Dwaelmeesters

Toen de duivel een persoon wilde scheppen met wie hij voornemens was het kwaad een grote dienst te bewijzen, hoefde hij niet lang na te denken: hij schiep de schrijver....

Dat schreef Frédéric Soulié in Les mémoires du diable (1838), een feuilletonroman die ik niet gelezen heb; ik ken het citaat uit De roman van pater Van Meurs (1869), dat één lange aanklacht is tegen slechte literatuur en subversieve auteurs. Soulié kende ik evenmin, maar in een Franse katholieke encyclopedie lees ik over Les mémoires du diable en Deux cadavres: 'Het is moeilijk iets te vinden dat afschuwelijker, krankzinniger, valser of onreligieuzer is dan deze twee werken.' Soulié wist blijkbaar waarover hij schreef.

Ik hou daar wel van: literatuurkritiek met een cirkelzaag. Ik benijd ze ook wel eens, de schrijvers uit de negentiende eeuw, toen één gevallen roman nog genoeg was om te behoren tot het keurkorps van de duivel en één overspelletje nog rechtstreeks naar de index van verboden boeken leidde. Van Meurs citeert Soulié, bijvoorbeeld, om te illustreren hoe verderfelijk Van Lennep's Klaasje Zevenster is, en over Conrad Busken Huet schrijft hij: 'Met volle hand heeft Huet zulke slechte denkbeelden in heel zijn roman geworpen.' Daarmee bedoelt hij de roman Lidewyde , die ongetwijfeld een toonbeeld van kuisheid is in vergelijking met Les mémoires du diable, maar voor pater van Meurs en zijn tijdgenoten toch erg genoeg voor de banvloek. En daarom koester ik Klaasje en Lidewyde, omdat ze eens bloedmooi en bloedlink zijn geweest.

De Bijbel was een geliefde inspiratiebron om het lage morele peil van de schrijvers te illustreren. 'Wolven in schaapskleren', waren ze volgens de heilige Alfonsus van Liguori en ze kwamen als 'valse profeten'. J.A.F. Pauwels dacht in 1776 eerder aan Jacob en Esau: 'Zulke schryvers hebben, om de onvoorzigtige en blinde menschen te bedriegen, de zoete stemme van Jacob, maer de rouwhairige handen van Esau, om naderhand een boos en ongeregeld rouw leven te doen leyden, daer veele ellendiglyk in sterven.'

Graag zou ik hier bovendien alles citeren van kardinaal Van Franckenberg, maar ik moet me beperken tot het beste van zijn retoriek. 'Dwaelmeesters' noemt hij de auteurs en zij zijn als 'waterlooze wolken welke zig door hunne dunheyd van alle winden alom laeten vervoeren' en 'verslensde boomen, anders niet hebbende als eenige drooge bladen van ydele woorden'.

Naarmate de literatuur verderfelijker wordt, zoeken ook de bestrijders naar gewaagdere beelden en vergelijkingen. In 1903 dacht Alphons Laudy in zijn schotschrift Jan Rap & Co. dat 'de vieze oude mannekens uit het Suzanna-verhaal hun driften hebben aangevuurd door te bladeren in de bellettristische, Nederlandsche werken van onzen tijd.'

Bisschop Antolin Pelaez bleef ondanks dit alles optimistisch. 'De statistieken van Balbi en Prevost bewijzen', schrijft hij, 'dat onder literatoren de meeste zelfmoorden voorkomen.'

God strafte echter niet altijd onmiddellijk en wie de hand niet aan zichzelf wenste te slaan, mocht een handje geholpen worden. Slechte schrijvers, stelde G. d'Azambuja in 1905 voor, verdienen 'verachting en geeseling'.

'Waarin bestaat de hoogste kunst der zedelooze schrijvers?' A. Haans, een jezuïet, vroeg het zich af en kwam tot de conclusie: 'Verdierlijking in den hoogsten graad.' En waarom doen zij dat? 'Veragtelyke baetzucht', zegt Van Franckenberg, 'literair mercantilisme', noemde Van Meurs het. Wat niet wegneemt dat schrijvers in de regel veel schulden hebben, want er is 'geen luier mens als de schrijver', lees ik in een Belgisch tijdschrift (1862).

En de goede? Die krijgen hun honorarium van God. Honderd jaar later kun je dan vaststellen dat zijn eeuwige rivaal althans als uitgever meer succes heeft geboekt.

Ed Schilders

Meer over