Een borst hier, een klodder daar

De Rotterdamse Kunsthal verspreidt ronkende advertentieteksten. Komt dat zien! Nooit eerder zijn er in Nederland zoveel Picasso's bijeengebracht. Maar doet de expositie ook recht aan het kwistig genie dat Picasso was?...

HET is de achteloosheid die zijn meesterschap verraadt. Zoals in het geval van de geit Esmeralda, die in de tuin van de Zuid-Franse villa La Californie gras mag eten maar geen bloemen of prikstruiken, en dus met een touw wordt vastgebonden aan een hobbezakkerig geitenbeeld. Want dat is handig: de staart van het bronzen sculptuur staat rechtovereind en vormt daarmee een ideaal houvast voor Esmeralda's touw.

In 1957 stond dit brons nog voor de deur van Picasso's villa bij Cannes, dat bewijst althans een foto uit dat jaar. Tegenwoordig staat de geit op een sokkel in het Museum of Modern Art in New York. Niks geen wind, geen stof ruist meer om haar heen, geen zon blakert nog haar vel, geen regen oxydeert haar korstige flanken. Maar iedereen die die foto van veertig jaar geleden kent, zal in dit beeld weer het monument van onverzettelijkheid herkennen dat het als bij toeval werd - door de hand die de lus van Esmeralda's touw om de staart van de bronzen geit wierp.

Maar toeval bestaat niet; achteloosheid bij grootmeesters is een schijnvertoning, bedoeld om te vermaken, te verbazen, te misleiden. Zeker bij Picasso, die de trouvaille, het vinden, tot leidmotief van zijn leven en zijn werk maakte - in weerzin van het modieuze en volgens hem tot slordigheid leidende 'onderzoek' in de kunst. Voorál bij Picasso, die meer schilderijen, beelden, tekeningen, etsen, litho's, keramieken potten, vazen en drinkbekers maakte dan welke andere kunstenaar ook. En daarmee de verdenking op zich laadde van een genie dat té kwistig met zijn talenten omsprong.

Zijn - incomplete - catalogue raissonnée, opgesteld door Christian Zervos, omvat 33 delen. Het aantal tekeningen dat hij maakte, nadert de negenduizend (ter vergelijking: de arbeidzame Cézanne maakte er in zijn lange leven bijna 1900), het aantal schilderijen loopt in de duizenden. Picasso wenste zijn meesterschap niet 'in der Beschränkung' te tonen. Hij werkte snel, maar nam vooral snel esthetische beslissingen: deze borst hier, in deze kleur, dit oog daar naast die mond, dit krantenknipsel op papier gelijmd naast die lijn. Delacroix merkte eens op dat een goede tekenaar een uit het raam springende man op papier kon zetten voordat hij de grond raakte. Picasso kon meer: de gedachte aan die springer alleen was voor hem afdoende.

Kijk naar een surrealistisch-kubistisch portret als La dormeuse au miroir uit 1932 - het hangt nu op een Picasso-tentoonstelling in de Kunsthal in Rotterdam - en bewonder de grootse achteloosheid die Picasso hierin aan de dag legt. Het schilderij is een portret van de toenmalige minnares Marie-Thérèse, Picasso's blonde muze. Haar lichaam is opgedeeld in streng begrensde organische vormen. Alles is strak en afgewogen aan dit schilderij, hoe poëtisch het motief ook is - elke penseelstreek is overdacht, elk vlak nauwgezet ingekleurd en afgezet tegen een ander vlak: de paarse rok tegen de perzikroze armen, de donkergele spiegellijst tegen de roomwitte achtergrond. Maar dan kom je aan het gezicht en is daar ineens een ruitvormige klodder die een oog voorstelt en een nerveuze arabesk, die neus, mond en alle stukjes van het gezicht daarboven en daaronder verbeeldt. Wie goed kijkt, ziet dat de gelaatstrekken nergens op lijken. Wie beter kijkt, ziet dat in twee enkele vegen een wezen verrijst: de kinderlijk naïeve, maar oh zo erotische slaapster, die Marie-Thérèse was.

In dat beheerste gebruik van contrasten, in die uitgekiende nonchalance, toont zich het meesterschap. Dat weet iedere klunsschilder die nog nooit een spontane veeg ergens op heeft kunnen laten lijken. Maar Picasso is meer. Hij en zijn kompaan Georges Braque dwingen nog steeds bewondering af met de 'kubistische kaakslag' die ze de traditionele, naturalistische kunst toedienden. En retrospectieven van Picasso blijven onverminderd duizelingwekkend, vanwege die veelheid aan stijlen en variëteiten die de meester hanteert. Hij is ingetogen in zijn constructivistische gitaar-stillevens, maar expressionistisch in de Guernica. Hij toont zich koel en beredeneerd in de monumentale, 'romaanse' portretten van zijn vrouw Olga met hun zoontje Paulo (in het begin van de jaren twintig), maar is veertig jaar later vrolijk en vol caprice in zijn verwerking van oude meesters.

Niets hoeft bij Picasso tot een vast omschreven, abstract ideaal te leiden, zoals Mondriaan of Malewitsj nastreefden. Termen als 'evolutie' of 'lineaire ontwikkeling' lapt hij met Andalusische zwier aan zijn laars. Hij is de vleesgeworden superlatief.

Dat is op heel veel tentoonstellingen de afgelopen decennia te zien geweest. Alleen al de laatste tien jaar hebben de Tate Gallery in Londen, het Museum of Modern Art in New York, de Nationalgalerie in Berlijn, en niet te vergeten Picasso's belangrijkste 'thuismuseum' in Parijs met grote retrospectieven aandacht besteed aan deelgebieden van zijn oeuvre. En hoeveel en hoe vaak er wel niet over Picasso is geschreven (de bibliografie telt naar schatting vijfduizend boeken), toch slaagden ze erin nieuw licht te werpen op bijvoorbeeld de rol van het portret in Picasso's oeuvre, of het innig verband tussen zijn beelden en schilderijen.

Verwacht zoiets vooral niet bij het 'grootse retrospectief' dat de Kunsthal organiseert, al heeft men in Rotterdam de afgelopen maanden hard zijn best gedaan om die indruk te wekken. Buitengewoon royaal waren de advertenties die in dagbladen en tijdschriften 'de grootste Picasso-tentoonstelling ooit in Nederland gehouden' aankondigden. Reserveren wordt aangeraden, sinds zo'n twee maanden, vanwege de 'verwachte grote toeloop' op de zeventig stuks keramiek van de meester, de tweehonderdvijftig werken op papier uit Nederlands museaal bezit, de ruim tachtig schilderijen en foto's. De circa vierhonderd werken tezamen - inderdaad meer dan er ooit bij elkaar in Nederland te zien is geweest - schetsen een beeld van zijn oeuvre en van zijn privé-leven. Maar wat voor beeld - dat is de vraag.

Een goede vingerwijzing verschaft de catalogus, uitgegeven door Waanders. Een armzalig platenboek, nu al rijp voor de ramsj. De 21 bladzijden tekst in dit boek zijn afgedrukt in een formaat letters waarmee iedere bijziende uit de voeten kan. De auteurs, Kunsthal-directeur Wim van Krimpen en de Britse kunsthistoricus James Hyman, bieden in hun oppervlakkige bijdragen de leek geen soelaas - want geen overzicht. En de gevorderde Picasso-kenner moet zich door clichés heenworstelen als: 'Samen verlegden Picasso en Braque de grenzen van de kunst', of: 'Voor een schilder is er niets vreselijkers dan een leeg doek' (een uit z'n verband gerukte uitspraak van Picasso zelf), of deze: 'In de donkere dagen van de Tweede Wereldoorlog bleef Picasso het stilleven gebruiken om zijn angsten en zorgen te uiten.'

Maar behalve dergelijke platitudes bevat het verhaal van Hyman ook merkwaardige lacunes. Waarom blijft bijvoorbeeld Cézanne ongenoemd in het rijtje kunstenaars die Picasso hebben beïnvloed? Cézanne niet noemen als geestelijk vader van Les Demoiselles d'Avignon (1907) is net zoiets als pannenkoeken bakken zonder meel. Waarom wordt, in het hoofdstukje 'Familie', de indruk gewekt dat Picasso in 1923 zijn zoontje Paulo schilderde (als Pierrot), en vervolgens pas dertig jaar later zijn familie weer afbeeldde? Waarom blijft de prachtige monumentale reeks die Picasso in 1921 van Olga en Paulo schilderde, en in 1938 van Maya en Marie-Thérèse, ongenoemd?

Het antwoord is ordinair. Ruim driekwart van de aan de Kunsthal uitgeleende schilderijen is afkomstig van de Britse kunsthandel Helly Nahmad - een bekend op- en verkoper van Picasso's - en van de particulieren die via deze kunsthandel schilderijen hebben verworven. Zo figureert de Kunsthal in de 'grootste Picasso-tentoonstelling ooit in Nederland gehouden' vooral als uithangbord voor Nahmad. En aan Hyman, de kunsthistoricus, de opdracht van deze kunsthandel om een verhaal te breien rondom de werken die Nahmad bezit.

Maar de verzameling van Nahmad is geen complete collectie, die de belangrijkste periodes uit Picasso's leven aan de hand van topvoorbeelden dekt. Dat merk je op de bovenste verdieping van de Kunsthal, waar zesentachtig schilderijen verenigd zijn, waarvan zeven uit museaal, Nederlands bezit. Nahmad handelt zo'n dertig jaar in Picasso's: hij begon dus eind jaren zestig, toen de mooiste en belangrijkste werken van Picasso allang een bestemming in de grootste musea ter wereld hadden gevonden, inclusief de musea in Nederland.

En dus is wat de Kunsthal aan schilderijen toont, niet zonder meer slecht, maar beslist van minder allooi. De portretten die Picasso van zijn geliefde Marie-Thérèse maakte, in de jaren dertig, halen het bijvoorbeeld niet bij het vrolijke, sensuele meesterwerk dat het Museum of Modern Art in New York bezit. Zo valt op dat ook van andere periodes in Rotterdam net de iets minder kleurrijke, intieme, imposante en ontroerende versies hangen. Een paar uitzonderingen zijn er wel, zoals Femme assise en costume rouge sur fond bleu uit 1953, een indringend psychologisch portret waarop het gezicht van Picasso versmelt met dat van zijn geliefde Françoise Gilot.

Wie het parcours aflegt dat ontwerper Wim Crouwel rondom de schilderijen heeft gebouwd en het 'platenboek' doorleest, kan niet anders dan teleurgesteld zijn over zoveel poeha en zo weinig kunsthistorische expertise die hier tentoon wordt gespreid. De Kunsthal wil Picasso graag presenteren als 'kunstenaar van de eeuw'. Dat de hal daarvoor leunt op particuliere bruikleengevers is een noodzaak. Grote internationale musea staan hun waardevolle Picasso's niet af aan een instelling als de Kunsthal, die geen eigen collectie bezit en dus ook niets in retour kan aanbieden.

Wel laakbaar is dat de hal geen enkele moeite lijkt te hebben gedaan om gedegen onderzoek voor deze tentoonstelling te (laten) verrichten. Alles is al gezegd over Picasso, is de banale boodschap die de Kunsthal zijn publiek geeft. En daarmee reduceert hij de kunstenaar tot het cliché van de eeuw.

Meer over