Een albatroskuiken onder de trui

De Nieuw-Zeelandse boer McGrouther vond op zijn Otago-land zes zieltogende geeloogpinguïns en besloot ze tot broeden te brengen. Nu heeft hij 120 paartjes....

In de achtertuin van het Nieuw-Zeelandse Dunedin ligt het schiereiland Otago. Op het eerste gezicht niet zo bijzonder, net Engeland. Groene heuvels met schapen, steile kliffen aan een woeste zee. Het regent ook nog. Niets zegt dat hier een verloren paradijs ligt, een buitenpost van Antartica.

Maar eenmaal voorbij de grazende schapen zeilen reusachtige albatrossen door de lucht, klimt een zeeleeuw het witte strand op, zo groot als een beer. Dikke mantelrobben zonnen op de rotsen. En om zes uur. . . om zes uur komen de pinguïns uit zee.

Otago kent twee soorten; de blauwe dwergpinguïn, in de volksmond liefkozend 'kleine fee' genoemd. Ze zijn zo klein als een flinke eend, geheel grijsblauw, met aandoenlijk korte vleugeltjes. De tweede soort is de geeloogpinguïn: 'De zeldzaamste pinguïn ter wereld', zoals de Kiwi's trots zeggen.

Te midden van deze weelde vliegen nog Jan van Genten, bonte aalscholvers met helblauwe ogen en honderd soorten meeuwen. Langs de kust trekken dolfijnen, orka's en grote walvissen. Zo, op een uurtje rijden van Dunedin, krijgt iedereen - oud, met kind, zwak ter been, drukbezet - de kans om Antartica op een achternamiddag te bekijken.

Het natuurgebied dat jarenlang vergeten op de winderige landtong lag, wordt tegenwoordig streng beschermd. Dat betekent: hoge toegangsprijzen. Twintig (Nieuw-Zeelandse) dollar voor de albatroskolonie, 44 dollar voor het ritje naar Otago en een excursie naar het pinguïnland. Vijftien dollar voor de sleutel van de Scenic High Route, voor bezoekers die met eigen vervoer komen.

Dat de mantelrobben gratis zijn, hebben de dieren eigenhandig voor elkaar gekregen. Ze liggen liever op het grasveldje bij het bezoekerscentrum dan op hun eigen strandje met scherpe stenen. Als ze niet zonnen, zwemmen ze in de wilde golven. Vanaf de klif zie je ze wentelen in een natuurlijk bassin.

In de lucht vliegen de albatrossen met hun bleke haaksnavels en een gekke knik in de lange vleugels (drie meter spanwijdte). De reuzen vliegen alleen met harde wind omdat ze een zetje nodig hebben bij het opstijgen. Bovendien moet de wind uit de juiste hoek komen. De omstandigheden op deze barre klif zijn ideaal.

We krijgen een rondleiding door het albatrosreservaat. De wind beukt en er striemt een ijsregen. De enorme donskuikens liggen achter strobalen, omringd door roofdiervallen (marter, fret en kat). De ouders lopen onhandig waggelend rond. Het voetwerk van de albatros heeft geen prioriteit. Ze blijven soms wel vijf jaar onafgebroken op zee.

De natte kuikens hebben vannacht bijna het loodje gelegd. Als de verzorgers de vogels niet onder hun truien hadden opgewarmd en ze beschermd met de windbrekende strobalen, was een heel broedjaar verloren gegaan. Een verzorger loopt vlak langs een volwassen albatros. Ik zie opeens de verhoudingen. Niet zomaar een meeuw; dijhoog.

Terug in het bezoekerscentrum bekijk ik de gruwelijke foto's van albatrossen aan vislijnen of verward in visnetten, verdronken. Roze opgezwollen oogleden en bebloede kelen. Een kuiken onder de trui is niet puur natuur maar we hebben wat te compenseren.

Hetzelfde geldt voor de pinguïns. Boer H. McGrouther had zes zieltogende geeloogpinguïns op zijn Otago-land en besloot ze tot broeden te brengen. Nu heeft hij 120 paartjes. De boer heeft zijn koeien uit hun broedgebied

gehaald, vangt eierstelende roofdiertjes en geeft de pinguïns medicijnen en ruihokjes waarin ze in alle rust hun veren kunnen wisselen.

Om het project te financieren leidt hij toeristen rond in de kolonie. McGrouther legde een gangenstelsel aan zodat de beesten van dichtbij te zien zijn. Nu, tegen de avond, staan er wat grote kuikens in de struiken. Verder geen actie. De ouders zijn de hele dag op zee, vis vangen. Om een uur of zes 's avonds komen ze terug.

We staan op de klif, naast een groep zeehonden. Daar wipt de eerste pinguïn het witte strand op. Rent, om niet door de golven teruggeworpen te worden. Het is de geeloogpinguïn, de op twee na grootste ter wereld, met een gele band rond zijn kop, in klassiek oberkostuum. Na twintig meter stopt hij abrupt en blijft stilstaan op het midden van het strand. Achter de vogel rennen er nog vijf het strand op.

We trekken het tunnelsysteem in. Wachten geduldig tot het de eerste pinguïn belieft de duinvallei in te komen. Gidsen lopen met walkie-talkies: 'Valerie komt eraan, tunnel A3.' We hollen er naar toe. We gluren, van onder de grond, naar het wederom bewegingloze dier. Beetje anticlimax.

De volgende dag regent het nog harder. Nieuw-Zeeland wordt getroffen door een koufront uit Antartica. De temperatuur daalt twintig graden en we hebben alles aan. Zomerbroek over zomerbroek. We willen vandaag zelf op onderzoek gaan. Kijken of er op het Otago-schiereiland nog dieren buiten het hek leven.

We rijden tegen de avond naar een leeg strand en lopen in de bulderende wind over het zand. Stronken en bomen van zeewier liggen aan de vloedlijn. We vinden het kleine kadaver van een blauwe dwergpinguïn. Hoe droevig ook, we worden er zeer opgewonden van.

We speuren langs de rotsen. Ik zie een spoor van kleine grijsblauwe veertjes, volg het en kijk recht in de ogen van een ruiende pinguïn, weggekropen in de rotsen. Beschaamd trek ik me terug.

Dat was de kleine blauwe, nu nog de geelogige. Het is kwart voor zes, ze kunnen elk moment komen. We gaan in de duinen liggen, tussen de distels. Het wachten duurt lang. Regenbroek aan tegen de kou. Weten ze wel dat het tijd is, mopperen we om half zeven. Om zeven uur geven we het op. Kloppen mopperend onze kleren af, jammer.

Dan zie ik hem staan. Een pinguïn met een helgeel hoofd staat te dromen op het strand. We hebben hem niet eens uit zee zien komen. Verbluft staren we naar de pinguïn en hij naar ons. Met een omtrekkende beweging laten we hem alleen. We lopen inwendig juichend weg: een echte pinguïn, zelf gevonden.

Meer over