EEN AMERIKAANS PLAN VOOR EUROPA

DE KOP boven dit stukje is niet van de eindredactie. Die slaat de plank wel eens mis, leek me na lezing van een boeiend artikel van Pieter Drooglever over Nederland, Indonesië en de Marshall-hulp (Forum, 28 mei)....

'Nederland wilde liever Indië dan Marshallhulp', stond daarboven. Dat is niet alleen in strijd met ons volkskarakter: de toenmalige elite wilde natuurlijk allebei, maar ook met het verhaal van Drooglever zelf. Dat komt er op neer dat Nederland destijds stevig onder druk werd gezet - ook met de Marshall-hulp - om zich neer te leggen bij de onafhankelijkheid van Indonesië.

Dat zou trouwens wel eens een van de weinige gebeurtenissen kunnen worden die niet feestelijk worden herdacht. Dat is ook moeilijk te verkopen: dictator/president Suharto en Beatrix die de soevereiniteitsoverdracht van 1949 in de Ridderzaal nog eens overdoen. Maar al wordt Indonesië in 1999 verlichter geregeerd, dan nog is het de vraag of het tweede kabinet-Kok (of het eerste van Bolkestein) dat aandurft.

Overwinningen en successen herdenken nu eenmaal makkelijker dan nederlagen. Zeker als die onvoldoende zijn verwerkt en daardoor, zoals twee jaar geleden, nog aanleiding zijn voor een verhit debat over de vraag of een voormalige Nederlandse deserteur en Indonesische vrijheidsstrijder als Poncke Princen het land in mag. Het zou dus wel nuttig zijn, zo'n feestelijke herdenking.

De kop boven dit stukje is wél ontleend aan het gelijknamige boek dat politicoloog Van der Pijl in 1978 publiceerde over de 'achtergronden van het ontstaan van de EEG'. Van der Pijl beschreef de Marshall-hulp als een belangrijke hefboom voor de introductie van Amerikaanse productiewijzen, arbeidsverhoudingen en consumptiepatronen in Europa.

Hoewel in orthodox-marxistisch jargon gesteld, lijkt die analyse me nog altijd juist. Ze werd ook niet alleen door marxistische auteurs als Van der Pijl gemaakt, maar - met wat meer waardering voor de VS - ook door 'burgerlijke wetenschappers' zoals dat in die jaren heette.

De historicus Milward, een Britse Lou de Jong, denkt daar in een recent interview met NRC Handelsblad anders over. 'Die hele Marshall-hulp was niet meer dan een druppel in de oceaan'. Milward heeft over die naoorlogse jaren een baanbrekend boek geschreven (The reconstruction of Europe 1945-1951). Zijn conclusie dat de Europese wederopbouw en integratie vooral aan de Europeanen zelf te danken was, zal dus gedegen zijn onderbouwd, net als zijn vaststelling dat de Nederlandse economische groei door de Marshall-hulp met hooguit zeven of acht maanden werd versneld.

Toch lijkt me dat maar het halve verhaal. Ook als de macro-effecten van het Marshall-plan achteraf bezien in het niet vallen bij de inspanningen van de Europeanen zelf, kan de strategische betekenis ervan groot zijn geweest. Dat geldt natuurlijk voor de blokvorming in Europa tussen Oost en West, maar ook economisch. Een basisindustrie als Hoogovens werd met de Marshall-hulp op nieuwe leest geschoeid, de elektrificatie van de spoorwegen door Amerikaanse locomotieven getrokken.

Belangrijk was natuurlijk ook het psychologische effect op de tijdgenoten die dankzij Marshall een zetje in de rug kregen. Maar als er op het Haagse Thank You America-feestje iets werd gevierd, dan is het wel de veramerikanisering van de cultuur waarmee in die jaren een begin werd gemaakt.

De voorbeelden daarvan liggen voor het oprapen. Er zijn nauwelijks producten en productieprocessen te bedenken waarop geen Amerikaanse stempel staat, ook al worden ze nu in Japan of Korea gemaakt. Voor consumptiepatronen, intellectuele modes, omgangsvormen en amusement geldt hetzelfde.

Amerika werd de standaard, niet alleen in (West-)Europa, maar in toenemende mate in de hele wereld. Dat is op veel verzet gestuit. In de jaren zeventig en tachtig was Amerikaans nog een synoniem voor oorlogszuchtig, imperialistisch en slecht. Dat was, anders dan de politiek correcte mare nu wel eens luidt, niet de opvatting van een kleine groep dolgedraaide activisten, maar van een omvangrijke generatie van linkse mensen. Denkend aan bijvoorbeeld Chili en Vietnam, is dat ook goed verklaarbaar, maar er zitten ook onbegrijpelijke kanten aan. Dat geldt voor de im- of expliciete solidarisering met dubieuze regimes die van dat anti-Amerikanisme de keerzijde was, maar ook 'de andere kant van Amerika' werd weinig recht gedaan.

De Amerikaanse burgerrechtenbeweging, het Amerikaanse Vietnamprotest, de Amerikaanse studentenbeweging en - al dan niet commerciële - jeugdcultuur, gingen steevast vooraf aan gelijksoortige bewegingen en verschijnselen in Europa. Maar dat had nauwelijks gevolgen voor de betekenis van het begrip Amerikaans.

Hoe dat komt zou ik niet weten, maar mogelijk heeft het iets met de kracht van de Amerikaanse cultuur te maken. Misschien was die ondanks Vietnam in de jaren zestig en zeventig wel zo succesvol en dominant, dat ze razendsnel werd overgenomen en van haar typisch Amerikaanse oorsprong ontdaan. In de beeldvorming blijven dan alleen die aspecten van Amerika over die minder gewenst of aantrekkelijk zijn. Amerikaanse toestanden kortom: zoals het dolgedraaide rechtssysteem, het ontbreken van een adequate verzorgingsstaat, de Hollywoodfilm voor de vrienden van Godard, en niet te vergeten de 'ongenuanceerde uniformiteit'. Dat laatste is een citaat van E. van der Beugel, de 79-jarige diplomaat/ondernemer/politicus die na de oorlog een hoofdrol speelde bij de uitvoering van het Marshall-plan.

Ongenuanceerde uniformiteit, dat is wel een mooie samenvatting van de gematigde, conservatieve en elitaire cultuurkritiek die natuurlijk ook bestaat. Iedereen draagt maar levi's, gaat naar McDonalds, en spreekt een soort Amerikaans. Oudere Europese smaken, stijlen en omgangsvormen zijn in het defensief geraakt. Maar de wereld is er wel herkenbaarder op geworden, en voor de lieve vrede kan het vast geen kwaad.

Meer over