Dynastie als clan

JE HAD de peervormige gezichten van de Bourbons, de markante kaken van de Habsburgers, de weke mond van de Romanovs en de onwilskrachtige kin van de Hannoverianen die zich later Windsors zouden noemen: stamhuiseigenschappen....

JAN BLOKKER

Naast fysionomieke hadden ze vermoedelijk ook erfelijke karakterkenmerken. De neiging om met bomen te praten of wijsheid te ontlenen aan dolfijnen hoor je wel eens 'typisch Oranje' noemen, en voor zover je het Blavatsky-gehalte bij achtereenvolgende generaties van zo'n huis ziet opduiken of terugkeren, is daar ook wel iets voor te zeggen.

Maar er zit uiteraard iets riskants in dat soort veralgemeningen, omdat je nooit helemaal zeker kunt weten hoe dominant bepaalde familietrekken zijn of blijven, respectievelijk hoe snel het perengezicht, de markante kaak, de weke mond en de onwilskrachtige kin er in de kruising met andere geslachten ook weer uitgemendeld kunnen worden. In dat verband is de behoedzaamheid waarmee in dynastieke kring de huwelijksmarkt wordt betreden, veelzeggend genoeg.

Over het oudste vorstenhuis van Europa, dat der Habsburgers, heeft de Engelse historicus Andrew Wheatcroft een boek geschreven, waarin van een (chronologische) inventaris van wapenfeiten, triomfen dan wel teloorgangen niet of nauwelijks sprake is, maar dat een antwoord zoekt op de vraag waarom de Habsburgers waren zoals ze waren.

Dat vergt de nodige stoutmoedigheid, bijvoorbeeld omdat eerst nog maar eens zou moeten worden bewezen dat je überhaupt van 'de' Habsburgers zou mogen spreken - dat er meer dan een louter genealogische lijn getrokken kan worden van Maximiliaan I, die Rooms-Duits keizer was van 1493 tot 1519, tot aan Frans Jozef, die regeerde van 1848 tot 1916.

Wheatcroft heeft zich door de problemen die zijn methode van onderzoek haast als vanzelf oproept, niet uit het veld laten slaan, en bouwt onder andere een heel plausibele redenering op over zoiets als een familiecontinuum, dat een vergelijking tussen vijftiende-eeuwse en negentiende-eeuwse leden van de stam wel degelijk rechtvaardigt.

Helemaal nieuw is dat inzicht overigens niet. A.J.P. Taylor noemde de Habsburgers al 'de taaiste organisatie in de geschiedenis van het moderne Europa', en weliswaar bleef zijn karakterisering dus grotendeels beperkt tot de monarchen sinds Karel VI en Maria Theresa, maar ook bij hem komen we al de fascinatie tegen voor een geslacht dat je, eerder nog dan een dynastie, een clan zou willen noemen - met telkens één familiehoofd op de troon in Wenen, maar daaromheen een kleine menigte aan jongere broers en zusters, neven, nichten en aangetrouwd volk, waaruit in geval van nood ook altijd een onmiddellijke remplaçant naar de Hofburg kon worden afgevaardigd: zoals Ajax nooit verlegen zit om invallers uit de jeugdopleiding.

Wheatcroft gaat wat dat betreft nog een stapje verder dan Habsburg-biografen tot dusverre gewoon waren te zetten. Voor hem eindigt de nominale dynastie weliswaar in november 1918, als de laatste keizer (die een achterneef was van Frans Jozef: eigen kweek) niet eens afstand doet van de troon, maar zijn 'rijksbevoegdheden' ter beschikking stelde, maar daarmee is de clan nog lang niet uitgestorven.

Nadat Karel in ballingschap was gestorven en keizerin-moeder Zita haar regentessenwerk had gedaan, werd Otto von Habsburg automatisch hoofd van de familie, hetgeen wil zeggen dat hij ook nog altijd de formele troonpretendent is, die de dienovereenkomstige rechten na zijn dood - hij is inmiddels 84, maar nog altijd actief europarlementariër en pan-Europeaan - zal overdragen aan zijn oudste zoon. En als om de Habsburgse continuïteitsgedachte nog eens te onderstrepen, wijst Wheatcroft erop dat ook Otto weer gezorgd heeft voor zeven nakomelingen; de familie-progenituur is door de eeuwen heen altijd gewaarborgd gebleven.

De charme van Wheatcrofts boek zit 'm vooral in de ongebruikelijkheid van zijn aanpak. Je zou er volgens mij een heel bijzondere documentaire van kunnen maken, omdat de auteur een grotere nadruk legt op de (letterlijke) beeldvorming van en rond de diverse stamhouders dan hij met illustraties zou kunnen toelichten. Daarbij gaat het om veel meer dan schilderijen, keizerlijke bidprentjes, ansichtkaarten en overige picturale verwijzingen naar de van god gegeven vorsten - het gaat natuurlijk om het hele 'Umfeld' van literatuur, muziek en bouwkunst: van Grillparzer tot Handke, van Haydn tot Franz von Suppé, van Makart tot Klimt en van de vroegste barokmeesters tot Otto Wagner.

Heel erg diep gaat Wheatcroft raar genoeg nou juist niet in op die sociaal-culturele functies die in de Habsburgse eeuwen zeker zijn gestuurd, bevorderd dan wel geremd vanwege het hof: de achtereenvolgende heersers waren niet allemaal gevoelig voor de kunsten, maar ze hadden over het algemeen een goed ontwikkelde antenne voor wat de kunsten maatschappelijk teweeg konden brengen.

Dat ze vooral in dat opzicht - hun beduchtheid voor sociale balansverstoring - door de eeuwen heen op elkaar zijn blijven lijken, hoeft overigens niet eens een kwestie van genen te zijn geweest. Het was, gezien de etnische lappendeken die ze hadden te beheren, primair een kwestie van overleven. Als Wheatcroft beweert dat Frans Jozef het antisemitisme van de Weense burgemeester Karl Lueger verafschuwde, zou hij eigenlijk hebben moeten schrijven dat de keizer elke vorm van extremisme en polarisatie binnen zijn samenleving verafschuwde, omdat hij die niet kon gebruiken.

Wat voor land tenslotte, bezong Robert Musil, was 'Kakanië' niet! 'Gletsjers en zee, karst en Boheemse korenvelden waren er, nachten aan de Adriatische Zee, onrustig door sjirpende krekels, en Slowaakse dorpen, waar de rook uit de schoorstenen opsteeg als uit opengesperde neusgaten, en het dorp tussen twee heuveltjes schuilging, alsof de aarde haar lippen een beetje had geopend om er haar kind tussen te verwarmen.'

En allicht was er een meer dan fijnmazige bureaucratie nodig om dat allemaal bij elkaar te houden en te controleren, plus een bijna bovenaardse instantie uit welker naam kon worden gedecreteerd dat het allemaal op die manier bij elkaar hoorde. Ook in dat opzicht had Musil gelijk: 'Ondanks veel dat er tegen pleitte, was Kakanië misschien toch een land voor genieën; en waarschijnlijk is het daaraan ook te gronde gegaan.'

De clan heeft het ten slotte niet weten te klaren.

Andrew Wheatcroft: The Habsburgers.

Viking, import Penguin Nederland; ¿ 63,-.

ISBN 0 670 85490 5.

Meer over