Een bal en ruimte om te rennen

Op schrale grond groeit in de Verenigde Staten het voetbal. De kiem is geplant zonder de hulp van het WK....

VIER MANNEN van middelbare leeftijd trotseren de hitte en voeren een verbeten gevecht met een spandoek. De mannen winnen. Na tien minuten hangt boven Mulberry Street een plastic spandoek van forse afmetingen en trekt het bezwete viertal zich terug in de koelte van het restaurant.

Sambuca di Trevi proudly welcomes the Italian Champions. Forza Azzuri.

Tien meter verderop, ook boven Mulberry Street: Bay Ridge Auto Group welcomes the '94 World Cup Italian Soccer team.

Een jongen leurt met T-shirts. Ireland - Italy, pick a side, IRA versus Mafia, is het opschrift. De handel gaat slecht. Eén blok verder hangen andere T-shirts aan een rek, met daarop de naam en kop van Benito Mussolini.

Little Italy is de wijk in New York waarin Italianen al lang niet meer wonen, maar nog steeds doen alsof om de toeristen te behagen en geld te verdienen aan de verkoop van pizza's en pasta's. Vandaar ook de spandoeken en de vaandels met WK-teksten.

Het is in de dagen voorafgaand aan het vermeende gevecht tussen IRA en mafia in de wijk een komen en gaan van cameraploegen, op zoek naar sfeer en Italo-Amerikanen die, bij voorkeur met een accent waarmee Al Pacino en Robert de Niro rijk zijn geworden, vertellen dat Italië wereldkampioen zal worden. Of zoiets.

'Kun je misschien nog één keer Forza Italia roepen en dan je duim omhoog steken?'

En daar gaat de duim weer omhoog van de bedrijfsleider van Ristorante Marionetta. Binnen een kwartier wordt de man drie keer ondervraagd door een verslaggever van een televisiestation. Een team uit Noorwegen is als eerste ter plekke, gevolgd door ploegen uit Italië, Zweden, Canada, Frankrijk, Mexico en Ierland.

Allemaal komen ze voor hetzelfde, allemaal stuiten ze op dezelfde bereidwillige bedrijfsleider met de markante kop, allemaal ondervragen ze die ene Ierse supporter die vanwege een petje als zodanig herkenbaar is. En allemaal denken ze: als hier, in Little Italy, geen sfeerbeelden van opgewonden voetbalsupporters zijn te maken, waar dan wel?

En ze filmen die eenzame poster van Roberto Baggio op het kantoortje van een parkeerplaats, de Ier met het groene petje en het spandoek van de Bay Ridge Auto Group nog maar een keer. En allemaal zoeken ze op de verkeerde plek.

Natúúrlijk houden de Italianen in New York en New Jersey, zo'n 750 duizend in getal, van voetbal. Voor de meesten van hen blijft de liefde voor een groot deel echter onbeantwoord. 'Ik heb vier jaar geleden in Bari de drie WK-wedstrijden gezien. Daarna nooit meer een wedstrijd', bekent Giovanni Amuruso.

Hij is leerling-ober in Ristorante Marionetta. In oktober 1990, enkele maanden na het vorige WK, werd hij na zijn emigratie vanuit Bari de ober Johnny Amuruso, zoekend naar geld en geluk. Hij weet alles van het WK '90, maar kan van de huidige lichting Italiaanse internationals alleen nog de naam van Roberto Baggio opnoemen.

Italianen in New York kijken niet naar voetbal, want er is na de dood van de Cosmos weinig meer om naar te kijken. Ze voetballen wel, met honderden elftallen tegelijk, in Brooklyn vooral, Staten Island en Queens waar teams van immigranten elkaar op zaterdag en zondag in parken bestrijden en waar kinderen van hun jacks een doel maken. Er zijn ploegen uit Italië, Colombia, Rusland, Albanië, Ecuador, Honduras, Polen, Ierland, Chili, Mexico en Griekenland, onder anderen.

Voetbal in de Verenigde Staten is voorbehouden aan twee groepen, kinderen en immigranten, maar niet die uit Azië. De Amerikaanse selectie weerspiegelt dat nauwkeurig. Zeven spelers van de selectie werden buiten de Verenigde Staten geboren. Ze komen uit Uruguay, Engeland, El Salvador, Schotland, Zuid-Afrika of, zoals Ernie Stewart van Willem II, uit Veghel, Noord-Brabant of, zoals aanvoerder Tom Dooley, uit Kaiserslautern. Zes anderen zijn zonen van immigranten.

Mike Megaloudis is automonteur en jeugdcoach van de Elftehria Pancyprians, een club met acht elftallen met spelers van zes tot negentien jaar. De club speelt in Astoria, de Griekse enclave in New York, en is een bindmiddel voor de immigranten. 'Als je als Griek naar New York komt, tref je hier een stuk van je eigen land aan. Dank zij het voetbal. Onze club brengt alle Grieken samen.'

Het hoogtepunt van het jaar voor de Elftehria Pancyprians is de avond dat de persoonlijke prijzen worden uitgereikt. Met voetbal als leidraad worden op dezelfde dag straatfeesten en optochten georganiseerd. 'Het is een traditie die nooit zal verdwijnen. Zoals we onderling ook altijd Grieks zullen blijven spreken. Wij zullen nooit Amerikanen worden, en onze kinderen ook niet. Wij zijn Griekse Amerikanen en die houden toevallig van voetbal.'

Met Nicos Tsiazas, coach van de achttienjarigen, lokte Megaloudis de laatste jaren steeds meer kinderen naar de veldjes in Astoria. 'We hielden er niet van om ze maar doelloos rond te zien hangen. Nu zijn ze bezig met voetbal en verveelt niemand zich meer.'

De drie zonen van Peter Varuatsoulis spelen mee. Hij kwam in 1972 naar New York. 'Onze kinderen groeien niet in Griekenland op. Maar we letten er wel op dat ze Grieken worden. Om me heen zie ik mensen uit andere landen die zich daar niet zo druk over maken. Wij vergeten niet waar we vandaan komen. En daarom spelen onze kinderen voetbal, en geen basketbal of honkbal.'

Immigranten uit Europa, Midden- en Zuid-Amerika en hun kinderen hebben in de Verenigde Staten altijd gevoetbald. Europeanen, Engelsen vooral, organiseerden in 1876 de eerste wedstrijd tussen twee verschillende colleges. Rutgers versloeg Princeton met 6-4. Twaalf jaar later werd de American Football Association opgericht.

Voetbal bleef een sport voor de immigranten. Velen hebben zich gebogen over de vraag waarom honkbal, American football en basketbal de natie sindsdien zo heftig beroerden, en voetbal niet. Niemand wist het antwoord. Zoals ook niemand twintig jaar geleden kon voorspellen dat voetbal dé passie zou gaan worden van miljoenen kinderen, Amerikaanse jongens en meisjes, in suburban America.

Hoe rijker de buurt, hoe mooier het veld, maar het enthousiasme is overal identiek. Meer dan zestien miljoen Amerikanen, onder wie zeven miljoen meisjes, speelden in 1993 één of meer wedstrijden, een toename van acht procent. Driekwart van hen is jonger dan zestien jaar, het merendeel daarvan jonger dan tien jaar.

De winst onder de volwassenen is het grootst: 4,2 miljoen in 1993, een stijging van negentien procent. De Soccer Industry Council of America, een samenwerkingsverband van bedrijven die sportkleding en attributen produceren, maakte bekend dat voetbal in de Verenigde Staten de op drie na meest populaire sport is geworden voor de groep onder achttien jaar. Op de populariteitspoll van kinderen onder twaalf jaar blijft zelfs alleen het basketbal het voetbal nog voor.

In een speciale uitgave van het weekblad Newsweek, gewijd aan de World Cup, wordt het soccer zonder omwegen de sport van de toekomst genoemd, met de colleges en de universiteiten als aanjagers. Het blad meldt dat bij de American Youth Soccer Organisation dertigduizend teams staan ingeschreven, met 450 duizend jongens en meisjes. 'En waarom niet? Alles wat je nodig hebt is een bal en ruimte om te rennen.'

Vooral American football en honkbal krijgen klappen. Het football wordt door veel ouders te gevaarlijk geacht voor hun kroost en honkbal is voor spelers, anders dan voetbal, slechts een sport van flitsen. 'Honkbal is vervelend. Je mag slaan, maar soms lukt dat niet en dan moet je weer een hele tijd wachten. En in het veld moet je ook altijd maar afwachten of je een bal kan vangen', citeert Newsweek een elfjarige die zijn kamer heeft volgehangen met voetbalposters.

Het joch is, vanwege die posters, een uitzondering. Zonder twijfel zijn het portretten van Europese en misschien Zuid-Amerikaanse spelers die de kamer sieren. Maar waar blijven de helden van het Amerikaanse voetbal, de boegbeelden waar geen sport buiten kan, en zeker een sport in de Verenigde Staten niet?

De laatste profcompetitie in de Verenigde Staten stierf in 1991, uitgemergeld tot op het bot. Sindsdien is op televisie zelden nog voetbal te zien. Slechts voor heftige supportersrellen in den vreemde wordt een uitzondering gemaakt.

Het wachten is al jaren op een nieuwe profliga waarvan de wedstrijden door een van de grote televisiemaatschappijen worden uitgezonden. Dan komen de helden vanzelf, is de redenering.

Er bestaat in de Verenigde Staten veel scepsis over de laatste poging, geéitieerd door Alan Rothenberg, de voorzitter van het comité dat het WK organiseert. Toen de FIFA in 1988 het WK aan de Verenigde Staten toewees, werd daaraan de eis verbonden dat binnen vier jaar een levensvatbare professionele competitie, verspreid door het hele land, moest starten.

De limiet werd niet gehaald. Pas op de dag van de loting in Las Vegas, in december van het afgelopen jaar, ontvouwde Rothenberg zijn eerste plannen. Donderdag maakte hij bekend dat zeven steden zijn aangewezen. Hij moet er nog vijf uitpikken, uit een aanbod van twaalf steden. De competitie start, is het plan, in april 1995.

Voor Major League Soccer heeft zich, op een drietal sportzenders na, nog geen enkele sponsor gemeld. 'Het is hier eenvoudiger om een wereldkampioenschap te organiseren dan een profcompetitie', zei woordvoerder Guido Tognoni van de FIFA donderdag.

Rothenberg heeft zijn plannen sinds december 1993 flink moeten bijstellen. Van investeerders werd aanvankelijk tien miljoen dollar gevraagd en het startkapitaal van de nieuwe liga zou honderd miljoen dollar bedragen. Beide bedragen zijn gehalveerd. Iedere stad moest tienduizend seizoenkaarten kunnen verkopen. Nu is Rothenberg al met vierduizend tevreden.

Een centrale directie zal aan eigenaren een vergunning verstrekken om mee te mogen doen. De salarissen krijgen, om de uitwassen van vroeger te voorkomen, een bovengrens en de clubs worden verplicht tot het geven van clinics op scholen. Overal zal op gras worden gespeeld, in stadions met een capaciteit van hooguit dertigduizend plaatsen. Het schrikbeeld, aangewakkerd door de flops uit het verleden, zijn wedstrijden in veel te grote American football-stadions waarin veel te weinig mensen zitten.

Aan de muur van het kantoor van Clive Toye hangt een grote foto van een vol Giants-stadion, destijds de thuisbasis van de New York Cosmos. Met de hand staat onder de foto geschreven: '68.454 redenen waarom het de moeite waard was.' Het is een afscheidscadeau van een medewerker voor Toye, zeven jaar lang voorzitter van de Cosmos, de club die eind jaren zeventig vermaard was.

En dat niet alleen vanwege het feit dat Henri Kissinger, Mick Jagger, Barbra Streisand en Robert Redford zich op de tribunes nestelden en dat in de kleedkamergangen Steven Spielberg de spelers aan het lachen maakte met het lichtgevende vingertje van ET, hoofdpersoon in zijn gelijknamige film. Met de komst van Beckenbauer en vooral Pele naar New Jersey, werd Cosmos de club van het grote publiek.

In 1977, met een wedstrijd tegen zijn oude ploeg Santos, beëindigde Pele zijn loopbaan. Ruim 77 duizend mensen waren erbij. Een jaar later brak Cosmos een magische grens, die van een miljoen toeschouwers bij uit- en thuiswedstrijden.

Als een van de weinige clubs in de toenmalige NASL keek Cosmos vooruit. Toye: 'Onze coach Gordon Bradley ging elke maandagavond met twaalf ouders aan de slag om duidelijk te maken wat voetbal was. Later werden de spelers ingeschakeld en hadden we soms wel veertig cursussen per week.' Andere clubs namen die moeite niet.

'Het enige waar sommige eigenaren op uit waren, was roem en geld. Ze wilden ook volle stadions, ze wilden ook Pele in hun ploeg, ze wilden ook dat Redford en Streisand kwamen kijken. Verder dachten ze niet. Ik heb die rijke patsers hier op bezoek gehad. Je kon in hun ogen lezen: I want a piece of this.

'Ze kochten voor miljoenen dollars spelers uit Europa die half kreupel waren. Ze begrepen er niets van. En dan was er nog eens een enorme prijsopdrijving van de salarissen. Maar bijna nergens werd gewerkt aan de basis.'

Club na club ging op de fles en in 1984 werd de NASL ten grave gedragen. 'Aan hen had het niet gelegen, zeiden de eigenaren. Ze waren toch zeker niets voor niets miljonair geworden? Nee, het publiek deugde niet, het spel deugde niet en dus moesten de regels maar worden aangepast. De gekken namen in die jaren het gesticht over.'

De nieuwe poging, ditmaal van Rothenberg, heeft zijn zegen. Het klimaat is zachter dan in zijn tijd, weet Toye. 'Toen moesten de kinderen de ouders uitleggen wat buitenspel was. Maar die kinderen moesten toch leiding hebben. Daar stond dan zo'n vader met zijn voetbalhandleiding geopend uit te leggen hoe je een bal moet stoppen. Dat is nu anders, nu zijn die kinderen zelf vader en nemen ze hún kinderen mee naar het veld. If only kids could drive, zeiden we vroeger vaak tegen elkaar. Het waren de kinderen die hun vader moesten dwingen om naar het veld te gaan.

'Vroeger waren het alleen de immigranten die van voetbal hielden, ethnische groepen die de sport niet wilden weggeven. Ze gingen op zondagmorgen naar het park om te zien hoe de ene wijk de andere op z'n lazer gaf. Het was hun manier om hun eigen cultuur te behouden. Nu wordt overal in de suburbs gevoetbald. Zestien miljoen mensen spelen georganiseerd voetbal en ieder jaar komen er miljoenen bij.

'Het belangrijkste is nu wat er ná het WK gebeurt. Wordt er doorgewerkt als het circus het dorp heeft verlaten? Kunnen wij de rotzooi opruimen of krijgt het voetbal in Amerika een geweldige zet in de rug?'

Het bureau Harris onderzocht deze week in hoeverre de Amerikanen er van op de hoogte zijn dat de komende maand in hun land het WK-voetbal wordt gespeeld. Ruim zeventig procent van de bevolking bleek niet te weten dat in negen steden om de wereldtitel wordt gestreden.

Tamelijk wanhopig klampt de Zweedse cameraploeg de bedrijfsleider van Ristorante Marionetta aan. Forza Italia, zegt de man nog maar eens, al iets minder enthousiast dan de voorgaande keren. Het spandoek hangt.

Met medewerking van Meindert van der Kaaij

Meer over