REPORTAGEBEGRAAFPLAATS MADRID

Een afscheid in zeven minuten op de begraafplaats van Madrid

Priester Marcos Vieira das Neves zegent een overledene.Beeld Cesar Dezfuli

Op begraafplaats Zuid, een van de grootste van Madrid, blijft priester Bajaña proberen de nabestaanden iets van troost te bieden. Al moet dat in minder dan tien minuten. Dan komt alweer de volgende overledene.

Ze weten het nooit zeker. Zodra de lijkwagen tot stilstand komt, lopen de familieleden ernaartoe, ze houden hun handen rond hun ogen, en turen door de achterruit naar binnen. Is dat hun vader of moeder, die daar ligt? Op de kist is een briefje met een naam geplakt. De naam klopt. Maar wie garandeert hun dat het lichaam in de kist werkelijk van degene is van wie zij hebben gehouden?

‘Helemaal overtuigd zijn ze nooit’, zegt de Ecuadoriaanse priester Carlos Bajaña (53). Hij voert een laatste ritueel uit, vlak voordat de lijkwagens de zuidelijke begraafplaats van Madrid oprijden. ‘Het is net als in de oorlog. Dan weten de achterblijvers ook nooit precies waar, of in welke omstandigheden, hun familieleden zijn gestorven. Nu geldt dat ook.’

Wanneer iemand overlijdt in een Spaans ziekenhuis of bejaardentehuis, mag daar op dit moment niemand bij zijn, om besmetting met corona te voorkomen. Het stoffelijk overschot wordt naar een plek gebracht om het te koelen. Dat kan een uitvaartcentrum zijn, maar ook de ijsbaan van het Palacio de Hielo. Ook daar mag niemand bij.

De familie kan niets anders doen dan afwachten. Eindeloze dagen, slapeloze nachten. Net zo lang tot ze een dag en een tijd door krijgen voor de begrafenis. Een laatste ontmoeting met de overledene – en het is maar hopen dat die dan ook echt wordt gebracht.

Plechtige minuten

En dan? Van de rituelen die normaal gesproken houvast bieden bij de dood, is weinig over. Plechtigheden rond begrafenissen en crematies zijn door de Spaanse regering verboden. Maximaal drie mensen mogen nog aanwezig zijn om de overledene uitgeleide te doen. Veel tijd krijgen ze niet: de begrafenisondernemingen hebben haast, ze hebben nog meer te doen.

Het enige ritueel dat overblijft, is de zegening van de priester aan de poort van de begraafplaats. Zeven plechtige minuten. En dat dertig, veertig, soms zelfs vijftig keer op een dag.

‘Ze blijven maar komen, blijven maar komen’, zegt priester Bajaña, aangedaan. Volgens de laatste tussenstand zijn er in Spanje 15.843 mensen overleden aan het coronavirus, waarvan 5.972 mensen in Madrid. Een dag op de zuidelijke begraafplaats leert dat het er veel meer moeten zijn: er zijn ook overledenen waarvan het sterke vermoeden bestaat dat ze besmet waren, maar die niet zijn getest.

Geen bloemen

Veel van de Madrileense doden komen hier terecht, op begraafplaats Zuid, een van de grootste van de stad. Ze is gelegen aan de snelweg naar Toledo. Om er te komen, moet je eerst door een politiefuik. De agenten controleren of niemand stiekem op vakantie gaat tijdens het paasweekend. Dan, een stukje verder aan de rechterkant, zie je een veld met een eindeloze rij muren met nissen, als flatgebouwen op miniatuurformaat. Bij de ingang zijn de bloemenstalletjes dicht, die zijn immers niet-essentieel.

Als er een lijkwagen aan komt rijden, vaak met gezwinde spoed, schuift Bajaña snel zijn mondkapje voor zijn gezicht – het is een exemplaar van geruite stof, genaaid door een van de dames uit zijn parochie. Dan begint hij aan zijn korte ritueel. ‘Heer, heb genade’, zegt hij, een paar keer achter elkaar. Hij bidt het Onze Vader, soms prevelen de familieleden mee. Leest een korte passage uit een brief van de Heilige Paulus aan de Thessalonicenzen. Sprenkelt wijwater op de achterruit van de auto. En dan zegt hij: ‘Rust in vrede.’ En tegen de familieleden: ‘U kunt gaan in vrede.’

Het lijkt te helpen. Zeven minuten zijn genoeg, blijkbaar, om de heftigste emoties tot bedaren te brengen.

Tranen in stof

Zo gaat het ook bij de familie van Manuel Vázquez, die op 85-jarige leeftijd is overleden. Zijn dochters storten zich huilend op de kist zodra de achterklep van de lijkwagen open gaat. Na zeven minuten zijn hun tranen in de stof van hun mondkapjes getrokken, en gaat een flesje desinfecterende gel van hand tot hand.

‘Het is verschrikkelijk’, klaagde een van de dochters, Conchi, toen ze stond te wachten op de komst van de kist. ‘Ze hadden ons toch even bij onze vader kunnen laten waken? Een uur, een half uur desnoods? Voor mijn part met glas ertussen? Nu heb ik hem helemaal niet meer kunnen zien.’

De echtgenote en kinderen van Manuel Vázquez bij zijn begrafenis.Beeld Cesar Dezfuli

Ze vloekt. In Spanje is het gebruikelijk een wake te houden bij de dode tussen het moment van overlijden en de begrafenis – meestal een dag, hooguit een paar dagen later. Ook die wake is nu verboden door de autoriteiten. ‘De laatste keer dat ik hem sprak, was met een video-oproep, een paar dagen voor zijn dood’, zegt Conchi. ‘In het verpleeghuis waar hij woonde, mocht hij geen bezoek ontvangen.’

De echtgenote en vijf kinderen van Manuel Vázquez zijn allemaal naar de begrafenis gekomen. ‘Dan geven ze ons maar een boete’, zegt Conchi, strijdbaar. ‘Dit is het laatste wat ik kan doen voor mijn vader.’ Ze zijn niet de enigen die zich weinig aantrekken van het maximum van drie personen.

Wijwater sprenkelen

Volgens Bajaña kwam het bij begrafenissen zelden voor dat er minder dan tien of twaalf familieleden kwamen. ‘En soms stond de hele parkeerplaats vol’, zegt hij. Hoe anders is het nu. Soms is er helemaal niemand om een dode te begraven. ‘Ik heb meegemaakt’, zegt de priester, ‘dat hier om één uur nabestaanden stonden, en dat ik ze moest zeggen dat hun familielid om half elf al aan de beurt was geweest. Het ontbreekt aan organisatie. Daarnet was er iemand die twee weken geleden al is overleden. Maar de volgende kan zomaar een overlijdensgeval van deze week zijn.’

Carlos Bajaña doet wat hij kan. Hij praat extra langzaam, zich bewust van het gewicht van zijn taak. En dat geldt ook voor de andere priesters, waaronder José Luis Sáenz-Díez, die met zijn 74 jaar de nestor is in de kapel bij de begraafplaats. De mis leidt hij niet meer, maar dit werk blijft hij doen. En nu, zich bewust van het belang van de zegeningen, doet hij soms kleine aanpassingen aan een ritueel dat in twintig jaar tijd weinig variaties kende. ‘Ik laat de familie soms wijwater sprenkelen op de kist’, vertelt hij. ‘Zo kunnen ze toch nog iets doen.’

Minimum aan waardigheid

Ook het crematorium, een met heesters beplant gebouwtje midden op de begraafplaats, heeft zijn eigen priester. Het is de 36-jarige Marcos Vieira das Neves, afkomstig uit Brazilië. Hij houdt zich pas sinds kort bezig met het zegenen van de doden. ‘Het is werk dat voldoening geeft’, zegt hij, half in het Portugees, half in het Spaans. ‘Voor de familie is het belangrijk om te weten dat iemand met een minimum aan waardigheid is behandeld.’

Het crematorium verwerkt momenteel twee keer zo veel doden als in normale tijden. Er wordt hier nu 24 uur per dag gewerkt. En al het personeel van de begrafenisonderneming – van ict’er tot secretaresse – helpt bij het vervoeren en cremeren van de doden.

Als pater Marcos uit zijn kantoortje wordt geroepen, heeft hij zijn mondkapje meestal niet op. Bij het crematorium komen de doden vaker alleen dan op de begraafplaats. De vrouw die achter de balie werkt, vlak naast een vitrinekast met diverse modellen urnen, hoort van sommige familieleden dat ze in quarantaine moeten blijven. Anderen wonen te ver weg.

Daar komt de volgende lijkwagen alweer. ‘Marcos, dit is Antonio’, roept de baliemedewerkster naar de priester. ‘Geen familie, wel de religieuze handeling.’

Pater Vieira das Neves loopt naar de lijkwagen toe. Hij prevelt enkele gebeden. Sprenkelt wijwater. En dan verdwijnt de lijkwagen, met misplaatst gezellige gordijntjes voor de ruiten, door een hek dat piepend open gaat.

Meer over