Ecoboer hoeft geen tachtig gruttoparen

Natuurbeheer door boeren levert zelden meer planten en dieren op , vindt een Wageningse studie. Ecoboeren geloven er niks van....

NATUURBEHEER door boeren leidt in Nederland zelden tot een grotere natuurwaarde op het boerenland. Het afsluiten van beheerscontracten leidt gemiddeld zelfs tot een lagere biodiversiteit. Tot die conclusie komen de Wageningse ecologen dr. David Kleijn en prof. dr. Frank Berendse in het blad Nature van 18 oktober.

Omdat beheerscontracten juist bedoeld zijn om meer weidevogels, meer plantensoorten en meer insecten in het landschap te krijgen, moet het huidig systeem van agrarisch natuurbeheer volgens hen op de helling. Of op zijn minst zeer kritisch worden geëvalueerd.

De krantenkoppen over het onderzoek logen er deze week niet om. 'Eco-boer kan natuur schaden', stond er. 'Maar dat is onzin, want over schade hebben we het helemaal niet gehad', aldus Berendse.

Duidelijk is wel dat boerennatuurbeheer leidt tot minder soorten, vooral omdat er minder kwistig gebruik wordt gemaakt van mest. Met name dieren profiteren echter van méér voedselrijkdom op het land en in de bodem. 'Overigens kun je je afvragen of dat altijd beter is. Niet elk weiland hoeft 80 gruttoparen per hectare te huisvesten, zoals op sommige goedbemeste percelen.'

Maar daarmee zijn de nuances wel genoemd. Over het algemeen bewijst de studie volgens Berendse wel degelijk dat natuurbescherming door boeren volgens het in 1981 bedachte Nederlandse model niet werkt. Het systeem kost de belastingbetaler nu jaarlijks tachtig miljoen gulden en is sinds 1992 voorbeeld voor Europees beleid. Dat is voldoende reden om de effecten zorgvuldig te meten.

De conclusie dat natuurbeheer niet werkt, trokken Kleijn en Berendse ook al in 1999, na een pilotstudy in de Utrechtse polders Westbroek en Maarssenveen. Ook daar werd tegen de verwachting in op de beheerde weidepercelen geen extra zeldzame plant, weidevogel, bij of vlinder gevonden.

Vorig jaar werd de proef op grote schaal herhaald op 78 percelen, willekeurig over Nederland verspreid en verdeeld over de grondsoorten klei, zand en veen die paarsgewijs met elkaar werden vergeleken. Op het ene perceel deed de boer aan natuurbeheer door later in het seizoen te maaien en (dus ook) minder uitbundig te bemesten. Op het vergelijkbare controleperceel in de directe omgeving werd normaal geboerd.

Het resultaat van deze uitgebreide veldobservatie wijkt nauwelijks af van het eerdere Utrechtse onderzoek. Alleen zweefvliegen en bijen komen op beheerde weidegebieden iets vaker voor. Schaars bemeste weidelanden zouden in theorie tot méér en tot zeldzamer plantensoorten moeten leiden, maar in de praktijk blijkt dit niet het geval. De onderzoekers veronderstellen dat de benodigde zaden het weiland niet bereiken: ze zijn in Nederland te weinig algemeen. De weidevogels grutto, kieviet, scholekster en tureluur werden minder vaak waargenomen op weilanden met agrarisch natuurbeheer.

In sommige gevallen leidt natuurbeheer echter wel tot een grotere soortenrijkdom. Berendse is gefascineerd door de vraag hoe dit komt . 'We hebben een gigantische dataset opgebouwd, maar die is op dit punt moeilijk te analyseren. Mijn gevoel is dat het beter lukt bij boeren met een hoge inzet, meer belangstelling en dus grotere deskundigheid op het gebied van natuurbeheer.'

Kritiek op de Wageningse studie komt van dr. Adriaan Guldemond van het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM), een instantie die het agrarisch natuurbeheer propageert. De conclusie dat dit beheer niet werkt is 'erg kort door de bocht' en het onderzoek zelf vindt hij niet deugdelijk. 'De vergelijking tussen twee relatief kleine gebieden lijkt ons niet voldoende. Je moet weten wat de natuurwaarde in een gebied is vóórdat er beheersmaatregelen worden genomen, en wat er pakweg zes of tien jaar later is veranderd. Na een vergelijking met een niet-beheerd perceel kun je dan conclusies trekken.'

Maar Guldemond voelt aan dat het systeem onder druk ligt, en pleit voor een verbetering van de regels. 'De nieuwste beheerspakketten regelen al dat de boer wordt afgerekend op het werkelijk bereikte effect. Maar die meting wordt pas gedaan na zes jaar, en de eerste monitoring loopt af in 2006. Misschien is het verstandig om tussentijds alvast wat onderzoek te doen.'

Meer over