Dwaalvuur

'Jane Eyre bestond', las ik twee weken geleden in de Volkskrant. Dat is nou toch jammer. Ik had altijd gedacht dat Charlotte Brontë met het romantische avontuur van Jane Eyre vooral haar eigen verlangens heeft verteld....

Ik geloof er niets van, en wie vorige week in Cicero het artikel gelezen heeft van Michaël Zeeman over de streek waarin het leven van de zusjes Brontë verregende en wegwoei, zal er net zomin iets van geloven. Een afgelegen gebied, ruig, onbegaanbaar, vochtig, miezerig. Een landschap waar het nooit weer is voor overspel, waar iedere liefdesintrige per definitie eindigt in longontsteking.

In 'Jayne Eyre' schrijft Charlotte: 'Het is waanzin voor een vrouw, iedere vrouw, het vuur van de geheime liefde in zich te doen ontvlammen.' Zulk een liefde, zegt ze, is als het 'ignis fatuus', een dwaallicht, letterlijk: een dwaalvuur. En dat mag dan wel zo zijn, maar ondertussen gaat haar hele roman juist over dat sluimerende en oplaaiende vuur.

De zusjes Brontë hadden geen echte Jane Eyres nodig. Aanvallige meiden waren het, met meer dan genoeg dromen en aandrift van zichzelf. Als de avond viel, stak Emily het dwaallicht op, sloot Anne de deuren en luiken, en haalde Charlotte de pennen en het papier te voorschijn. Zo werd het toch nog een waanzinnig romantische avond bij het open dwaalvuur.

Ed Schilders

Meer over