wat meer tekening en je bent terug bij de Haagse School. Zet alles wat dikker in de verf en je hebt Van Gogh.

Het ging anders. Mondriaan begon op te trekken met Sluijters en Toorop, sloot zich aan bij de Theosofische Vereniging, werkte met ongemengde kleuren en maakte spiritueel angehaucht werk, het tamelijk drakerige drieluik Evolutie (1911) het beroemdst. U kent het: drie vrouwen, de huid blauw, navels en tepels driehoekig, de hoofden celestiaal omhoog gekanteld, lijken te ontwaken uit een soort kosmische slaap of wat het ook is; de middelste heeft de ogen wijd opengesperd als de robot in de film Metropolis.

Het doek is een splijtzwam in de Mondriaankunde. Liefhebbers voeren het op als bewijs dat theosofie, kleurenleer, symboliek van intrinsiek belang waren voor de kunstenaars op handen zijnde ontwikkeling richting abstractie - Mondriaan was een spiritueel schilder. Tegenstanders, voornamelijk Amerikaanse kunsthistorici, zien het doek als een smet op het blazoen van de kunstenaar als modernist par excellence - Mondriaan was een formalistische schilder.

Mag ik een derde optie toevoegen? Theosofie had voor Mondriaan een motiverende rol. Het was geïnstitutionaliseerde zelfrechtvaardiging, een springplank naar het ongewisse, een onontbeerlijke spiritueel-filosofische borstwering om die abstracte werken los te maken uit het voornoemde grote niets. Later, in Domburg en Parijs, zou hij die sprong ook daadwerkelijk maken. Aan fietsen en molens dacht hij toen al lang niet meer.

Piet Mondriaan in het Amsterdam Museum.

T/m 5/1. amsterdammuseum.nl

Peinture à bicyclette

Mondriaan werkte in de natuur vaak op een fiets. Op een tekening van Simon Maris zie je hoe dat ging. Met een soort tentlijnen en klemmetjes zette Mondriaan de fiets vast, het stuur deed dienst als ezel, het zadel als kruk. Tijdens het schilderen rookte hij pijp en droeg hij een Japans hoedje. In veel werken zijn de sporen terug te zien van deze schilderstijl 'à bicyclette'. Op de hoeken van het werk zitten de gaatjes van de punaises waarmee Mondriaan papier en doek vastzette.

undefined

Meer over