Een aria in een donkere smalle steeg

Een stad die meer dan duizend jaar bestaat is een tastbare vorm van eeuwigheid. Misschien lopen mensen daarom een beetje onwennig door Venetië, verdwaald tussen vele lagen verleden tijd....

PALUDE del Monte, Bacino di Chioggia, Canale di Malamocco, Valle Palezza. Hoe heerlijk zou het zijn Venetië nog een keer voor het eerst te naderen, maar dan sluipend op het labyrint toevarend, door dat andere labyrint van de moerassen, tussen de waterdieren, in de eerste ochtendnevel op een januaridag als vandaag, met niets anders dan het geluid van de vogels en het geplas van de riemen, het brakke water stil en glanzend, het visioen in de verte nog versluierd, de stad in haar eigen geheim gewikkeld.

Palude della Rosa, Coa della Latte, Canale Carbonera. Op de grote kaart van de Lagune lijken de waterwegen getekend als zwaaiend wier, als planten met bewegende vangarmen. Maar het zijn wegen in het water, wegen die je moet kennen zoals een vis zijn weg kent. Geulen in water dat bij eb weer land wordt, nat land van zuigende modder, jachtterrein van de zwarte ruiter, de tureluur en de strandloper, eeuwig op zoek naar wormen en kleine schelpen in hun behuizing van water en zand. Zij waren de eerste bewoners en misschien, als ooit de stad als een oneindig vertraagde Titanic weer in de weke grond verzinkt waarop zij nu nog lijkt te drijven, zullen ze de laatste zijn, alsof de wereld tussen die twee ogenblikken iets gedroomd had dat onmogelijk was, een droom van paleizen en kerken, van macht en geld, van heerschappij en verval, een paradijs van schoonheid dat uit zichzelf verjaagd was omdat de aarde zoveel wonder niet uit kon houden.

De eeuwigheid kunnen wij ons, zoals bekend, niet wezenlijk voorstellen. Wat er voor mijn mensenverstand nog het meest op lijkt is zoiets als het getal duizend, waarschijnlijk door de ronde leegte van die drie nullen. Een stad die meer dan duizend jaar bestaat is een tastbare vorm van eeuwigheid. Ik denk dat het daardoor komt dat de meeste mensen hier toch een beetje onwennig rondlopen, verdwaald tussen al die lagen van verleden tijd die in deze stad allemaal tegelijk tot het heden behoren. Het anachronisme is in Venetië het wezen van de dingen zelf. In een kerk uit de dertiende eeuw kijk je naar een graf uit de vijftiende en een altaar uit de achttiende eeuw. Je ogen zien wat niet meer bestaande ogen van miljoenen anderen gezien hebben, en dat is hier nu juist niet tragisch, want terwijl jij kijkt praten zij door. Je bent voortdurend in een gezelschap van levenden en doden, je hebt deel aan een al eeuwenoude conversatie. Proust, Ruskin, Rilke, Byron, Pound, Goethe, McCarthy, Morand, Brodsky, Montaigne, Casanova, Goldoni, Da Ponte, James, Montale, zoals het water in de kanalen vloeien hun woorden om je heen, en zoals het zonlicht de golven achter de gondels in duizend kleine schitteringen uiteen laat vallen, zo echoot en schittert in al die gesprekken, brieven, schetsen, gedichten dat ene woord Venetië. Altijd hetzelfde, altijd anders. Niet voor niets noemde Paul Morand zijn boek over deze stad Venetiën, en eigenlijk is zelfs dat nog niet genoeg. Alleen voor dit eiland zou er een overtreffende trap van het meervoud moeten bestaan.

Ik kwam niet over water, ik kwam uit de lucht, van de ene waterstad naar de andere. Een mens die zich gedraagt als een vogel, dat kan nooit goed gaan.

Dan met een taxi over de brug die nooit had mogen bestaan, met een chauffeur die een jagende haast heeft, een mens die zich gedraagt als een jachthond. Ik voel dat het niet goed is, niet hier. Maar ik heb me gewapend, ik ben gepantserd met verleden tijd. In mijn bagage heb ik de Baedecker van 1906 en de gids van de Touring Club Italiano uit 1954.

Het station ligt nog steeds waar het hoort. Ik ga me niet afvragen hoeveel mensen hier sinds 1906 met de trein zijn aangekomen. 'Gondeln mit einem Ruderer 1-2 fr., nachts 30 c. mehr, mit zwei Ruderern das doppelte, Gepäck jedes kleinere Stück 5 c., sind stets ausreichend vorhanden, ausserdem bis gegen Mitternacht die Stadtdampfer (Koffer und Fahrräder nicht zugelassen, Handgepäck frei). Bahnhof S.Marco 25 min. Fahrpreis 10 c. Pensionen, Riva degli Schiavoni 4133, deutsch, Zimmer van 2 1/2 fr. an. Möbilierte Zimmer (auch für kurze Zeit), Frau Schmütz-Monti, Sottoportico Calle dei Preti 1263. Hotel: H.Royal Danieli, nahe dem Dogenpalast, mit Aufzug, 220 z. von 5 fr. an mit Zentralheizungl.' In 1954 kost een gondelvaart van het station naar de hotels in het centrum voor twee personen met een maximum van vier koffers al 1500 lire, daarna hebben de bedragen zich aan de astronomische getallen van de ruimtevaart aangepast.

Louis Couperus reisde in het begin van deze eeuw met tien koffers en omgeven door een wolk van kruiers naar Venetië, maar de vooruitgang heeft ons in onze eigen bediendes veranderd en zo zeul ik mijn twee weerbarstige koffers tussen de benen van de menigte door de vaporetto op voor een bedrag waar in de dagen van Rilke en Mann een gezin een week van had kunnen leven.

Een half uur later woon ik boven op een Alp van vier marmeren trappen in een steeg waar je je ellebogen moet inhouden. Vanuit zes kleine ramen heb ik uitzicht op een kruispunt van twee kanalen die ik als Amsterdammer grachten zou noemen. Op het ogenblik dat ik een van de ramen open doe, vaart een gondel voorbij met acht verkleumde Japanse meisjes en een gondolier die O sole mio zingt. Ik ben in Venetië.

Kwartier, half uur, uur, de bronzen stemmen van de tijd die je in andere steden niet meer hoort, vallen hier over je heen in stegen en op bruggen. Alsof het de tijd zelf is die je achtervolgt om je te zeggen welk stuk er nu weer van hem (in het Nederlands is de tijd mannelijk, hoe zou dat toch komen?) is afgeslagen. Je bent verdwaald in het labyrint, je bent op zoek naar de Santa Maria dei Miracoli, die door Ezra Pound 'jewelbox' genoemd werd. Je weet dat je er vlak bij bent, de naam van de steeg waarin je je bevindt staat niet op de toch uitgebreide kaart. Er slaat een klok, maar je weet niet of die van de kerk is die je zoekt, en dan slaat een andere klok, en weer een andere, en die heeft het niet meer over de tijd, hij roept iets over de dood, sombere, zwarte slagen, of over een huwelijk, of een hoogmis, en dan galopperen de klokken tegen elkaar in alsof ze aan een wedren bezig zijn. Om twaalf uur 's middags wordt het Angelus geluid, waarvan ik de Latijnse woorden nog uit mijn schooltijd ken: Angelus Domini nunciavit Mariae, de Engel des Heren heeft aan Maria geboodschapt, en tegelijkertijd zie je ze voor je, al die Annunciaties in de Accademia, in het Ca' d'Oro, in de kerken, die van Lorenzo Veneziano, en die van de Bellini's, byzantijnse en gothische, altijd weer de vleugelman en de maagd. Je ziet ze zo vaak dat je je er niet meer over verbaast dat een man vleugels heeft, zo min als je je verbaast over de andere droomfiguren, gekroonde leeuwen, eenhoorns, door de lucht vliegende mensen, griffioenen, draken. Zij wonen gewoon hier, jij bent het die verdwaald is in het territorium van de droom, de fabel, het sprookje. En als je verstandig bent laat je je ook verdwalen. Je zocht iets, een paleis, het huis van een dichter, maar je raakt de weg kwijt. Je slaat een steeg in die in een muur eindigt, of aan een oever zonder brug, en plotseling besef je dat dit het is waarom het gaat, en dat je dan pas de dingen ziet die je anders nooit zou zien. Je staat stil, en wat je hoort zijn voetstappen, het vergeten geluid dat hoort bij een tijd zonder auto's, dat hier al die eeuwen ononderbroken geklonken heeft.

Schuifelende, driftige, haastige, trage, slenterende stappen, een orkest met instrumenten van leer, rubber, hout, sandalen, hoge hakken, laarzen, sneakers, maar altijd de menselijke maat, aanzwellend in de uren van het licht, dan, als het donker wordt, geleidelijk afnemend tot je alleen nog maar soli hoort, en tenslotte de eenzame aria van je eigen voeten, weerkaatsend in de donkere smalle steeg, op de marmeren trappen, dan alleen nog maar stilte, tot de stad voor de laatste keer iets wil zeggen: dat het ook in fabels middernacht wordt.

Vanuit mijn hoge ramen hoor ik in de allesomvattende stilte de Marangona, de grote klok van de Campanile die nog één keer geluid wordt, omfloerste, zware, bevelende slagen. De stad aan het water wordt gesloten, dit is het eind van alle verhalen, ga slapen. Geen beweging meer op het roerloze water beneden, geen stemmen, geen stappen. De doge slaapt, Tintoretto slaapt, Monteverdi slaapt, Rilke slaapt, Goethe slaapt, de leeuwen, draken, basilisken, de standbeelden van heiligen en helden, allemaal slapen ze, tot de eerste schepen met vis en verse groente binnenvaren en de symfonie van de honderdduizend voeten opnieuw begint.

Zie verder pagina 5

Meer over