Dus kennelijk heb ik toch wel ergens vrienden

Piet Doedens (66) werd van de middelbare school getrapt en zwierf als barpianist langs nachtclubs. Zijn carrière als strafpleiter begon bij de oude Max Moszkowicz in Maastricht....

tekst Jan Tromp en Stephan Vanfleteren

Hij heeft euthanasie overwogen. Hij besprak het met zijn artsen. ‘Een beroerte is voor mij als een dijkdoorbraak. Het overstroomde gebied is er een van grote wanorde en bijna onherstelbare vernieling.

‘Iedereen, of bijna iedereen, die een beroerte heeft gehad, denkt: mijn leven is naar de klote, dit wordt helemaal niets meer.’

Met Elvire, zijn liefde van dertig jaren her, ging hij vaak naar Knokke, naar het strand. Daar zie je er veel van zijn soort; de butler die een karretje voortduwt over de boulevard. ‘Ik zei altijd tegen Elvire: als mij zoiets overkomt, schiet ik me voor m’n harses.’

Verschrikkelijk is de afhankelijkheid. Anderen die je broek openmaken, omdat je naar de wc moet. ‘In de inrichting hebben ze me nog geadviseerd een broek te nemen met klittenband.’ Afhankelijkheid komt met vernedering.

Mr. Piet H. Doedens droeg al maatkostuums (en handgemaakte schoenen) lang voordat de bladen de Best Geklede Man bedachten. De scheiding in het haar onberispelijk over het geometrische midden van de schedel – het was onmogelijk hem niet op te merken.

Zijn kleermaker heeft zijn zaak 200 meter verderop aan de Utrechtse Oudegracht, schuin tegenover de HEMA. Doedens hoeft alleen maar de stof uit te zoeken, weldra ligt het pak klaar. Wat is er nou prettiger dan dat?

Autorijden heeft hij nooit gekund. Hoe je een e-mail verstuurt, hij zou het niet weten. Aan een mobiele telefoon doet hij niet. Elvire, een hoogblonde dame met een scherp profiel, is in alle opzichten zijn muze.

In de zomer zijn ze getrouwd, na dertig jaar samenwonen. Het gebeurde in het revalidatiecentrum, door hem stelselmatig als ‘de inrichting’ aangeduid. Hij verbleef er een jaar. ‘Ik wilde haar om me heen hebben. Erg sociaal ben ik niet. Weinig vrienden. Ik ken wel mensen, maar eigenlijk alleen via dat baantje in de advocatuur. Ik wil nu iemand om me heen hebben van wie ik hou, bij wie ik me prettig voel en die er ook een beetje tegen opgewassen is. Want laten we eerlijk zijn: een cadeau is het niet, zo’n lamme man.’

Ook moeilijk, zeer moeilijk te verdragen is het gemis van vrijheid. Het gaat om eenvoudige dingen, om de vrijheid van alledag. Dat hij boven voor zijn raam zit, in het herenhuis aan de gracht, en dat hij ze aan de overkant naar de bioscoop ziet gaan. Je moet ze zien lopen, met een nonchalance, ja, met een slordigheid bijna – alsof lopen de gewoonste zaak van de wereld is. ‘Zij wel. Dat gevoel, snap je?

‘Ik zie hoe jij op twee benen binnenkomt. Ik zie dat en ik denk: liever zag ik hem kruipend.’

Woede voelt hij, nog het meest over het feit dat je wordt verondersteld niet woedend te zijn. ‘In de inrichting waar ik nog steeds kom voor m’n revalidatie heeft een of ander kutreclamebureau van die teksten opgehangen als: kijk niet om, wees blij met wat je hebt. Nou, ik zal je zeggen wat ik heb. Ik heb een linkerarm die erbij hangt als een beenham aan de haak van de slager. Dus kom mij niet aan met die lulverhalen. Hoe kan ik nou niet omkijken als ik kilo’s lam vlees aan mijn lijf heb hangen?’

Er is meer om kwaad over te zijn. Toen ze hem naar die inrichting hadden gebracht, in november 2007, hadden de dokters hem gezegd: ‘We zien u straks wel weer lopen.’

Dat is in zijn ogen ook al zo’n lulverhaal gebleken. Dat lopen van hem, dat kun je toch geen lopen noemen? Dat is een beetje zielig schuifelen, al moet hij erbij zeggen dat de artsen het anders zien. Maar voor hem heeft het helemaal geen barst te maken met lopen. ‘Ik zei tegen die arts: joh, had dan een ander woord gebruikt. Wat ze niet lijken te begrijpen, is dat je elke strohalm aangrijpt als ze je lam binnenbrengen.’

In augustus besloot de strafpleiter dat hij niet zal terugkeren in de rechtszaal. Het herstel van de gevolgen van de hersenbloeding gaat te traag en is onvolkomen. De drugsbaronnen en de spraakmakende moordenaars moeten omzien naar een andere raadsman.

Hij ontvangt in zijn oude werkkamer. Aan de hoge donkerbruine wanden slijten een vleermuis, twee everzwijnen en een Russische beer hun eeuwige leven. Het gesprek gaat over oud worden. Hij heeft er nooit naar verlangd. Ook oud worden in het vak stond hem tegen. In 1980 nam hij de praktijk over van de beroemde mr. B. F. J. Simon, advocaat van de oorlogsmisdadiger Pieter Menten. Hij was 38, Simon 83. Ze zouden nog een paar jaar samenwerken.

Een confrère à son retour, dat was wat hij meemaakte. ‘Simon kon er niet tegen dat hij uit de belangstelling raakte. Hij kon er niet tegen dat hij moest concluderen dat hij zijn hele leven alleen maar had gewerkt. Ik zei tegen mezelf: jezus, wat een kale vertoning, zover moet jij het niet laten komen.’

De natuur is Piet Doedens nu voor geweest, maar lang was hij niet meer gebleven in het vak. Schrijven – dat gaat hij doen. Er komt een boek aan, met stukken over de zee, over zijn moeder, ook wel over het vak. Herinneringen en overpeinzingen van een lammeling, gaat het heten. Alles zit erin, in dat ene woord. ‘Er zit eenling in, schipbreukeling en zonderling, ellendeling, vreemdeling – maar vooral eenling.’

Hij is het allemaal. ‘Natuurlijk ben ik een lammeling. In elk geval in de ogen van een deel van politie en justitie.’

In zijn nadagen, nog na zijn hersenbloeding, heeft de politie van Gelderland de deken van de Orde van Advocaten gevraagd Doedens te schorsen wegens smadelijke aantijgingen. Het gaat over de arrestatie van drugshandelaar Charles Zwolsman, eind oktober 2006. Doedens heeft sterke aanwijzingen dat de politie de opsporingsregels met voeten heeft getreden en dat er weinig klopt van het officiële verhaal dat men bij toeval Zwolsman op het spoor kwam.

‘Die officier – een heel aardige vrouw trouwens, daar zou ik zo gehuwd mee kunnen zijn, heel vriendelijk ook en mooi en aangenaam om te zien – iedere keer zei ik maar tegen haar: mevrouw, hoe kan dat nou toch dat die man is opgepakt, dat hele verhaal van de politie is toch hoogst onwaarschijnlijk, en dan zei ze: nee hoor, geloof me, er is niet getapt en er is niet geobserveerd.’ Doedens heeft een getuige, een ex-politieman die volhoudt dat tegen betaling informatie is gelekt vanuit het onderzoeksteam.

De brigadier-rechercheur die het onderzoek begon, blijkt danig in zijn wiek geschoten over ‘de smadelijke en lasterlijke insinuaties’ van Doedens. ‘Dit zijn aantijgingen en beledigingen die ik nimmer kan en zal tolereren’, schrijft hij aan de deken.

Doedens: ‘Het is een stel sukkels bij elkaar; het is pure arrogantie van de macht.’

Er leven ook andere opvattingen over Doedens. Hij leest voor uit correspondentie die hij ontving na zijn beroerte. ‘Je hoeft geen tranen in je ogen te krijgen, hoor. Maar ik zal je eens verrassen.’ Rechters en officieren van justitie die hem lof toezwaaien en hem schrijven dat ze hem zullen missen: ‘Als u onze inpandige, van daglicht verstoken zittingszaal binnenkwam, was het steeds alsof de zon een beetje ging schijnen.’ Opkijkend: ‘Dan denk je: dus kennelijk heb ik toch wel ergens vrienden.

‘Hier, deze man begin met: Waarde Doedens. En dan notabene een uitroepteken achter Doedens.’

Hij kijkt nog eens op: ‘Het beeld van mij was natuurlijk dat ik een lastige klootzak was, die zaken zat te verzieken, de rechtsstaat liep te ondermijnen, door en door commercieel was, reclame zat te maken voor zijn eigen tent en verder een beetje uit z’n neus zat te vreten.’

Bestond er zoiets als de methode-Doedens?

Hij was een van de eersten die zich niet baseerden op alleen de processtukken. Hij zag het dossier als een spannende roman die voortdurend de vraag opwierp: en wat staat er niet in? Hij bouwde zijn eigen verhaal op. Hij riep de getuigen op, die de politie al had verhoord. Hij deed zijn eigen en eigenzinnige double check. Vaak genoeg waren het zittingen waaraan geen einde leek te komen. ‘Ik maakte wel het grapje: aardappelen koud, vrouwtje koelt af. Vonden ze niet zo leuk als ik dat zei, die rechters.

‘Maar waar het mij steeds om ging, was voor de rechter een werkelijkheid te schetsen die anders was dan in de processtukken stond beschreven. Zodat de rechter zou denken: verrek, misschien heeft de verdediging gelijk, misschien zit het toch anders in elkaar.’

Zo heeft Doedens in de loop van 25 jaar, als een speurder, de rechten verdedigd van drugsbaronnen als Charles Zwolsman, de Hakkelaar en de Zwarte Cobra. In hoger beroep wist hij vrijspraak te krijgen voor de fietsenhandelaar Rob van Zaane die begin jaren tachtig werd verdacht van de Zaanse paskamermoord. Eerder was Van Zaane veroordeeld tot twaalf jaar.

‘Ik zal je vertellen, er zaten bij het hoger beroep drie knappe koppen als raadsheren op die zaak. Mensen die hun vak beheersten.’

Van Zaane deed aan sadomasochisme. Vooral op grond daarvan werd hij door justitie als verdacht aangemerkt.

Doedens: ‘Dan zeg ik: dan heb ik toch een heel dankbare taak. Als ik die knappe koppen ervan kon overtuigen dat sadomasochisme – met zo’n slap zweepje op een kont staan te tikken – geen bal te maken heeft met moorddadige neigingen, maar een specifieke manier is van het bedrijven en beleven van de liefde, dan deed ik iets betekenisvols. Toch?’

De methode-Doedens: hij duikelde drs. Dick Visser op, seksuoloog en psycholoog aan de universiteit van Utrecht. De man had onderzoek verricht onder 452 sadomasochistische mannen en vrouwen, in de leeftijd van 20 tot 81 jaar. Doedens nam hem mee naar het gerechtshof en vroeg permissie de man als getuige te horen.

Doedens: ‘Ik zit daar die voorzitter aan te kijken, ik denk: godverdomme, die wil niet. Ik zeg: ik begrijp wel, uw hof is druk bezet, maar ik heb hier drs. Visser meegenomen, en die is gaarne bereid u in kort bestek uit te leggen hoe het in elkaar zit. Ik weet er eigenlijk geen bal van, ik weet natuurlijk niet hoe het bij uw hof zit dienaangaande, maar zoudt u zo vriendelijk willen zijn mij in de gelegenheid te stellen drs. Visser op die en die punten te horen.

‘Anderhalf uur bleven ze weg voor beraad – je houdt het niet voor mogelijk. Toen kwam de voorzitter terug: Van der Haar, een rechtlijnige maar rechtvaardige man. Je kon zien dat hij dacht: die Doedens heeft al 58 getuigen gehoord, komt er godverdomme wéér een bij, ik zag het hem denken. Van der Haar zei: uw voorstel is door ons gewogen, wij zijn van oordeel dat het niet nodig is deze getuige te horen, wij zijn voldoende voorgelicht.

‘Toen werd ik kwaad. Was een foutje, had ik niet moeten doen. Ik zei: waar hebt u het over als u zegt dat u voldoende bent voorgelicht? Ik kom geregeld bij mijn sigarenboer om de hoek, daar ligt die rotzooi onder de toonbank. Dat is toch niet wetenschappelijk? Maar dit hier, drs. Visser, dát is wetenschap! Maar goed, ze wilden er niet aan.

‘Toen heb ik drs. Visser de volgende dag laten interviewen, paginagroot, door De Telegraaf. De kop luidde: ‘Het laatste taboe: een sadomasochist is nog geen moordenaar.’

De methode-Doedens ten voeten uit.

‘Van Zaane is vrijgesproken omdat het hof zwart-op-wit motiveerde dat zijn schuld niet onomstotelijk was komen vast te staan. Daarmee was de sm-theorie van justitie van tafel. Zo simpel was het, want voor de rest was er nauwelijks ander betrouwbaar bewijs.

‘Ik heb nog gezegd in mijn pleidooi: je moet toch wel helemaal van de pot gerukt zijn als je durft vol te houden dat je, omdat je aan sm doet, een lustmoord pleegt om acht uur ’s ochtends, in een kwartiertje, in een paskamertje van twee bij drie meter – wie heeft daar nou zin in?’

Hij leunt achterover. Hij mag een sigaartje opsteken.

‘Voor mezelf, niet eens voor de buitenwereld, wil ik weerlegd hebben dat ik een querulant was. Ik heb de regels niet bedacht. Ik heb wel altijd gevonden dat we aan onszelf verplicht zijn de regels serieus te nemen. Een verdachte, iedere verdachte moet volgens de regels worden berecht. Dat is in ons aller belang.’

Meer over