'Een bofje' voor het Stedelijk

Het Stedelijk Museum in Amsterdam bezit sinds 1958 een beroemde collectie schilderijen, tekeningen en theoretische kaarten van Kazimir Malevitsj, een van de grootste abstracte kunstenaars van deze eeuw....

BIJ HET nieuws over de schikking tussen het Museum of Modern Art in New York en de erfgenamen van Malevitsj vorige week, stond een plaatje van het schilderij dat het Amerikaanse museum afstaat. De krantenlezer zag een uit z'n voegen getrokken kruis, een rood-zwarte pleister op een vaalwitte achtergrond. Een op het oog eenvoudig schilderij, dat veertien miljoen gulden waard is.

In het Stedelijk Museum in Amsterdam hangen veel van zulke eenvoudig uitziende schilderijen van Kazimir Malevitsj. Suprematisme is zo'n schilderij. Het stelt een wolkig wit kruis op een lichtgrijze achtergrond voor. De verzekeringswaarde van het doek is 15 miljoen gulden, althans voordat de 'performance kunstenaar' Aleksandr Brener het doek twee jaar geleden met een gifgroen dollarteken bespoot. Een ander schilderij met twee zwarte en vijf rode balken, Suprematisme nr. 50 uit 1915, is verzekerd voor 12 miljoen gulden. De schilderijen zijn kunsthistorisch van groot belang.

Het zijn representanten van het suprematisme, de kunststroming die door Malevitsj in 1915 op een tentoonstelling in Petrograd, het toenmalige St. Petersburg, de wereld werd ingeblazen. De nieuwe, abstracte schilderkunst van Malevitsj ging niet langer over 'bomen, bergen, en mensen', zoals de kunstenaar zelf eens schreef, maar schonk het oppergezag aan 'vorm, kleur en verfhuid'.

Om tot die 'suprematie van de zuivere ervaring in de beeldende kunst' te komen, had Malevitsj een lange ontwikkeling doorgemaakt. Zijn vroegste schilderijen waren impressionistisch, daarna schilderde hij neo-primitivistisch, kubistisch, 'alogistisch' en suprematistisch. Van die hele ontwikkeling bezit het Stedelijk voorbeelden. Schilderijen, tekeningen, gouaches, educatieve kaarten. Een schitterende collectie, die een van de topattracties van het museum vormt. Ruim veertig jaar geleden besefte de toenmalige directeur Willem Sandberg zeer wel dat hij 'een unieke verzameling' in de wacht sleepte.

Hij kocht de collectie in 1958 voor 100 duizend mark. Het was een bedrag dat het aankoopbudget van het museum fors te boven ging en waarvoor de Gemeente Amsterdam haar goedkeuring moest verlenen. Maar toen wethouder A. de Roos van Cultuur eenmaal inzag dat één schilderij van Malevitsj al even veel waard was als het bedrag waarvoor Sandberg de collectie en bloc had gekocht, ging hij overstag.

Sandberg liet in het jaar van de aankoop de verzameling al voor het tienvoudige verzekeren - een bedrag van 1.023.000 gulden. Zijn adjunct-directeur Hans Jaffé sprak over de koop als 'een bofje'. En Sandberg zelf schreef in 1958, vanuit zijn vakantieadres in Ascona, aan Jaffé verbaasd, 'hoe spotgoedkoop we de collectie Malevitsj hebben'.

Maar de verwerving was niet zonder slag of stoot gegaan. Jarenlange onderhandelingen gingen eraan vooraf met de Duitse architect Hugo Häring, die de verzameling Malevitsj sinds 1927 beheerde en tot vlak voor zijn dood vond dat hij niet het recht tot verkoop had.

Biberach is een klein stadje in Baden-Württemberg, vlak bij Ulm. Het is de geboorteplaats van de Bauhaus-architect Hugo Häring, die in de jaren twintig en dertig in Berlijn woonde. Toen tijdens de Tweede Wereldoorlog de luchtaanvallen op de hoofdstad begonnen, keerde hij terug naar het rustige plaatsje.

Häring smokkelde een geheimzinnige schat met zich mee: een verzameling doeken (waarvan sommige van het spieraam gehaald en opgerold) en tekeningen van Kazimir Malevitsj. In nazi-Duitsland was het bezit van deze 'entartete' kunst levensgevaarlijk. Häring verborg de kunstwerken zo goed hij kon in zijn huis. Geld voor conservering bezat hij niet.

Malevitsj had de verzameling in 1927 aan Häring in bewaring gegeven, toen hij ineens werd teruggeroepen naar Moskou. Niemand weet wat de reden van dit overhaaste vertrek is geweest. Malevitsj zat immers midden in een succesvolle tentoonstelling in Berlijn, en oorspronkelijk waren zijn plannen gericht op een verdere tournee door het Westen, opdat zijn werk ook hier bekend zou raken. Maar de kunstenaar slaagde er nooit meer in de Sovjet-Unie te verlaten. Onder het Stalin-regime werd hij gevangen gezet en zijn abstracte kunst werd taboe verklaard. Häring hoorde niets meer van Malevitsj, noch, na diens dood in 1935, van zijn nazaten.

Dit was de geschiedenis die Hans Jaffé na de oorlog ter ore kwam. Jaffé was adjunct-directeur van het Stedelijk Museum en reisde in opdracht van de Nederlandse overheid door Duitsland om kunst terug te halen die door de nazi's uit Nederland was geroofd.

'Het kan zijn dat mijn man Sandberg mondeling op Biberach attendeerde, maar een bewijs heb ik niet', zegt Elly Freem, Jaffé's weduwe, die in Amsterdam woont. 'Ze schreven elkaar nooit. Hooguit een kaartje vanaf hun vakantieadres.' Wel zegt zij dat Jaffé samen met Sandberg 'verschillende keren' bij Häring op bezoek is geweest om de collectie Malevitsj te bekijken. 'Hij kwam daar altijd heel opgetogen van terug.'

In het persoonlijk archief van Jaffé dat, compleet met kattebelletjes en liefdesbrieven, bewaard wordt in het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag, is geen spoor te vinden over de collectie Malevitsj in Biberach. Anders is dit in het archief van het Stedelijk Museum en het Amsterdams Gemeentearchief. De aankoop van de Malevitsj-collectie omvat daar dikke dossiers.

Het eerste bezoek dat Sandberg en Jaffé aan Häring afleggen, dateert van 1951. Bij die gelegenheid heeft Häring aan Sandberg en Jaffé 'de mooie verzameling van Malevitsj' getoond. Het moet een aangenaam verpozen zijn geweest, als we een brief van Jaffé uit 1952 mogen geloven. Jaffé's brief is in respectvol hoogduits gesteld, een tikkeltje onderdanig van toon. Maar Jaffé komt dan ook met een verzoek: of Härings verzameling 'een keer' in het Stedelijk getoond kan worden. Alle kosten van transport, bespanning van de doeken en eventuele restauratie, zijn 'graag' voor rekening van het museum.

Häring aarzelt, en geeft geen antwoord - drie jaar lang. Is hij bang dat de collectie, die hij met gevaar voor eigen leven bij elkaar heeft gehouden, uit elkaar zal vallen? Dat het Stedelijk zich de kunstwerken wederrechtelijk zal toeëigenen? Het antwoord hierop is niet te vinden. De briefwisseling in het archief van het Stedelijk stokt, en begint pas weer in 1955.

Tegen die tijd is het bestaan van de Malevitsj-collectie in Biberach tot aan de overkant van de Atlantische Oceaan bekend geworden. Vier museumdirecteuren, onder wie Sandberg, stellen Häring voor om een tentoonstelling van 'zijn' verzameling te organiseren, waarvoor zij alle kosten zullen dragen.

Häring reageert niet. Hij sukkelt erg met zijn gezondheid. In een brief aan de beeldhouwer Naum Gabo, die Malevitsj nog gekend heeft, schrijft Sandberg: 'Wij hebben Häring in Biberach bezocht en zijn erg geschrokken van de verandering in zijn gezondheid sinds wij hem vier jaar geleden zagen. Häring is een nogal aftandse grijsaard geworden, die begrijpt dat hij snel sterven gaat.' Hij zal in 1958 overlijden.

Sandberg krijgt de indruk dat Häring in geldnood zit. Hij merkt dat Häring met verschillende musea in Engeland en de Verenigde Staten in onderhandeling is. Maar waarover precies wordt Sandberg niet duidelijk. 'We zijn drie keer bij hem geweest, voordat we überhaupt met hem konden praten.' Maar 'na een half uur was hij zo moe dat hij begon te huilen.'

Zowel Häring, als Sandberg en Gabo beseffen dat het tijd is om zaken definitief te regelen, wil de collectie niet in handen van een 'wolfsbende kunsthandelaren en speculanten' vallen, zoals Gabo stelt.

'Waarom staat Häring de collectie niet af?' vraagt Gabo aan Sandberg. 'Er moet iets gebeuren (. . .), we moeten duidelijk maken dat wij bereid zijn om de strijd aan te gaan - mochten ze misbruik willen maken van een zwakke man en in het bezit zouden komen van eigendom dat noch aan Häring, noch aan iemand anders, maar alleen aan de rechtmatige erfgenamen toebehoort.'

Van de nazaten van Malevitsj was nooit meer iets vernomen. Midden in de Koude Oorlog was contact met burgers in de Sovjet-Unie uitgesloten, en het zag er niet naar uit dat dit ooit zou veranderen. Malevitsj' kleindochter, die nog leeft, vertelde een paar jaar geleden hoe angstvallig zij verborgen hield dat zij familie van de beroemde kunstenaar was. 'Mijn man verbood mij ook maar aan iemand te vertellen dat Malevitsj mijn grootvader was. Dat kon in die jaren niet.'

Sandberg doet Häring in februari 1956 een voorstel. De collectie komt als bruikleen naar het Stedelijk, in ruil waarvoor Häring, en na zijn dood zijn vrouw, twaalfduizend mark lijfrente per jaar krijgen. In het museum zullen de kunstwerken gerestaureerd worden, en door middel van internationale tentoonstellingen zal Malevitsj de naam krijgen die hij verdient.

Een bruikleencontract, schrijft Häring in maart 1956 aan een Amerikaanse vriend, 'omzeilt de enigszins moeilijke eigendomsvraag'. Maar bij het opstellen van het contract komt die kwestie toch op, vermoedelijk omdat Häring zijn dood voelt naderen en vreest dat de collectie uiteen zal vallen als hij niets regelt. Op de achtergrond speelt mee dat Häring zijn vrouw, de actrice Roma Bahn, verzorgd wil achterlaten.

Bij alle partijen bestaat twijfel over het eigendomsrecht. Bij Häring, die tot dat moment ervan is uitgegaan dat hij slechts de beheerder van de verzameling is; bij bemiddelaar Gabo die in brieven schrijft dat Häring geen afstand wil en kan doen van de kunstwerken; en bij Sandberg zelf.

In mei 1956 stuurt Häring een ontwerp-overeenkomst naar Amsterdam. In punt zes staat ineens dat de jaarlijkse bruikleenbedragen als aanbetalingen zullen gelden, indien het Stedelijk ertoe overgaat de Malevitsj-collectie te kopen. Sandberg is verbaasd. In de marge schrijft hij in het Duits: 'Onder welke voorwaarden zouden wij de verzameling kunnen kopen, gezien het feit dat de heer H. wel het bezit, maar niet het eigendom kan overdragen?' Daaronder noteert hij in het latijn de rechtsregel: 'Niemand kan meer rechten aan een ander overdragen dan hij zelf heeft.'

Häring verzekert Sandberg dat hij de wettige eigenaar is. Daarvan heeft notaris Ernst Böhme hem overtuigd. Ten bewijze stuurt Häring de akte op, waarin zijn eigendomsrecht wordt bevestigd. De akte ligt behalve in het Stedelijk Museum ook ter inzage in het archief van Ernst Böhme in Duitsland.

Dit document zal binnen afzienbare tijd de crux gaan vormen in de onderhandelingen tussen vertegenwoordigers van het Stedelijk Museum en de advocaten van de erfgenamen van Malevitsj. Het is een 'Gutachtliche Äusserung' - een juridisch advies, dat op 14 juni 1956 is opgesteld door Böhme, die behalve notaris ook de zwager van Häring is.

Böhme bestempelt Häring op meerdere gronden tot wettige eigenaar van de Malevitsj-verzameling. De redenering is ingewikkeld en lastig te interpreteren. Böhme baseert zich op verklaringen die Häring en diens secretaresse in mei 1956 onder ede bij hem hebben afgelegd. 'Deze verklaringen zijn geloofwaardig', schrijft Böhme, 'en worden voor zover mij bekend is, door niemand bestreden.'

Volgens die verklaringen zou Malevitsj, toen hij in 1928 Berlijn verliet - het jaartal klopt niet, want in werkelijkheid verliet Malevitsj Berlijn al in 1927 -, zijn collectie in handen van Häring hebben overgedragen, met deze boodschap: mocht Malevitsj sterven, dan moest Häring zich als rechtmatige eigenaar beschouwen. Deze belofte is weliswaar nergens vastgelegd, maar niemand bestrijdt haar. Doordat Malevitsj zijn werk bij Häring heeft achtergelaten, deed hij in feite een schenking. Daarom, concludeert Böhme, is Häring sinds 1935, het jaar waarin Malevitsj stierf, eigenaar.

Maar pas sinds 1945, vervolgt Böhme, is 'Häring zich van deze rechtssituatie bewust, en dus bezit hij sinds die datum de werken in goed vertrouwen en als hem toebehorend.' Volgens de Duitse wet is Häring met ingang van 1955, vanwege de verjaringstermijn van tien jaar,'rechtmatig eigenaar' geworden.

Er kleven twee problemen aan deze akte. Allereerst heeft Häring nooit eerder gerept van een 'afspraak' tussen hem en Malevitsj. Verder is er het probleem van de partijdigheid. Böhme was de broer van Härings vrouw, en of híj de aangewezen notaris was om op basis van een onder ede uitgesproken, maar niettemin twijfelachtige verklaring, zijn zwager tot rechtmatige eigenaar van de 'schat van Biberach' te bestempelen, is de vraag.

Sandberg liet de kwestie destijds door de jurist Piet Sanders onderzoeken. 'Zoals u weet', schreef Sandberg, 'is mijn grote vrees dat de opmerking van Häring dat de collectie sedert 1955 volgens de Duitse wetgeving in zijn bezit is overgegaan, onjuist is.' Sanders stelde Sandberg gerust. Toch bleef de twijfel aan hem knagen, nog lang nadat de overeenkomst was getekend. Hij schrok van wat Nadia Léger, de Russische echtgenote van de Franse kunstenaar, hem vertelde: ze beschikte over het 'testament' van Malevitsj, maar wilde hem niet vertellen wat erin stond.

Een half jaar later haalde Sandberg opgelucht adem. Een vriend van Sandberg had het 'testament' gelezen. Het zou slechts gaan om Malevitsj' artistieke credo, een resumé van zijn theorieën. 'Dus we zouden ons geen zorgen hoeven maken', schreef Sandberg aan zijn vriend Gabo. Dat was 31 januari 1958.

Meer over