InterviewMilo Schoenmaker

Een bijstandsgezin en een asielzoeker onder één dak: voor COA-baas Milo Schoenmaker is dat de toekomst

In gemeenten ontbreekt geregeld het draagvlak om asielzoekers en statushouders te huisvesten. Er zijn immers genoeg andere kwetsbare personen die een woning nodig hebben. Milo Schoenmaker, bestuursvoorzitter van het Centraal orgaan Opvang Asielzoekers, pleit nu voor een radicale ommezwaai: laat die twee groepen samenwonen op één locatie.

Milo Schoenmaker: ‘Of gemeenten daar nu het etiket voorrang op plakken of niet, kwetsbaren moeten een plek krijgen.’ Beeld Kiki Groot
Milo Schoenmaker: ‘Of gemeenten daar nu het etiket voorrang op plakken of niet, kwetsbaren moeten een plek krijgen.’Beeld Kiki Groot

Het is misschien een wat wrange constatering, maar je zou kunnen stellen dat de coronacrisis voor het Centraal orgaan Opvang Asielzoekers (COA) precies op het juiste moment kwam. De asielzoekerscentra zaten mudjevol, in twee grote evenementenhallen in Goes en Leeuwarden was al noodopvang geregeld.

‘Door de coronacrisis stagneerde de instroom’, zegt Milo Schoenmaker (53), voormalig burgemeester van Bussum en Gouda en sinds januari 2019 voorzitter van het COA, de organisatie die in Nederland verantwoordelijk is voor de opvang en begeleiding van asielzoekers. ‘Dat haalde wat druk van de ketel.’

Je zou zeggen dat dit de perfecte periode was om de asielzoekerscentra (azc’s) leeg te laten stromen. Maar dat is niet gelukt. Azc’s in het hele land zitten nog altijd behoorlijk vol. Intussen neemt de instroom van asielzoekers alweer toe en moet het COA nadenken over manieren om toekomstige migratiepieken aan te kunnen.

Belangrijkste obstakel: de woningnood. Hierdoor lukt het gemeenten maar niet om vreemdelingen die een verblijfsvergunning krijgen een huurwoning toe te wijzen. ‘Op dit moment zitten bijna tienduizend vergunninghouders bij ons te wachten op een woning en meer dan de helft wacht al langer dan drie maanden’, zegt Schoenmaker vanachter een scherm in zijn thuiskantoor in Gouda. ‘Volgens de wet hadden die al weg moeten zijn.’

Statushouders krijgen voorrang op de woningmarkt. Daar is veel discussie over. Wethouders zeggen: we kunnen dit niet meer uitleggen aan andere kwetsbare inwoners die al jaren op de wachtlijst staan. Hoe kijkt u hier tegenaan?

‘Ik snap dat sentiment wel, want de druk op de woningmarkt is enorm. Veel verschillende doelgroepen zoeken een woning, en gemeenten worstelen hiermee. Maar ik wil erop wijzen dat het hier om een kwetsbare groep mensen gaat. Mensen die op de vlucht zijn geslagen en nu in azc’s in relatief sobere omstandigheden leven. Die moeten uiteindelijk een plek krijgen. Of gemeenten daar nu het etiket voorrang op plakken of niet, het moet gebeuren.

‘Het gaat overigens om een relatief klein aantal, als je kijkt naar de totale woningvoorraad en -behoefte in Nederland. Vorig jaar werd aan 156 duizend huishoudens een sociale huurwoning toegewezen. Dit jaar moeten er in totaal 24.500 statushouders een huis krijgen, verspreid over heel Nederland.’ (Ter illustratie: van de 156 duizend sociale huurwoningen die vorig jaar werden toegewezen, ging in de steden 40 tot 50 procent naar kwetsbare groepen met een urgentieverklaring en op het platteland zo’n 15 procent.)

Intussen zitten de azc’s propvol.

‘We hadden een jaar geleden nog maar honderd tot tweehonderd beschikbare bedden. Dat is wel heel krap. Zeker als je weet dat er op sommige dagen meer dan honderd personen binnenkomen. In de loop van 2020 hebben we veel gesprekken met gemeenten gevoerd en is er wat capaciteit bijgekomen. Op de meeste locaties hebben we inmiddels zo’n 10 procent van de bedden beschikbaar.’

Wat maakt het zo lastig om nieuwe locaties voor azc’s te vinden?

‘De urgentie en het draagvlak voor het opvangen van vluchtelingen zijn afgenomen. In 2015 zag je dagelijks in het nieuws stromen vluchtelingen richting Europa en Nederland trekken. Nu hoor ik geregeld: is dat nou wel echt nodig, extra plekken voor asielopvang? Of: werk gewoon die achterstanden weg, dan heb je geen nieuw azc nodig.’

Milo Schoenmaker, Bestuursvoorzitter COA. Beeld Kiki Groot
Milo Schoenmaker, Bestuursvoorzitter COA.Beeld Kiki Groot

In de politiek en in de media is geregeld aandacht voor overlastgevende asielzoekers, dat vergroot de animo natuurlijk ook niet.

‘Overlast is zeer slecht voor het draagvlak. Ik denk dat vrijwel alle partijen in de Tweede Kamer vinden dat overlast stevig moet worden aangepakt.’

Vermindert het draagvlak niet juist door al die aandacht voor een relatief kleine groep?

‘Het gaat om ongeveer drie- tot vierhonderd personen en dat is in het licht van de 26 duizend mensen die we opvangen inderdaad een relatief kleine groep. Maar daarmee wil ik het niet bagatelliseren: als het je treft, een overval of andere narigheid, dan is dat echt heel heftig.’

Er zijn gemeenten die zeggen: we willen best een azc openen, maar niet als er ‘veiligelanders’ (asielzoekers uit bijvoorbeeld Marokko en Algerije, die geen kans maken op een verblijfsvergunning) tussen zitten. Die groep is berucht om overlast en criminaliteit.

‘Dat begrijpen we. Maar daar kunnen we niet zomaar mee instemmen. We kunnen niet hebben dat gemeenten bepalen welke groepen er in hun gemeente komen wonen. Maar ik zeg er tegelijkertijd bij dat we in Hoogeveen een aparte plek hebben voor personen die veel overlast veroorzaken of crimineel gedrag vertonen. Voor jongeren met gedragsproblemen bestaan aparte opvanglocaties.’

Op het hoogtepunt van de vluchtelingencrisis in 2015 gaf Milo Schoenmaker – toen nog burgemeester van Gouda – opdracht om een oude kazerne in zijn stad klaar te stomen voor de opvang van asielzoekers. Er was plek voor vijfhonderd man, die tien jaar konden blijven. ‘Eigenlijk was alles klaar om daaraan te beginnen, en toen kwam de EU-Turkijedeal en was de boodschap: sorry, we gaan het toch niet doen.’ En nog steeds gebeurt het geregeld dat locaties op het laatste moment worden afgeblazen. Of na een paar maanden al worden gesloten. Daar wil Schoenmaker van af. ‘We willen toe naar flexibele opvang. Daar is een omslag voor nodig: we willen langjarige contracten met de gemeenten afsluiten, zodat we groei en krimp op de locaties zelf kunnen organiseren.’

Op het moment dat de instroom van asielzoekers afneemt, zal het COA de bedden die vrijkomen in samenspraak met de gemeente beschikbaar stellen voor andere kwetsbare groepen. Nu is het nog zo dat het COA een locatie bij een slinkend aantal inwoners sluit. Dat heeft met financiering te maken. Schoenmaker: ‘Het COA wordt door de overheid gefinancierd op basis van het aantal asielzoekers dat naar Nederland komt. Lege bedden worden in principe niet gefinancierd, dus dat betekent dat je bij krimp vrij snel moet handelen.’

Zou het dus kunnen dat een moeder met een bijstandsuitkering onder één dak komt te wonen met een statushouder?

‘Dat kan, als dat past. We hebben ook vaak gezinnen en daar kunnen dan andere personen bij worden geplaatst. Daarnaast hebben we veel locaties met meerdere panden. Of panden die dermate groot zijn dat we gemakkelijk een vleugel kunnen afzonderen, met een aparte ingang. Dan hak je het gebouw eigenlijk in tweeën.

‘Het COA huurt het gebouw als geheel en kan allebei de vleugels gebruiken. Als we dan vervolgens krimpen, houden we één vleugel helemaal vrij. Dan kan de gemeente daar andere personen inzetten. Daar zijn inmiddels een paar mooie voorbeelden van. In Nijmegen en Utrecht hebben asielzoekers een tijd samengewoond met studenten. In Oegstgeest is contact gezocht met Divorce Housing, een organisatie die zich inzet voor huisvesting voor mensen die gescheiden zijn.’

En wat nou als de asielinstroom plotseling toeneemt. Moet de bijstandsmoeder dan stante pede haar spullen pakken?

‘Gemeenten weten van tevoren hoelang de woonruimten benut kunnen worden. Het is niet zo dat we vrijdag bellen om aan te kondigen dat bewoners maandag al moeten vertrekken. Dat wordt maanden van tevoren vastgesteld. Het zal per gemeente en locatie verschillen welke afspraken er worden gemaakt: studenten zijn over het algemeen wat flexibeler dan gezinnen.’

De spanning blijft rondom dit thema blijft. Want ook hier geldt weer: wie heeft het meeste recht op een woning?

‘De verplichting om statushouders met voorrang te huisvesten, is al uit de wet gehaald. Het is aan gemeenten om dit wel of niet op te nemen in hun eigen huisvestingsverordening. Toch blijft de verplichting bestaan om statushouders die aan jouw gemeente zijn gekoppeld een woning te verschaffen. Daar zien de provincies op toe. Als gemeenten dan zeggen: we doen het niet meer, statushouders moeten maar achteraan aansluiten, dan komt de provincie langs om te vragen wanneer er enige vaart achter gezet wordt. Dus laten we hopen dat gemeenten de noodzaak zien om daarin te blijven bewegen. Waarbij wij ze zoveel mogelijk zullen helpen.’