Duurzaam, het geheime wapen van de Denen

Rood is de Deense vlag, maar groen is hun hart. Ze kozen noodgedwongen voor duurzame energiebronnen en gingen er vol voor. 'We moesten iets doen en hadden alleen onze hersenen.'

De plantsoentjes op de rotondes op de weg naar Esbjerg zijn in tweeën gehakt. Tussen de twee halve heuveltjes ligt een brede strook asfalt: een rotonde is geen ding om omheen te rijden voor de vrachtwagens met windmolenwieken. Ruim baan voor de windindustrie - de Deense overheid denkt met haar groene bedrijven mee.

Op een haventerrein even verderop staan tientallen reusachtige krekels in slagorde opgesteld. In deze stalen beesten zitten de turbines die bovenop de masten worden gemonteerd. Straks worden ze naar hun plek in de Belgische Noordzee gevaren. Windmolens zijn niet alleen voor de Deense energievoorziening belangrijk (ze leveren er inmiddels 30 procent van de stroom, in Nederland 2), maar zijn ook een sterk exportproduct. Ook de turbines van het nieuwe offshorewindpark van Eneco bij Katwijk komen hier straks vandaan.

Vestas, dat hier in Esbjerg zijn molens monteert voor ze de zee op gaan, was nog een bedrijfje in landbouwwerktuigen toen het begin jaren zeventig begon met het ontwerp van windturbines. De overheid zag er heil in, gaf geld en bouwde een onderzoekcentrum; niet alleen voor Vestas, maar voor alle windmolenbouwers. Nu werken er 25 duizend Denen in de sector, die een miljardenomzet heeft. Siemens, General Electric, duizenden kleinere bedrijven: ze zitten in Denemarken, van research tot productie.

Wat cijfers op een rijtje. Zo'n 45 procent van de in Denemarken opgewekte stroom is groen, met wind en biomassa als belangrijkste bronnen (dat is twee keer zo veel als in Duitsland en vier keer zo veel als in Nederland). Zo'n 10 procent van de Deense export is groen; niet alleen windmolens, maar ook recyclinginstallaties, waterzuiveringsmachines en duurzame textiel vinden gretig aftrek in het buitenland. Denemarken heeft het energieverbruik sinds de jaren zeventig constant gehouden, terwijl de welvaart steeg. En is al jaren energie-onafhankelijk: het exporteert meer energie dan het importeert. Het doel: geen CO2-uitstoot meer in 2050.

Wat hebben die Denen gedaan, de afgelopen veertig jaar?

Torben Damsgaard, een projectleider op de werf van Vestas, heeft wel een idee. De geboren Esbjerger zag het vissersdorp uitgroeien tot belangrijke schakel in de windindustrie. 'Het begon met de oliecrisis. We realiseerden ons dat we iets slims moesten bedenken als we niet meer afhankelijk wilden zijn van de Arabieren. Want welke alternatieven hadden we? Alleen onze hersenen.'

De stijgende olieprijzen van 1973 troffen Denemarken hard. Het land draaide voor 90 procent op geïmporteerde olie, die werd verstookt in benzinetanks, elektriciteitscentrales en kachels thuis. De Denen schrokken en besloten hun risico's te spreiden.

Dat had niet direct groene consequenties. Eerst werd vooral aan diversificatie gedacht: er werden kolencentrales gebouwd en zestien plekken voor kerncentrales aangewezen. Er werd olie en gas aangeboord in de Noordzee. En er werd voorzichtig geëxperimenteerd met windmolens.

Maar toen het parlement in Kopenhagen in 1985 tegen kernenergie stemde, werden die windmolens ineens essentieel. Er kwamen subsidies voor de bouw, maar ook verplichtingen: energiemaatschappijen moesten verplicht stroom van windmolens inkopen en gemeenten moesten er geschikte plekken voor zoeken.

Wat ook hielp was dat de gewone Deen er van meet af aan bij betrokken werd. Huishoudens kregen belastingkorting als zij collectief windmolens neerzetten. In 1996 waren er in totaal 2.100 windcollectieven, gevormd door ruim 100 duizend huishoudens, die samen 86 procent van de molens hadden gefinancierd. 'Dat legde de basis voor de steun aan windenergie in Denemarken', staat in een recent rapport van Irena, het internationale agentschap voor duurzame energie.

Er speelt meer mee, zegt Jos Notenboom van het Planbureau voor de Leefomgeving in Bilthoven, die het energiebeleid international vergeleek. 'Vikingenbloed. Het is een trotse natie, ze zijn het oudste koninkrijk van het Westen. De zucht naar onafhankelijkheid is veel sterker dan in Nederland, dat trots is op zijn handel. Ze hebben ook geen koloniale geschiedenis, waren altijd meer op zichzelf teruggeworpen.'

De zucht naar onafhankelijkheid en voorzieningszekerheid vond weerklank aan zowel de conservatieve als de progressieve kant van het politieke spectrum. Toen daar eind jaren tachtig het klimaatbewustzijn bij kwam (in 1990 werd al een CO2-reductiebeleid van kracht), paste dat perfect in de heersende energiedoctrine. Groen was goed voor het klimaat, maar ook voor land en bedrijven. Zo bleef het groene beleid drie decennia stabiel.

'Dat stabiele beleid past ook heel goed in de Deense politieke cultuur', zegt Notenboom. 'Het politieke landschap is behoorlijk gefragmenteerd, net als in Nederland, maar er wordt voortdurend gezocht naar een zo breed mogelijk draagvlak. Achtereenvolgende kabinetten hebben daardoor veel meer respect voor elkaars besluiten.' In 2012 werd het ambitieuze energie- en klimaatplan voor 2020 door 95 procent van de volksvertegenwoordigers aangenomen.

Windmolens zijn niet de enige vrucht van dat energiebeleid. Een andere gouden greep was de aanleg van stadsverwarming, een groot buizenstelsel dat de huizen met restwarmte van elektriciteitscentrales voedt. In Nederland wordt die warmte vaak geloosd en dus verspild.

'Warmtekrachtcentrales zijn veel efficiënter', zegt Henrik Andersen van het Deense Energie Agentschap in Kopenhagen. Het energieagentschap zetelt vlakbij het koninklijk paleis, met uitzicht op het water. Volgens hem zijn zuinigheid, efficiency, besparingen een belangrijk onderdeel van het Deense energieverhaal. 'Dit is mijn lievelingsgrafiek', zegt hij, en laat een paar lijnen zien die bijna als logo worden gebruikt op Deense energierapporten. 'Hier de stijgende welvaart, en daar het energieverbruik. Dat daalt. De energie-intensiteit is enorm afgenomen. Dat komt doordat we steeds zuiniger met energie omgaan.'

Volgens berekeningen van zijn agentschap heeft het gebruik van 'restwarmte' het Deense energieverbruik met 14 procent gereduceerd.

Even verderop, net ten zuiden van hippiekolonie Christiania, staat zo'n warmtekrachtcentrale, het Amager Kraftvaerk. Gewoon een stroomfabriek op het eerste gezicht: een paar dozen met hoge schoorstenen. Voorheen van het Zweedse Vattenfall, maar dat wilde de boel sluiten - door alle windstroom loont het bijna niet meer zo'n centrale draaiende te houden. Dat is een probleem, want zo'n centrale is er dus niet alleen voor stroom, maar ook voor de warmte.

De stad Kopenhagen heeft de centrale overgenomen. 'Voorlopig hebben we die warmte nog nodig', zegt Kenneth Jepsen van gemeentelijk energiebedrijf Hofor. 'Maar we hebben nu de hele energieketen in handen, van productie en distributie tot de gebruikers. Daardoor kunnen we het systeem optimaliseren. Idealiter krijgen we de warmtebehoefte bij de huishoudens omlaag door betere isolatie en minder heet stoken. Dan kan deze centrale uiteindelijk misschien uit, en hebben we hooguit wat kleine, decentrale installaties nodig.'

Dat Kopenhagen via Hofor weer greep kreeg op zijn energievoorziening is opmerkelijk. 'Zo houd je controle', zegt Inge Nilsson. Zij is projectleider van het ambitieuze plan Kopenhagen in 2025 de eerste klimaatneutrale hoofdstad ter wereld te maken. 'Via Hofor kunnen we ook investeren in windmolens en biogas', zegt ze. 'Het is prettig om voor die ambities minder afhankelijk te zijn van commerciële energiebedrijven.'

Het is niet zomaar een slogan: Kopenhagen Klimaatneutraal. In het kantoor van Nillsson hangt een drukbeschreven werkschema aan de muur, met de taken van tientallen medewerkers. Onlangs sloten ze een grote deal om de hele stad te voorzien van energiezuinige led-verlichting, ze hebben grote programma's om de bestaande bouw te isoleren, alle auto's van de gemeente worden elektrisch, fietspaden worden driebaans - straks moet de helft van de forensen de stad in fietsen, nu is dat 36 procent.

Het lijkt iets kleins, maar die fietsers zijn belangrijk, zegt Nilsson. 'Zo'n ambitie is snel opgeschreven, maar je moet er wel aan werken. Als je meer fietsers wilt, moeten ze wel op de fietspaden passen.' Onlangs is ook een wandelpad door een park opengesteld voor fietsers. 'Daar is veel verzet tegen. Maar mensen gaan alleen fietsen als ze snel van A naar B kunnen. Niet alles kan blijven zoals het is.'

Het Kopenhaagse energie- en klimaatbeleid lijkt een allegaartje van kleine en grote maatregelen. Maar wat opvalt is de consistentie. Als op windmolens wordt ingezet, is dat meteen voor dertig jaar. Dat de toekomst er een is zonder olie en gas dringt tot in de verste uithoeken van het beleid door: zo mogen nieuwe huizen niet worden warmgestookt op olie of gas. Gewoon, verboden.

Natuurlijk zijn er hobbels, uitdagingen, problemen. Vestas bleek niet immuun voor de crisis. Ook in Denemarken is er verzet tegen nieuwe, grotere windmolens. Er is discussie over de biomassa waarmee de helft van de warmtekrachtcentrales worden gestookt: hoe duurzaam zijn die houtsnippers? Maar er wordt over gepraat, en niet alleen over plannen en doelen, maar juist over de uitwerking.

'Het geheim van Denemarken?' Minister Martin Lidegaard denkt even na. Hij is minister van Energie, Klimaat en Bouw - onderwerpen die in Nederland strikt gescheiden zijn. 'Zorg dat je een markt krijgt. We hebben iets bedacht en dat volgehouden, en zo is een markt ontstaan. En juist die markt is de sleutel tot ons succes.'

Dat moet hij uitleggen. 'Geef niet meer subsidie dan nodig. Dan dwing je de markt tot vernieuwing en innovatie en dalen de kosten. Als je te genereus subsidieert, zoals in Duitsland, blijven de kosten hoog en gaat de bevolking sputteren.'

Ook denkt hij dat de combinatie van klimaat- en industriebeleid zijn land goed heeft gedaan. 'Het is lopen op twee benen. Je kunt alleen groene ambities mainstream maken als je de industrie erbij betrekt. Het bedrijfsleven moet wat te winnen hebben.'

En ja, dan heb je ineens veertig jaar lang een vrij stabiel beleid gehad, constateert hij. 'Die energieonafhankelijkheid is fantastisch. Nu houden we al dat geld in eigen land en verdienen we zelfs aan de export van olie en gas. Maar we hebben ook geluk gehad. Als we net als jullie ons aardgas eerder hadden ontdekt, hadden we ons misschien geen zorgen gemaakt over onze energieafhankelijkheid en waren we niet aan windenergie en stadsverwarming begonnen.'

undefined

Meer over