Een Bosnisch meisje (3)

Mijn verhouding met een leerling - eigenlijk kon het niet. Een collega die al langer lesgaf, zei dat hij het nog wel anders had meegemaakt, dat leraren en leerlingen in de jaren zeventig op vrijdagmiddag sámen naar de kroeg gingen 'en aan het eind van de avond met elkaar de...

Misschien was dat indertijd zo, maar ik was toen zelf nog een leerling en heb er nooit wat van gemerkt. In ieder geval lagen de zaken in de jaren negentig anders, dat voelde ik wel. Omdat ik geen zin had ergens op 'betrapt' te worden, was ik al snel naar de schoolleiding gegaan om mijn ontslag aan te bieden. Vesna was me meer waard dan mijn baan.

De conrector bleek een praktisch man. Hij vroeg of andere leerlingen het wisten en of ze problemen maakten. De klas van Vesna weet het wel, zei ik, problemen maken ze niet, nee.

'Dus ze pikken het van je?' Hij raadde mij aan nog even met mijn ontslag te wachten. 'Het is nog maar drie maanden tot het einde van het jaar. Dat red je toch nog wel?'

Ja, de leerlingen 'pikten' het van mij - en dan doel ik op de klasgenoten van Vesna. Leerlingen uit andere klassen hadden niets met Vesna en mij te maken, maar haar klasgenoten wel, al zei ik nog zo tegen mezelf van niet. Haar klasgenoten benadeelde ik. Ik kreeg het pas laat in de gaten, tijdens een proefwerk.

Ik was de klas nogal chagrijnig binnengelopen, omdat ik gezien had dat de leerlingen allemaal op hun plaats zaten, en dat was bij een proefwerk nu juist niet de bedoeling. Terwijl ik naar mijn lessenaar liep, riep ik: 'We hebben een proefwerk dames en heren... en wat doen we als we een proefwerk hebben, dan blijven we niet zitten waar we zitten maar dan gaan we allemaal apart zitten...' Met een plof zette ik mijn tas op tafel. 'Dat mag na driekwart jaar toch wel eens duidelijk zijn, mijn god...'

Ik keek Aziz en Mustafa aan. 'Kom op jongens', zei ik, en Mustafa zocht een lege bank op.

Vanuit de linkerrij wierp de Servische Sanja een schichtige blik op mij. Ze zat achter Vesna, alleen in een bank. Normaal zat ze voor Vesna, alleen in een bank. Het was duidelijk dat ze bij Vesna, die veel beter was, wilde spieken.

'Zahra', zei ik tegen een Iraans meisje, 'ga jij op Sanja's plaats zitten. Sanja, jij gaat daar zitten.'

Zahra stond gedwee op maar Sanja begon te mokken. 'Waaroem ik moet altijd weg? Waaroem niet Vesna moet weg? Ik zit hier.'

'Sanja... waarom zou het nou zo zijn dat jij altijd weg moet? Zou het misschien zijn omdat jij altijd bij Vesna spiekt, dat jij daarom weg moet?'

Mijn toon was pesterig en sommige leerlingen lachten. Sanja stond onwillig op. 'Oe bent veranderd, oe weet niet maar oe bent veranderd!', schreeuwde ze terwijl ze naar Zahra's plaats liep.

'Ja Sanja', zei ik, feller nu, 'ik ben veranderd omdat jij veranderd bent. De eerste paar maanden deed je nog wat, nu doe je niets meer.'

'Dat is omdat oe bent niet meer aardig.'

'Nee, ik ben niet aardig voor een klas die niets doet. Ik ben alleen aardig voor een klas die hard werkt. En nu je mond dicht graag.'

Terwijl de leerlingen hun proefwerk maakten, dacht ik na over wat Sanja had gezegd. Ik was inderdaad humeurig de laatste tijd, sneller geïrriteerd dan vroeger. Omdat de klas niet meer hard werkte? De werklust van de eerste maanden was wel op, bij de meesten. Maar was dat de reden?

Aziz keek op. Hij glimlachte, wat meewarig, en ik glimlachte terug. Zijn glimlach, begreep ik, was bedoeld als steun in de strijd tegen de eeuwig rebelse Sanja.

Eigenlijk verbaasde het me dat Aziz loyaal bleef. Aziz was een enorme streber en zijn grootste concurrent, Vesna, begon een voorsprong op te bouwen, makkelijker Nederlands te spreken - omdat ze zoveel met mij omging, natuurlijk. Soms zelfs verbeterde ze hém in de klas, wat pijn moest doen. Toch leek hij jegens mij geen wrok te koesteren.

En dat deed me goed, dat Aziz nog altijd aan mijn kant stond - ik schrok toen ik merkte hóe goed. Had ik zijn steun dan zo hard nodig?

Langzaam begon me te dagen dat ik bang geworden was van deze klas. Dat ik me kwetsbaar voelde door mijn verhouding met Vesna, bang was voor verzet, dat mijn humeurigheid, mijn chagrijn, bedoeld waren om het deksel op de ketel te houden, om onvrede te onderdrukken.

Dat ik bezig was terreur uit te oefenen.

Dat ik inderdaad veranderd was.

Meer over