Een blikje vol Amerikaansheid

Gjergj Pilika weet nog precies wanneer hij zijn eerste Coca-Cola dronk: dat was in 1988. Albanië had de deur op een kier gezet voor buitenlanders, om te voorkomen dat de economie helemaal zou instorten, en het was Gjergj gelukt te mogen vertalen voor Duitse ingenieurs die nieuwe machines in een...

Thuis bekeek Gjergj het blikje van alle kanten. Hij zag het lipje zitten, maar ho, hij kon het er niet afpeuteren, een plakkertje was het niet. Na een tijd besloot hij met een spijker een gaatje in het deksel te maken en kon hij zich een glas van het bruisende vocht inschenken.

Coca-Cola was in alle landen achter het IJzeren Gordijn een symbool, maar nergens was de betekenis zo groot als in Albanië. Het Balkanlandje was tientallen jaren afgesloten geweest van de rest van de wereld. Als ze stiekem naar de Italiaanse televisie keken, watertandden ze als kinderen voor de etalage van een snoepwinkel. De Albanezen hadden een onstilbare honger naar het Westen.

Nu, vijf jaar later, staat er even buiten Tirana een cola-bottelarij. Het is alsof er een buitenaards ruimteschip in de armoede van Albanië is geland. De glimmende fabriekshal, de vulmachine die 24 duizend flesjes per uur doet, de flesjes zelf, het cola-concentraat, en fabrieksmanager Francisco de Candia - een man met de hartelijkheid die past bij het cola-imago - zijn allemaal aangevoerd uit het buitenland. Alles behalve het water. Maar dat wordt gezuiverd en gedesinfecteerd met chloor, zodat de cola straks exact dezelfde smaak heeft als in de rest van de wereld.

Met 50 miljoen gulden is de bottelarij nog steeds de grootste investering in Albanië sinds de val van het communisme. De opening, in 1994, ging gepaard met veel poeha. Voor de gelegenheid werd een vliegtuig vol buitenlandse journalisten aangevoerd.

De Albanese president Berisha knipte het rood-witte lint door en sprak: 'I like Coca-Cola'.

De oppositiekrant Gazeta Shqiptare schreef: de opening is een stap in de richting van de vernietiging van de ideologische muur.

En de Amerikaanse president-directeur heette Albanië welkom in de wereldwijde Coca-Cola-familie. Hij had iets van de missionaris die zijn beste bekeerling naar voren schuift om te laten zien hoe groot de macht van zijn god is.

Drie jaar na dato denkt bottelarijbaas De Candia alweer aan uitbreiden, hij krijgt de cola niet aangesleept. 'Zoals wij Italianen allemaal een pak van Armani willen, verlangen alle Albanezen naar een flesje Coca Cola.'

Coca-Cola verkoopt natuurlijk vooral Amerikaansheid, net als Marlboro en McDonald's. Aan de brede boulevard in het centrum van Tirana prijst een lichtreclame aan: WELCOME TO bar AMERICA. Binnen in de bar, in het halfdonker vanwege de getinte ruiten: obers met stars-and-stripes-dassen, wildwest-schilderingen op de muren, Griekse namaak-pilaren, weelderige plastic planten, diepe mosgroene fauteuils, spiegelwanden, suizende air-conditioning, zwijmelmuziek, klaterende gesprekken en op tafels koffie, cognac en cola. Amerika is voor de Albanezen geen geografisch maar een metafysisch begrip, het land van melk en honing.

Natuurlijk ben ik er trots op dat ik voor Coca-Cola werk, zegt Emira Pelingu. Haar collega-chemici uit de tijd dat ze bij de metallurgische gigant Staal van de Partij werkte, staan tegenwoordig op straat rommel te verkopen. Zij is het hoofd van het laboratorium dat de cola-kwaliteit controleert en daarvoor krijgt ze het dubbele van een gemiddeld Albanees maandloon, naar Europese normen nog altijd een schijntje. Zelfs tijdens de plunderingen en de wilde schietpartijen in maart is ze geen dag thuis gebleven.

Terwijl staatsbedrijven in de buurt werden leeggeroofd, heeft de colafabriek op een paar gaten van verdwaalde kogels na geen schade geleden. President Berisha had een pantserwagen met vier agenten gestuurd om de fabriek te beschermen, maar die waren nog banger dan de mensen in de bottelarij. Uiteindelijk waren het de werknemers onder leiding van directeur Francisco de Candia - een ex-marine-officier - die hun fabriek verdedigden tegen de plunderaars.

Ik heb er lang over nagedacht waarom de Albanezen ons bedrijf wel hebben beschermd, terwijl de plunderaars verder bijna overal in Albanië hun gang konden gaan, zegt De Candia. Ze geloven in Coca-Cola als teken van vrijheid en democratie. Politiemannen beschermden hun bureaus niet omdat ze niet geloofden in de staat. Onze trucks zijn het hele oproer door gewoon blijven rijden. Coca-Cola was een soort wachtwoord, bij alle barricades werden ze doorgelaten.

De directeur vertelt niet de hele waarheid. De Albanese staat had Coca-Cola de grond voor de bouw van de bottelarij voor een symbolisch bedrag verkocht. Het probleem was dat de grond na de Tweede Wereldoorlog door de communisten was onteigend en dat de oude eigenaars, de familie Loca, na de democratische omwenteling hun bezit terug verwachtten. In plaats daarvan was de cola-fabriek verrezen. De vijfendertig mannelijke leden van de familie Loca waren met de kalasjnikov in de hand compensatie komen eisen. Om te beginnen, wilden ze alle auto's en vrachtwagens meenemen die bij de fabriek stonden geparkeerd, inclusief de Londense dubbeldekker die ooit voor een reclamecampagne had gediend. Pas toen de directeur aan het hoofd van de familie beloofde dat hij zijn invloed bij de president zou aanwenden voor compensatie voor hun grond, sloeg de stemming om. Uit erkentelijkheid betrokken de Loca's posities rond de fabriekshal en zetten op het dak, naast het metershoge cola-flesje, een antieke maar grote mitrailleur op een driepoot, om andere plunderaars af te schrikken.

Na een paar jaar ervaring met de vrije markt zijn de Albanezen niet meer zo naïef dat ze zwichten voor de magie van het merk alleen. Ze beseffen dat Coca-Cola niet bestaat om vrijheid en voorspoed te verspreiden, maar om geld te verdienen. Achteraf herinnert Gjergj Pilika zich wat hij vond van de smaak, die eerste keer dat hij in 1988 cola dronk. 'Die was eigenlijk lang niet zo lekker als ik had gedacht.'

Bart Rijs

Meer over