DWARSE FRANSEN

De 'nee'-stem is in Frankrijk aan de winnende hand, nu de Europese Grondwet speelbal van onlustgevoelens is geworden. Hoe Frans is dat eigenlijk?...

Natuurlijk moeten we 'nee' stemmen. Er is geen werk meer en steeds meer misère. En bij onze buren gaat het niet beter, in Duitsland wordt het leven ook almaar duurder. Als we 'nee' stemmen, hebben ze daarboven in ieder geval een probleem. Misschien gebeurt er dan wat goeds.'

De 81-jarige Marcel Butel, een voormalig spoorwegbeambte die in de Parijse voorstad Sarcelles woont, oogt als de archetypische Fransman: kort van stuk, met een wat boers voorkomen, een licht spottende blik en een plat petje. Verwoordt hij de mening van de gemiddelde Fransman, dan ziet het er voor de Europese Grondwet niet goed uit. Wanneer de Fransen zich daar op 29 mei over uitspreken, gaat hij geheid tegenstemmen. Om redenen die niets met de Grondwet zelf te maken hebben.

Ook de 21-jarige Nadia weet al zeker dat ze 'nee' gaat stemmen. De frêle en vrolijke, half-Franse half Aziatische studente filmkunde uit Colombes, eveneens een voorstad van Parijs, zou voor het moderne Frankrijk kunnen staan. De inhoud van de Grondwet kent zij niet, maar haar mening staat vast. 'Wat mij betreft is het 'nee'. Ik krijg de hele tijd te horen dat ik dat niet mag stemmen, maar ze leggen niet uit waarom 'ja' dan wel zo nodig is. En ik ga niet zo maar mijn hoofd in een strop steken, omdat politici dat vragen.'

'Met de Grondwet zelf is niet zoveel mis', geeft de 50-jarige Pascal, een manager in de energiebranche toe. Hij heeft een driftige kop boven een felgele das en is werkzaam in het internationale zakencentrum La Défense, even ten westen van Parijs. Die locatie weerhoudt hem er niet van in staccatozinnen tegen de internationale ontwikkelingen te fulmineren. 'We raken onze nationale identiteit steeds meer kwijt. Door onze politici. Nu hebben ze ook nog de Oost-Europese landen er bijgehaald. Wij zouden die moeten helpen. Nou, het is wat mij betreft: niet. Want anders gaat er een nivellering naar het laagste niveau plaatsvinden. Dat is niet in ons belang. Ik zie geen voordelen in Europa.'

De Europese Grondwet is in Frankrijk de speelbal van allerlei onlustgevoelens geworden, die geheel los staan van de eigenlijke inhoud. Toelichtende boekjes mogen dan met honderdduizenden worden verkocht, de overgrote meerderheid van de Fransen maakt er geen studie van en volgt zijn gevoel over de economie, de regering, Europa, de wereld in het algemeen en het eigen leven in het bijzonder. Resultaat: volgens de laatste peilingen is 55 procent van de Fransen van plan tegen de Grondwet te stemmen. De vraag bij al dat verzet is: hoe specifiek Frans is die scepsis over de Grondwet en Europa? Drukken de Fransen een sentiment uit dat ook elders leeft, of nemen zij een uitzonderingspositie in binnen de EU?

'Het zou een grote misvatting zijn om de 'nee'-stem als een uiting van de exception fran & Ccedil;aise te zien', waarschuwt de politicoloog Zaki Laïdi, verbonden aan een denktank, het Centre d'Etudes et de Recherches Internationales. 'Het is dat de Duitsers niet mogen stemmen, maar anders zou ik nog niet weten hoe dat zou aflopen. En met een betoog over de Franse uitzondering zou je toch aardig miskleunen, wanneer straks blijkt dat Frankrijk wel, maar Nederland de Grondwet niet aanvaardt.' Zaki Laïdi geldt als kenner van de macht in Parijs en Brussel, waar hij voor de Franse Euro-commissaris Lamy werkte. Laïdi houdt het erop dat de euroscepsis overal voorkomt, al zijn er redenen waarom die zich in Frankrijk nu zo opvallend manifesteert.

Een beeld van de EU dat de Fransen met tal van Europeanen delen, is dat in het bureaucratische Brussel over uitbreiding van de Europese Unie wordt beslist zonder dat de bevolking iets wordt gevraagd. 'In zekere zin gaat het referendum over de uitbreiding, want de Fransen hebben zich daar nooit eerder over kunnen uitspreken', stelt Jean-Luc Parodi, emeritusonderzoeksdirecteur van het Centre de la vie politique fran & Ccedil;aise. Hij meent dat 'de Fransen in beginsel pro-Europees zijn. Maar nu de conjunctuur slecht is en de werkloosheid hoog, zijn ze pessimistisch en bekijken ze Europa door een donkere bril.' De uitbreiding met Oost-Europese landen wekt een dubbele vrees: een 'tsunami' van goedkope Polen op de Franse markt en het wegtrekken van Franse bedrijven naar het oosten. Daarmee onderscheiden de Fransen zich niet van andere Europeanen, denkt Parodi.

Wel specifiek Frans is de angst voor 'het liberalisme', de Angelsaksische kijk op de maatschappij. Die zou aan de winnende hand zijn, zeker nu de Oost-Europese landen met hun liefde voor de VS deel van de EU uitmaken. 'Europa ontwikkelt zich niet in de goede, menselijke richting', meen de 55-jarige muziekleraar Jean-Pierre Aigeldinger, die er met zijn spijkerbroek en piekhaar uitziet als een oudere jongere. 'Het wordt een Amerikaans systeem, waarin de sociale zekerheid afneemt. Het wordt te veel jungle', zo vat hij de reden van zijn 'nee' samen.

Maar ook Pascal Diancourt, een 44-jarige telecom-manager die voor Amerikaanse aandeelhouders werkt en strak in het pak zit, maakt zich zorgen over het liberalisme, zoals de Nederlandse oudeurocommissaris Bolkestein dat enkele weken geleden in Parijs kwam propageren. Een 'kille machine', zo noemt hij de Nederlander. 'Ik kan zijn redenering wel volgen, maar ik denk dat zijn economisch darwinisme niet het beste is. De mensen hier, of ze nu links of rechts zijn, zijn zeer aan het sociale gehecht. Veel meer dan in de Angelsaksische wereld, waar de verschillen tussen arm en rijk groter zijn. Dat willen wij niet.'

Uitgesproken Frans is het ook om bescherming van de staat te eisen. Hoe diepgeworteld dat is, illustreert Jean-Luc Parodi met een anekdote. Bij een onderzoek in de VS en Frankrijk kregen kinderen van 8 tot 12 jaar de vraag voorgelegd, wat ze doen wanneer leeftijdgenoten uit een belendende buurt hun speelplein vernielen. 'Amerikaanse kinderen zeggen dan: we gaan het opknappen en het voortaan zelf bewaken. Franse kinderen stappen naar de buurtwacht, de burgemeester of desnoods de president om een oplossing te eisen.'

Momenteel stellen twintig bevolkingsgroepen hun eisen aan de regering, zo inventariseerde het populaire dagblad Le Parisien. Onder de kop 'de burgers die mopperen' somde de krant op wat momenteel onder meer de leraren, de onderzoekers, de huisartsen, de specialisten, de rechters, de gevangenbewaarders, de boeren, de vissers, de ambtenaren, de postbodes, de tabakswinkeliers en de culturele dienstverleners zoal van de regering verlangen.

Uit angst voor te veel sociale onvrede pleegt de Franse regering daar op te reageren met een beleid van pappen en nathouden: iedere protesterende groep loopt een goede kans zijn zin te krijgen. De gevolgen zijn soms absurd. Zo zullen de watersnip, de kieviet en de kolgans binnenkort de opkomst van de 'nee'-stem aan den lijve ondervinden. De Franse regering pleitte deze maand in Brussel voor langere jachtperiodes om de anderhalf miljoen eurosceptische jagers over de streep te trekken. Dat soort gemarchandeer typeert een staat die de controle kwijt is en dus door de Fransen wordt veracht, meent journalist Daniel Carton. Hij heeft net zijn boek S'ils savaient à Paris...(Als ze in Parijs wisten...) uitgebracht. Dat is gewijd aan een verschijnsel dat zeker niet specifiek Frans is: de kloof tussen 'de mensen in het land' en 'de elite van politici en journalisten'. De afstand tussen die twee werelden verklaart voor hem grotendeels de nee-stem. 'De mensen zijn doodmoe van de politieke spelletjes. Ze interesseren zich wel degelijk voor politiek en weten allang dat Frankrijk niet meer de wereldmacht is waarvoor sommige politici het uitgeven. Maar ze worden door politici nog altijd niet serieus genomen.' Tekenend vindt hij dat er niets is veranderd sinds '21 april 2002', de dag waarop Jean-Marie le Pen namens extreem-rechts de tweede ronde van de presidentsverkiezingen haalde. Fransen zien die dag als een politieke variant van '11 september'; in Nederlandse ogen dringt vooral de parallel met de spectaculaire opkomst van Pim Fortuyn zich op. De schok bij het establishment was groot. 'Maar toch is onze politieke klasse, autistisch als ze is, gewoon op de oude voet doorgegaan', sneert Carton.

Onderdeel van die aanpak is de diabolisering van Brussel. Als de Franse autoriteiten niet ingaan op eisen van een mopperende groep, dan behoort het tot de rituelen om starre, Europese regels de schuld te geven. Die moeten worden veranderd, vindt de regering, een strategie die bij het Stabiliteitspact onlangs nog effectief bleek. 'De reputatie van Brussel in Frankrijk valt daardoor te vergelijken met die van het IMF in ontwikkelingslanden', stelt politicoloog Laïdi. 'De houding is: wij hebben geen problemen, die liggen allemaal buiten onszelf. Als je Europa zo voortdurend als zondebok gebruikt, kun je je er niet over verbazen, wanneer burgers dat ook doen en geneigd zijn 'nee' te stemmen.'

Die neiging houdt ook verband met de 'conservatieve sociale kern' van Frankrijk, die altijd 'boers is gebleven', zo stelde oud-minister van Justitie Robert Badinter onlangs in de Volkskrant. De boer is wars van veranderingen en klaagt voortdurend over te veel of te weinig regen, zo wil het cliché. Veel Fransen zouden zich daar nog naar gedragen. Gevolg: een 'nee'-stem gaat hen altijd gemakkelijker af dan een 'ja'-stem. Een buitenstaander, de Canadese journalist Jean-Benoît Nadeau, bevestigt dat. Hij schreef het lezenswaardige boek Wat maakt de Fransen zo Frans?, een studie naar de volksaard. Hij noemt 'de ethiek van het negativisme' typerend voor de houding van Fransen ten opzichte van hun werk. 'Je zult Fransen nooit horen zeggen: 'Ik houd van mijn werk', zoals Amerikanen dat doen. Fransen vinden het gewoon niet cool om daar positief over te zijn. Ook over hun eigen land zijn ze vaak heel kritisch.'

Maar Nadeau interpreteert het Franse 'nee' bovenal als een onderbewust 'ja': met hun afkeer zouden ze een voorkeur voor ingrijpender veranderingen uitdrukken. 'De Fransen willen juist wel verandering, want ze zijn uitgekeken op een politieke klasse die maar decennialang blijft zitten. Daarom hebben ze ook de neiging heel wild te stemmen. In welk ander land stemt 10 procent trotskistisch, zoals dat bij de presidentsverkiezingen van 2002 gebeurde?'

Politicoloog Laïdi gelooft niet zo in die onderbewuste neiging en ziet vooral contradicties: 'Als Fransen zo graag veranderen, waarom kiezen ze dan telkens oude presidenten en geen jonge kandidaten? De Fransen wilden het systeem in mei 1968 opblazen, akkoord, maar meteen daarna kozen ze wel een grote rechtse meerderheid in het parlement.' Bepalender voor de keuze voor 'ja' of 'nee' acht hij een andere factor, die in Frankrijk evenzeer speelt als elders in Europa: de mate van zelfvertrouwen van de burger. 'We leven in het tijdperk van de individualisering van keuzes, waarin mensen zich afvragen: wat heb ik hier in mijn leven aan? Wie zelfvertrouwen heeft, zal eerder ja stemmen. Wie ongerust is over de toekomst en minder zeker van zichzelf stemt eerder nee.'

Meer over