Duurzame ontwikkeling vereist Europees protectionisme

De economie lijkt de maat van alle dingen geworden. Het marktdenken overheerst en ontmoet steeds minder tegenstand van politieke en maatschappelijke organisaties....

HET lijkt erop dat overheid, politieke partijen, vakbonden en maatschappelijke organisaties steeds minder grip op de ontwikkelingen in de samenleving hebben. Het mondiale vrije-marktdenken overheerst en heeft geen tegenstanders van formaat. Maatschappelijk belangrijke beslissingen worden genomen op louter economisch-technische gronden.

De naoorlogse modernisering heeft ongekende welvaart gebracht. De werkgelegenheid verschoof van de agrarische sector via de industrie naar de dienstensector. Schaalvergroting en produktiviteitsstijging kwamen in de vorm van prijsverlaging de consument ten goede, maar kostte ook veel kleine zelfstandigen hun bestaan en werknemers hun baan.

Zolang de actieven en niet-actieven gezamenlijk de vruchten van de materiële vooruitgang plukten en de nadelen niet zichtbaar de pan uitrezen, was het groeidenken onomstreden.

Intussen zijn de menselijke activiteiten in het volgebouwde Nederland opgesplitst en ondergebracht in monotone industriegebieden, woonwijken, winkelcentra, kantoorwijken, recreatieterreinen, agrarische monoculturen, verkeers- en transportzones.

In het land hangt een onrustige sfeer van permanente verandering. Iedereen lijkt in de ban van de markt. Alles draait om vergroting van de produktiviteit en het marktaandeel, om kostenreducties, bedrijfssluitingen, fusies, overnames, saneringen, flexibilisering en privatisering.

Multinationals bereiden zich met massale ontslagen hier en investeringen daar inmiddels voor op de slag om de consumptiemarkten in de nieuwe groeilanden.

Het land stikt van de maatschappelijke veranderingen maar bestaanszekerheid geeft het niet. De helft van de Nederlanders klaagt over chronische vermoeidheid. De ene helft werkt zich rot, de andere helft verveelt zich rot. In materieel opzicht is men tevreden, maar tegelijkertijd heeft men last van een gevoel van vervreemding, zinloosheid, eenzaamheid, onmacht en het gevoel een op ieder moment vervangbaar radertje te zijn.

Doordat de samenleving steeds meer als los zand aan elkaar hangt, doet het leven koud aan en ontbreken positieve gevoelens van saamhorigheid en betrokkenheid. Men is niet zo gelukkig als in de jaren vijftig toen de arbeid betekenisvol was en de consumptie in een echte behoefte voorzag. Overdadige consumptie en recreatie moeten goed maken wat men aan existentieel bevredigende activiteiten mist.

Het ongenoegen over deze ontwikkeling groeit, maar angst en onmacht om uit het systeem te stappen overheersen. Voorlopig zitten we nog midden in het groeidenken. Terwijl de herstructurering van de Europese markt nog in volle gang is, dringt de mondiale vrijhandel een mondiale economische herstructurering op.

Een consequent doordacht, eenvoudig en succesvol gebleken groeiscenario ligt klaar voor de rest van de wereld en zal daar door velen zonder reserves worden omarmd. Het contrast tussen armoede en rijkdom is te groot voor bezinning.

Mondiale vrijhandel zal ertoe leiden dat het Westen globaal gesproken de meer kennisintensieve produktie verzorgt en de groeilanden de arbeidsintensieve produktie overnemen. Als de verschillen in welvaart op den duur enigszins zijn overbrugd en de bijbehorende sociale en milieuwetgeving zodanig overeenkomen dat de oorspronkelijke concurrentievoordelen zijn verdwenen, kan er weer regionaal gebonden worden geproduceerd en geconsumeerd. Maar de mondiale verwoesting van de culturele diversiteit door de westerse techniek is dan niet meer terug te draaien.

BIJ de huidige lage energieprijzen heeft het mondiale groeidenken de wind nog mee. Het liberale groeiscenario zal echter geen realiteit worden, omdat de mondiale energiereserves aan aardolie, gas, bruin- en steenkool daartoe niet toereikend zijn. De beschikbaarheid van energie tegen een redelijke prijs bepaalt te zijner tijd de grenzen aan de groei. Als de miljarden mensen in de ontwikkelingslanden op ons niveau van energieverbruik zitten, zijn de economisch winbare voorraden olie in 25 jaar en die aan bruin-, en steenkool in 50 jaar verbruikt. Uiteindelijk zal de mondiale economie moeten draaien op wat de zon ons toezendt.

De exploitatie van de diverse vormen van zonneënergie (wind, water, zonlicht en bio-energie) kan in maximaal 20 procent van ons huidige verbruik voorzien. Op zich geen onoverkomelijk probleem, de mens is flexibel genoeg, mits we het groeidenken tijdig verlaten en de mondiale omschakeling nog kunnen realiseren met voldoende goedkope fossiele energie, teneinde mondiale chaos en oorlogen om olie te voorkomen. Of om te verhinderen dat we noodgedwongen onze toevlucht moeten nemen tot onveilige kernenergie.

Maar waarschijnlijker is dat al lang voordien de energieprijzen omhoog zijn geschoten om vraag en aanbod in evenwicht te krijgen. De huidige abnormaal lage olieprijs is een meevaller voor de economische opleving, maar geen fundament voor een mondiaal groeiscenario.

Veel van de huidige economische activiteiten zijn bij een fors hogere olieprijs niet rendabel. Regionale produktie en consumptie, zonder energievretend transport dat nu 50 procent van het westers energieverbruik uitmaakt, zal weer normaal worden. De Groninger boer gaat, als hij tijd van leven heeft en z'n land niet voor recreatie onder water is gezet, weer gouden tijden tegemoet. Graan, oliehoudende zaden en bio-energie voor alternatieve motoren tegen dikke prijzen. Het peerd van Ome Loeks springt zo van z'n marmeren sokkel voor de ploeg zodra het aardgas op is.

Het optimisme dat wetenschap en techniek het energievraagstuk zullen oplossen, is niet reëel. Wetenschap kan geen energie maken, slechts vrijmaken en omzetten in andere vormen. Van de atoomsplitsingscentrales kennen we de beperkingen. Anderen verwachten veel van kernfusie. Als we erin zouden slagen de energie uit een waterstofbom in beheerste vorm te doen vrijkomen, krijgen we inderdaad de beschikking over een ongelimiteerde hoeveelheid atoomfusie-energie.

De fusie van waterstof tot helium is op de zon realiteit, maar de geldverslindende pogingen om kernfusiecentrales te ontwikkelen bieden tot nu toe weinig perspectief. Gezien de gigantische investering zal het nooit een goedkope energiebron worden.

Alle liberale aanbodeconomen die de groei willen stimuleren door kostenverlaging voor het bedrijfsleven en alle socialistische vraageconomen die de groei ter wille van de werkgelegenheid willen bevorderen door de particuliere consumptie en overheidsinvestering te vergroten, kunnen in dit licht beter ophouden met hun pleidooien voor het groeidenken.

Ze zouden er beter aan doen een minder vrijblijvende inhoud te geven aan het begrip duurzame ontwikkeling, dat bijna iedereen zegt te omarmen. Duurzame ontwikkeling zal in elk geval op blijvende energiebronnen moeten zijn gebaseerd. Voor de industrielanden zal het selectieve krimp en groei van de alternatieve produktie betekenen.

OM aangrijpingspunten voor deze nieuwe koers te vinden, kijken we eerst naar het mechanisme achter de groei, de bijdrage van de participanten op de vrije markt en de vrijheid van ieder om te veranderen.

Ondernemers streven naar winstmaximalisatie en continuïteit. Concurrentie zet de verkoopprijzen onder druk en verkleint de winstmarges. Door massaproduktie probeert men de kostprijs te drukken en met steeds weer nieuwe produkten de omzet te verhogen. Concurrentie roept groei op.

Vakbonden streven naar salarisverhoging en behoud van werkgelegenheid. De verhoging van salaris en sociale premies moet uit de produktiviteitsvergroting gehaald worden. Produktiviteitsstijging per werkuur in combinatie met behoud van werkgelegenheid betekent groei van het volume van de produktie. Deze toegenomen produktie moet worden afgenomen door werkende en niet-werkende consumenten, die zo veel mogelijk willen hebben voor zo weinig mogelijk geld.

Ook de overheid heeft gezien haar chronisch financieringstekort belang bij een expanderende economie met groeiende belastingopbrengsten. De drijvende krachten werken allemaal in de richting van meer groei. Men reageert primair vanuit het financieel eigenbelang, waardoor uiteindelijk de markteconomie en techniek in dienst van deze economie de samenleving overheersen in plaats van er dienstbaar aan te zijn.

Het systeem lijkt autonoom te functioneren omdat in feite geen van de participanten een besluit neemt om te groeien. De groei vloeit voort uit de ingebouwde wetmatigheden van het systeem. Het systeem lijkt gelegitimeerd omdat de producent uiteindelijk maakt wat de consument wil hebben. In deze eenvoud schuilt ook de kracht van het systeem.

De vrijheid van de ondernemer is beperkt tot meedoen aan de groei en optimalisering van de produktie. De vrijheid rekening te houden met factoren die belangrijk zijn voor de kwaliteit van het menselijk bestaan maar niet bijdragen aan het economisch resultaat, is minimaal.

Toch heeft de ondernemer de mogelijkheid en de vrijheid om duurzame alternatieve produkten en produktiewijzen te introduceren door in te spelen op een latente alternatieve vraag. Hij kan besluiten een deel van de maatschappelijk gezien verspilde reclamegelden voor nieuwe wasmiddelen of elektronische Spielerei aan te wenden om een verandering van koopgedrag in duurzame richting te bewerkstelligen.

De consument heeft binnen de mogelijkheden van zijn portemonnee de meeste vrijheid. In principe is hij autonoom. De klant is koning! Hij moet alleen nog leren zich als een koning te gedragen. Hij hoeft niet zo veel mogelijk tegen zo laag mogelijke prijs te kopen. Hij kan zich bekommeren om de maatschappelijke gevolgen van zijn aankopen. Hij kan milieu- mens-, diervriendelijke, kleinschalige, lokale, ambachtelijke produktie of verkoop begunstigen. Hij kan kiezen voor een soberder levensstijl.

Van ondernemers is daartoe geen initiatief te verwachten. Aan matiging is geen geld te verdienen tenzij de consument bereid is voor minder meer te betalen en begrijpt dat een minder massale, minder efficiënte produktie en geen import uit goedkope landen automatisch duurder voor hem uitpakt. Materiële achteruitgang moet dan wel vooruitgang in immateriële zin opleveren.

Op dit moment is dat niet het geval. Het individueel afzien van maatschappelijk ongunstige consumptie resulteert wel in persoonlijk nadeel, maar de voordelen van het massaal afzien en de mogelijkheden voor een succesvol alternatief worden pas reëel als iedereen het doet. Pas dan vallen eigenbelang en algemeen belang samen.

Onder consumenten, producenten, politieke partijen en overheid moet een alternatieve wind gaan waaien. Om te beginnen in Europa moet het groeidenken in alternatieve richting worden omgebogen. Alleen onder een beschermende paraplu van 'Europa' kan aan een duurzame en alternatieve produktie en consumptie worden gewerkt.

Concurrentie dwingt ondernemers tot kostprijsverlaging. Deze druk op de kosten moet door maatschappelijke tegenkrachten worden opgevangen. In de Europese Unie zijn vakbonden, politieke partijen, overheden of milieuorganisaties samen sterk genoeg om ervoor te zorgen dat loonkosten, sociale lasten en milieukosten op een behoorlijk niveau blijven en doorberekend worden in de kostprijs. Dit vraagt om beschermende maatregelen tegen concurrentie van buiten de EU.

Bij mondiale vrijhandel zal het internationaal georiënteerde bedrijfsleven deze tegenkrachten ontlopen door te investeren in lage-lonenlanden met groeiende consumptiemarkten en en passant ook de produktie ten behoeve van de westerse markt meenemen.

Produktie in westerse landen is dan alleen nog lonend door de hoge arbeidskosten en sociale premies te ondervangen met geavanceerde produktietechnieken en sterke produktiviteitsstijging. Werknemers die als gevolg hiervan ontslagen zullen worden, moeten met een minimale uitkering genoegen nemen om de sociale uitgaven betaalbaar te houden.

Alleen een kleine kern van medewerkers zal nog een vaste aanstelling krijgen, de overigen worden bij voorkeur op contractbasis aangesteld. Als bovendien het principe van eerlijk delen tussen actieven en gedwongen inactieven wordt verlaten, zullen de door de mondiale handel machteloos geworden werknemers en uitkeringsgerechtigden een bron van grote sociale onrust vormen.

ALS we vinden dat regionaal gebonden produktie en consumptie in de Europese Unie de toekomst heeft en bepaalde vormen van produktie en sociale voorzieningen hier intact moeten blijven, is bescherming tegen externe concurrentie uit landen met maatschappelijk achterhaalde produktie-omstandigheden noodzakelijk en gerechtvaardigd voor een toekomstig duurzame samenleving. Hetgeen ondersteuning van alternatieve import onverlet laat.

De EEG is indertijd opgezet om een grotere markt te creëren, maar had ook een protectionistische doelstelling en moest het mogelijk maken de kolen- en staalindustrie en de landbouw te reorganiseren zonder sociale onrust. De noodzaak hiertoe dient zich opnieuw aan.

Alleen als het Europese bedrijfsleven niet wordt meegesleept in een mondiale herstructurering, kan het de rust vinden om intern orde op zaken te stellen en met behulp van zelfregulering van produktie en investeringen zorgen voor redelijke winsten en in balans met andere maatschappelijk krachten de verantwoordelijkheid nemen voor een duurzame samenleving.

Bij vrije wereldhandel zijn we uitgeleverd aan de overheersing van de vrije markteconomie en krijgen we naast een terugtredende overheid, ook terugtredende politieke partijen, teruggedrongen vakbonden en teruggeslagen milieuorganisaties. Nu de Europese handel met de wereld nog beperkt is vergeleken met de binnen-Europese handel, kunnen we door een gezamenlijke Europese aanpak het markt- en groeidenken geleidelijk terugdringen en weer in balans brengen met andere maatschappelijke krachten.

Door voldoende distantie van en tegelijk betrokkenheid op de wereldgemeenschap kunnen we een eigen duurzaam Europees maatschappelijk concept ontwikkelen en andere economische regio's de ruimte laten voor hun sociaal-culturele en economische ontwikkeling en deze ondersteunen.

Bovendien kunnen we, als we niet in het kielzog van de mondiale economische expansie meegesleurd worden, tijd vinden om een reeks andere uit het marktdenken voortvloeiende problemen aan te pakken, zoals particuliere luxe naast collectieve tekorten, de maatschappelijke tweedeling en de politieke apathie.

E.E. Helfferich is docent interdisciplinaire didactiek agrarische onderwijskunde aan de Landbouwuniversiteit Wageningen.

Meer over