Dwars in 21 maten

Jazzhistorici en -liefhebbers zijn weer helemaal terug bij de bop van de jaren vijftig. Eens verguisd als 'mechanische herhalingen', nu geroemd als bepalend jazz-idioom....

In de gouden tijd van de bop plachtten de liefhebbers onafgebroken te klagen over de saaiheid van de muziek. Halverwege de jaren vijftig was de langspeelplaat wereldwijd doorgebroken, en daarmee hoorde de drie-minutengrens voor grammofoonopnamen definitief tot het verleden. Het gevolg was, in de woorden van de critici van toen, een stortvloed onnodig lange jazzvertolkingen, aan de lopende band opgenomen door muzikanten die zich nauwelijks de tijd gunden om vooraf het repertoire af te spreken.

The Big Beat van Art Blakey's Jazz Messengers met trompettist Lee Morgan en saxofonist Wayne Shorter oogstte bij verschijning in 1960 in het Amerikaanse vakblad Down Beat opmerkingen als: 'Louter een herhaling van materiaal dat de Jazz Messengers en andere groepen al keer op keer hebben doorgewerkt. (. . .) Een mechanische herhaling van iets dat de eerste keer beter klonk.' Jazzhistoricus James Lincoln Collier vonniste in zijn standaardwerk The Making of Jazz (1978) de hard-bop met terugwerkende kracht: 'Het centrale probleem was een gebrek aan muzikale intelligentie, een falende verbeeldingskracht bij de beoefenaren van die stijl.' Zelfs de zwart-nationalistische criticus Amiri Baraka gispte indertijd 'de zinloze bokkensprongen van een Cannonball Adderley', die samen met Art Blakey, pianist Bobby Timmons en het Jazztet 'de jazz dicht bij de vergetelheid had gebracht'.

Veertig jaar later is het oordeel van de jazzhistorici radicaal omgeslagen. In de recente Oxford Companion to Jazz constateert Scott DeVeaux: 'Je kunt veilig zeggen dat de jazz zoals we die vandaag kennen, is gevormd naar het beeld van de bebop.' Zijn collega-musicoloog James Patrick noemt de bebop 'the pre-eminent jazz style' die uitsteekt boven alle voorgaande of volgende stijlen, 'de lingua franca, het gemeenschappelijke idioom waarin de kunst van de jazz wordt beoefend'.

Ook de liefhebbers zijn geheel terug bij de jazz uit de jaren vijftig, blijkens de onafzienbare stroom cd-heruitgaven die zijn weg naar de winkels vindt. De catalogi van de destijds toonaangevende maatschappijen Blue Note, Columbia, Prestige en Riverside raken langzamerhand uitgeput. Daardoor wordt de aandacht logischerwijs verlegd naar minder bekende platenfirma's die ook topnamen uit de hard-bop naar de studio wisten te lokken.

Het Amerikaanse Mosaic Records, dat zich toelegt op integrale jazz-heruitgaven die liefst worden aangevuld met niet eerder uitgebracht materiaal, is in dat proces bij het label Vee Jay beland. De zes cd's tellende box The Complete Vee Jay Lee Morgan-Wayne Shorter Sessions is de eerste van een reeks producties die de Vee Jay-catalogus voor eigentijdse luisteraars toegankelijk maakt (een box gewijd aan Paul Chambers en Wynton Kelly wordt de volgende).

Vee Jay stamde uit Chicago en had zich in de rhythm and blues en gospel onderscheiden als het eerste succesvolle platenlabel met zwarte eigenaren. Toen de plaatselijke concurrent Chess goede zaken bleek te doen met zijn jazzlabel Argo, besloot ook Vee Jay een jazzsectie te beginnen. Aanvankelijk werkte Vee Jay voornamelijk met musici uit Chicago, zoals de saxofonisten Gene Ammons en Eddie Harris (diens versie van het filmthema Exodus werd in 1961 een grote hit). Maar het echte toptalent huisde vooral in New York, en daardoor werd het onvermijdelijk dat Vee Jay zijn opname-activiteiten ten dele daarheen verplaatste.

De beroemdste formaties, zoals Art Blakey's Jazz Messengers en de groepen van Miles Davis, J.J. Johnson en Cannonball Adderley, hadden vaste contracten bij prominente platenmaatschappijen en waren dus voor Vee Jay onbereikbaar. De individuele musici uit die bands stond het wel vrij elders platen op te nemen, en zo vinden we op deze zes cd's tal van vertrouwde namen: de Jazz Messengers Lee Morgan, Wayne Shorter, Bobby Timmons, Jymie Meritt en Art Blakey; de complete ritmesectie van Miles Davis (Wynton Kelly, Paul Chambers, Jimmy Cobb); de meerderheid van het J.J. Johnson-sextet (Freddie Hubbard, Clifford Jordan, Cedar Walton, Al 'Tootie' Heath); en Cannonball Adderley's drummer Louis Hayes.

De opnamen werden in 1959-'61 gemaakt en verschenen oorspronkelijk op drie lp's onder leiding van Wayne Shorter, twee onder leiding van Lee Morgan en één onder de groepsnaam The Young Lions. Bij deze heruitgave zijn meer dan twintig alternatieve versies toegevoegd waarvan er zes nooit eerder waren uitgebracht.

De klacht dat de muziek niet verder komt dan 'mechanische herhaling' en blijk zou geven van 'een gebrek aan muzikale intelligentie' en 'falende verbeeldingskracht', wordt overtuigend gelogenstraft. De opvallendste bijdragen komen van Wayne Shorter, die hier als 26-jarige aan het begin van een buitengewone carrière staat. Met zijn bijtende toon, zijn even hecht als geraffineerd opgebouwde improvisaties en zijn dwarse ritmiek bewijst hij zich als de interessantste tenorsaxofonist uit de generatie na Sonny Rollins en John Coltrane.

Als componist toont hij een zo mogelijk nog groter talent, met a-symmetrische thema's die vaak radicaal afwijken van de gebruikelijke 32- of 12-matenstructuur zonder aan melodische bekoring of harmonische logica in te boeten. Blues A La Carte telt bijvoorbeeld 21 maten, een dertienmatig blues-schema gevolgd door een vamp van acht maten. Scourin' zit op papier even merkwaardig in elkaar: een AABA-schema waarbij A veertien en B acht maten lang is. Om het nog curieuzer te maken, heeft Shorter de eerste 36 maten van de melodie alleen voor tenorsaxofoon en de laatste veertien maten alleen voor trompet geschreven. Maar de luisteraar krijgt geen seconde het gevoel dat hem een onnatuurlijk knutselwerkje wordt voorgezet.

Lee Morgan had in 1960 op zijn 21ste al een hele loopbaan achter zich, bij de big band van Dizzy Gillespie en vanaf 1958 bij de Jazz Messengers. Als componist was hij duidelijk de mindere van Shorter, maar zijn afwisselend exuberante en stekelige trompetspel is in vrijwel elk stuk een genot voor het oor. En dan is er Wynton Kelly die de piano even fraai laat zingen als swingen, Art Blakey die met zijn donkere roffels en zijn zeldzaam gevarieerde begeleidingspatronen de muziek onstuitbaar voortjaagt, en Freddie Hubbard - ook nog maar 23 jaar oud - die met zijn glanzende trompetspel Lee Morgan soms naar de kroon steekt.

En toch blijft er na beluistering van de zes cd's een vraag over. Hoe goed er ook wordt gespeeld, bij hun opnamen voor Blue Note, Columbia en Riverside gaven dezelfde musici in diezelfde tijd vaak blijk van meer inspiratie en scherpte. Dat moet een kwestie zijn van leiderschap en producerstalent. Wayne Shorter en Lee Morgan waren in 1959-'60 nog geen Miles Davis of Art Blakey. En de Vee Jay-producers Ewart Abner en Sid McCoy konden zich zeker niet meten met de onnavolgbare Alfred Lion, die in mysterieuze wisselwerking met de muzikanten het label Blue Note zijn uitzonderlijke kwaliteit gaf.

The Complete Vee Jay Lee Morgan-Wayne Shorter Sessions. Mosaic Records (zes cd's).

Meer over