Een amateur in de politiek

NIEMAND HAD een hekel aan Piet de Jong, de altijd vrolijk lijkende KVP'er die van 1967 tot 1971 minister-president was....

Jan Joost Lindner

Kan zo'n amateur een goed politicus zijn? P.F. Maas, de Nijmeegse parlementair-historicus, noemde hem in Kabinetsformaties 1959-1973 'de meest onderschatte premier sedert de oorlog'. Jan Willem Brouwer en Johan van Merriënboer, onderzoekers van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis van de Nijmeegse universiteit, zetten die traditie voort. In hun deze week verschenen biografie van P.J.S. de Jong wordt vooral diens roem gezongen.

Weinig Nederlandse premiers hebben een serieuze biografie, laat staan een zeer studieuze en toch nog behoorlijk leesbare. Het levensverhaal van De Jong, met diens spannende oorlogsjaren, zijn fraaie carrière bij de marine en zijn wonderlijke politieke loopbaan, is aantrekkelijk. Het is sober opgeschreven, hier en daar zelfs wat vlak, maar dat gebeurt al gauw bij duo-auteurs.

Zij hebben De Jong dertigmaal geïnterviewd en ook veel anderen. Bovendien hebben zij zich zeer grondig gedocumenteerd. Alles bijeen een prestatie van formaat. Toch stelt het boek enigszins teleur. De auteurs zijn historisch erudiet genoeg, maar ze zijn er toch niet in geslaagd de wonderlijke gepolariseerde sfeer van die jaren over te brengen. Tegelijk hebben ze te weinig oog voor de nadelen die het politiek amateurisme van hun hoofdpersoon met zich meebracht. Over zo'n aardige man zeg je niks onaardigs.

'Zouden we een evenwicht kunnen vinden tussen kritiek en respect?', vragen de biografen zich af in de inleiding. Zij beoogden een 'objectieve levensbeschouwing', maar zijn daarin bepaald niet geslaagd. Bewondering en vertedering voor de kleine, dappere man in de boze politieke wereld buitelen over elkaar heen.

Vooral De Jongs humor wordt op menige pagina gevierd, waarbij helaas blijkt dat de voorbeelden daarvan de tand des tijds en het overbrengen op papier nauwelijks hebben overleefd. Het was tamelijk nieuw, zo'n gezellig relativerende non-politicus aan de top, al waren de grappen van Jozef Luns en zeker Marcus Bakker pittiger en hilarischer. En die humor van De Jong ging op den duur ook wel vervelen. Het was voor idealisten geen pretje als een moreel hoog geladen discussie, bijvoorbeeld over de Vietnamoorlog, doodliep in een flauwiteit.

De Jongs humor en show van simpele bescheidenheid waren inderdaad 'naturel', zoals de auteurs schrijven. Maar het werd toch ook een vluchtheuvel, waaraan het politieke snelverkeer voorbij raasde. Bij Algemene Beschouwingen was er toch wel plaatsvervangende schaamte als de premier des vaderlands bij een niet al te complexe beleidsvraag al met de mond vol tanden stond en voor de zoveelste maal naar de tweede termijn moest verwijzen, zodat de ambtenaren hem konden bijpraten. Hij rommelde zich er doorheen, maar de charme van het geval sleet bedenkelijk.

Later in zijn kabinetsperiode werd steeds meer gemopperd over de presentatie van het beleid, wat in de praktijk zelden betekent dat het beleid zelf zo goed is. Het leuke was ervan af en de regeringspartijen stonden slecht in de peilingen.

Het was een van de redenen voor de toen ingevoerde wekelijkse persconferentie. Maar helaas, de journalist die daar probeerde dóór te vragen, kreeg geen begin van een relevant antwoord. De nadelen van zo weinig beleidskennis worden in het boek te veel bemanteld. De Jong krijgt juist lof omdat hij de ministerraad bij de procedurele aspecten van de besluitvorming zo goed presideerde. Hij was technisch een goed voorzitter, maar inhoudelijk allerminst.

Toen hij nog minister van Defensie was (1963-1967), sprak hij in de ministerraad alleen over buitenlandse en militaire zaken. ARP-leider Barend Biesheuvel noemde hem 'een oester'. Nu was Biesheuvel een van de weinigen die zich steeds ietwat smalend over De Jong uitlieten. Immers, De Jong ging in 1967 wél akkoord met het middelmatige kabinet dat Biesheuvel als beoogd premier te min vond.

In zekere zin was De Jong premier bij toeval, al stond hij - tot verwondering van menigeen - als reserve (na Biesheuvel) op de lijst van KVP-leider Norbert Schmelzer. Deze koos, zei hij later, 'liever een middelmatige figuur, die strikt betrouwbaar is, dan een hoogbegaafde, briljante, maar nauwelijks betrouwbare man'. Schmelzer zal wellicht aan zijn rivaal Cals hebben gedacht. Maar met zo'n criterium heeft Nederland miljoenen uitstekende premiers.

Schmelzer zelf heeft later ook wel verteld dat hij parlementaire toneelstukjes met premier De Jong afsprak, vooral om zijn strijdlustige linkervleugel tevreden te houden. Er moest een bepaalde concessie komen, maar niet te snel en niet te gemakkelijk. De Jong moest behoorlijk tegenstribbelen, zodat Schmelzer de buit als het ware voor de poorten van de hel kon wegslepen.

In dit boek wordt de regisserende rol van Schmelzer sterk gerelativeerd: 'Beiden stonden naast, niet onder elkaar.' Gezien de kennis, de slimheid en de politieke vakbekwaamheid van Schmelzer is dat een twijfelachtige conclusie. Maar De Jong noch Schmelzer heeft nu veel reden om de rol van de fractieleider op te poetsen. En veel speelde zich af in de achterkamer, dus te bewijzen valt er weinig.

De late jaren zestig kenden een furieus generatieconflict, dat ook de politiek zeer geladen en kifterig maakte, meer dan de auteurs in dit boek beschrijven. De Jongs verdienste is ontegenzeggelijk dat hij tolerantie bevorderde, waar veel collega-ministers (Luns, Beernink, Udink, Roolvink) er graag op los hadden geslagen. In het boek wordt deze kwaliteit van de toch behoorlijk conservatieve premier (Vietnam, NAVO) zeer geprezen.

Misschien toch wat overdadig. De Jongs kabinet telde ook progressieve ministers (Veringa, Klompé) met veel begrip voor de jeugdrevolutie. Veringa's wet voor het universitaire bestuur was zelfs zo radicaal dat die later is afgeschaft. Bovendien hadden de gezagsdragers bij eerdere rellen al veel leergeld betaald met vlot meppende politie. Het was niet alleen De Jong die begreep dat de tijd van de almachtige en straffende regenten over was.

Er werd nog wel in regenteske termen gedacht. De Jong sprak menigmaal de geruststellende gedachte uit dat de 'gezonde tegenkrachten' het op den duur wel zouden winnen. Kenmerkend was ook dat de Troonrede van 1970 repte van 'groepen die de geboden vrijheid misbruiken'. De auteurs noemen dit wel, maar niet de bitse reactie van oppositieleider Den Uyl. Die hield De Jong voor dat deze vrijheid (onder meer van demonstratie) geen gunst van de regering was, maar een onvervreemdbaar eigen recht, en dus allerminst 'geboden'.

De biografen beschrijven met treurnis en lichte verontwaardiging hoe De Jong in 1971 'op de politieke schroothoop' is gegooid. De feitelijke beschrijving is adequaat. De linkervleugel van de KVP, voorzover niet met Jacques Aarden naar de PPR gevlucht, wilde (evenals het partijbestuur) een progressieve, 'charismatische' figuur die beter met de hippe tijdgeest op stap kon dan een behoudende kapitein ter zee. Dat werd dus Veringa, die toch nog een sloot zetels verloor.

Tegelijkertijd streefde Schmelzer naar een kabinet-Biesheuvel, waarin hijzelf minister van Buitenlandse Zaken kon worden. In beide scenario's (alleen het tweede slaagde) kwam Piet de Jong niet voor, maar deze heeft ook geen vinger uitgestoken voor zijn eigen politieke kansen. Ook daarvoor was hij na twaalf jaar politiek te veel een amateur gebleven. Hij zou ook kansloos geweest zijn. Voor de partij was hij een vreemde gebleven. 'Huismacht' had hij nooit gekend en misschien was hem zelfs dat begrip vreemd.

Hooguit valt de KVP te verwijten dat De Jong niet op een wat elegantere wijze op een zijspoor is gerangeerd. Partijvoorzitter Van der Stee kwam hem botweg vertellen dat hij tweede op de noordoostelijke kieslijst mocht wezen, met als gevolg dat een beledigde premier hem het huis uit zwiepte.

De Jong werd nog wel KVP-fractievoorzitter in de Eerste Kamer. Zoals de auteurs concluderen: 'Met common sense kwam hij een heel eind.' Maar deze rijkelijk besuikerde biografie gaat te ver.

Meer over