ESSAYStotteren

Dus Joe Biden stottert. Nou en?

Beeld Hollandse Hoogte / AFP

Casper Luckerhof stottert en herkent in Joe Bidens toespraken de kenmerkende plotselinge zinswendingen en haperingen. Waarom doet de presidentskandidaat alsof hij eroverheen is gegroeid?

Joe Biden staat als tiener voor de spiegel. Hij houdt zijn rug recht en borst vooruit. In zijn handen heeft hij een bundel van de Ierse dichter W.B. Yeats. Hij kijkt naar zichzelf. Hij observeert zijn gezicht. Als hij niet praat, ziet zijn gelaat er strak uit. Dat is goed. Dan oogt hij normaal. Dat moet hij volhouden. Normaal is belangrijk.

Langzaam probeert hij de woorden van Yeats uit zijn mond te laten vloeien.

Every trial endured and weathered in the r-…’

De letter ‘r’ komt niet. De klank blijft vasthangen in zijn keel. Zijn ademhaling stokt. De kleine Joe trekt met zijn mond. Zijn ogen sluiten als vanzelf als hij het doet. Dat wil hij niet. Hij wil geen idioot zijn. Hij wil niet dat anderen denken dat er iets mis met hem is. Opnieuw. Nu in een andere cadans. Als je de letter snel uitspreekt, of misschien zelfs níet uitspreekt, maar er als het ware overheen vliegt, dan kun je de zin aan. Dan ben je niet raar. Dan versla je dit probleem.

Every trial endured and weathered in the r-rright spirit makes a soul nobler and stronger than it was before.’

Nee, nee. Opnieuw.

De Amerikaanse Democratische presidentskandidaat vertelde dit verhaal in 2016 tijdens een bijeenkomst van het American Institute for Stuttering. Het fragment is terug te kijken op YouTube. Biden is zichtbaar op zijn gemak. Kijk naar mij, zegt hij tegen de aanwezige stotteraars in de zaal. Net als jullie stotterde ik vroeger ook. Maar ik heb ertegen gevochten. Elke dag stond ik voor die spiegel, net zo lang tot mijn zinnen er net zo vloeiend uitkwamen als nu. En het is me gelukt. Ik heb een succesvolle politieke carrière. Ik ben vice-president geworden onder Barack Obama. Ik heb het probleem overwónnen. En dat kunnen jullie ook. Als je maar hard genoeg je best doet.

Nu, vier jaar later, staat Joe Biden aan de vooravond van het belangrijkste moment uit zijn loopbaan, en worden zijn leiderschapscapaciteiten door zijn spraakgebrek openlijk in twijfel getrokken. Fox News maakte vorig jaar juli na het tweede Democratische debat een compilatie van zijn haperingen. Het team van Trump probeert hem af te schilderen als een seniele oude man, die niet meer in staat is goed uit zijn woorden te komen.

Niet veel mensen weten dat Joe Biden stottert. Als ik het aan vrienden vertel, reageren ze bijna altijd verrast. Ik snap dat wel. Het valt niet direct op. Biden is een goede debater. Zijn speech ter acceptatie van zijn Democratische presidentsnominatie was vloeiend en krachtig. En toch hoor ik het als stotteraar meteen. Het zoeken naar woorden. Het razendsnel verbuigen van zinnen op het moment dat je een hapering aan voelt komen. Biden kan het als geen ander.

Tegelijkertijd is het geen feilloze spreekmethode. Het is zelfs riskant. Je moet continu nadenken over zowel je inhoudelijke boodschap als de woorden waarin je die vloeiend kunt overbrengen, zonder dat je de grammatica al te veel geweld aandoet. Als Biden moe is, gaat het moeizaam. Dan is hij kwetsbaar. Dan wankelen zijn woorden.

Kort geleden viel mijn oog op een tweet van Amerika-deskundige Willem Post. Hij schreef dat hij Biden van ‘zeer dichtbij’ in Iowa en New Hampshire heeft gezien. ‘Ik ben geen arts of psychiater maar mijn conclusie was dat hij met behoorlijke regelmaat zijn zinnen niet goed afmaakte.’

Ik voelde de woede direct opborrelen. Ja, Willem, dat is inderdaad precies wat stotteraars doen. Ze maken hun zinnen niet altijd af. Nou en? Ik vroeg me af waarom ik hier zo boos over werd en kwam tot de conclusie dat het is omdat in deze woorden een impliciet oordeel schuilt: er is iets mis met Joe Biden, misschien is het medisch, misschien is het psychisch, maar hij functioneert niet helemaal normaal. Misschien is hij gewoon niet zo capabel. En dat is precies het oordeel waarvoor je als stotteraar altijd vreest.

Ik begon in groep zeven met stotteren. Ik kan me het specifieke moment niet herinneren. Het zal waarschijnlijk een heftige verspreking zijn geweest tijdens een klassikaal moment. Daarna de onzekerheid. De verwarde blikken van klasgenootjes. Dit klopte niet. Wat was dit?

Binnen enkele maanden durfde ik de telefoon niet meer op te nemen. Ik vermeed situaties waarin ik met vreemden moest praten. Ik kon mijn naam niet meer uitspreken. Met ‘C-c-c-c-c-…’, zei ik als ik een vriendje belde maar zijn moeder aan de telefoon kreeg. ‘Hoi Casper’, zei ze met een lach nog voordat ik mijn naam kon uitspreken. Soms zei ik dan maar mijn achternaam. ‘Met Luckerhof’. Ik wist dat dat ongebruikelijk was voor een 11-jarige, dat niemand dat deed, of nou ja, het schijnt dat mijn opa vroeger op die manier de telefoon opnam, maar dat maakte niet uit, het belangrijkste was dat ik honderd keer liever een vreemde jongen was dan iemand die stotterde, want dat laatste betekende, althans zo voelde ik het op dat moment, dat ik een mislukkeling was.

Bij vlagen kon ik mijn probleem goed verbergen. Toen ik voor de eerste keer bij een stottertherapeut kwam, wist ik een uur lang vloeiend te spreken. Na afloop constateerde de therapeut dat er weinig met me aan de hand kon zijn. Het profiel ‘klopte’ ook niet helemaal. De meeste kinderen beginnen tussen hun tweede en zevende levensjaar met stotteren, en ik zat al bijna in groep acht. Ik kon weer naar huis. ‘Zie je wel’, zei mijn moeder opgelucht, ‘je stottert niet écht.’ Het was goedbedoeld, als troost, om mij de zekerheid te geven dat het allemaal wel meeviel, maar achteraf had ik op dat moment niets liever gehoord dan dat ik inderdaad stotterde, dat het vervelend was, maar geen ramp, en dat we van alles konden proberen om het beter te maken.

Dit voorjaar verscheen er een stuk in The Atlantic over het stotteren van Joe Biden. Daarin vertelt hij openhartig over zijn jeugd. Op school noemden ze hem stutter head. Hij deed er alles aan om in sport uit te blinken, zodat hij serieus genomen werd. Maar als de Amerikaanse journalist John Hendrickson, zelf een stotteraar, aan Joe Biden vraagt of hij nu nog stottert, gebeurt er iets interessants. Nee, zegt Biden resoluut. Hij heeft het gevoel al decennia niet meer te stotteren. En die haperingen van de afgelopen debatten dan? Nee, die kan Biden zich niet herinneren. Hij begint snel over iets anders.

Het punt is, schrijft Hendrickson, dat Biden aan toehoorders altijd hetzelfde levensverhaal heeft verteld. Hij presenteert zichzelf als Uncle Joe. Hij stotterde weliswaar vroeger, als kind, maar heeft zich er naar eigen zeggen op bewonderenswaardige wijze uit gevochten. Op Biden kun je vertrouwen. Hij is standvastig, loyaal en stabiel. Zo iemand stottert niet meer. Zo iemand staat triomfantelijk op een podium om jonge mensen in te fluisteren dat het allemaal wel goed komt, als ze maar hard genoeg hun best doen.

Hendrickson geeft niet op. Aan het einde van het interview vraagt hij of Biden soms bang is dat mensen medelijden met hem zouden hebben als ze denken dat hij nu nog stottert. Biden denkt na. Hij verkrampt. Nee, nee, zegt hij dan, je kunt moeilijk medelijden hebben met iemand die vice-president is geworden, met iemand die zoveel onderscheidingen heeft gekregen, met iemand die het zó ver geschopt heeft. Biden associeert het stotteren kennelijk zozeer met een zwakheid die er niet mag zijn, dat hij het idee dat hij nu nog stottert niet eens kan overwegen. Hij heeft het verdrongen.

Mijn ‘doorbraak’ met stotteren kwam acht jaar geleden, op mijn 23ste, tijdens een groepstherapiesessie. Tot die tijd had ik nooit iemand verteld dat ik stotterde. Natuurlijk wisten mensen in mijn omgeving dat ik niet vloeiend sprak. Ze hoorden de haperingen en de zinnen die halverwege plotseling een andere wending namen. Maar niemand wist hoe de angst die daarachter school invloed had op alles wat ik deed. Dat ik bij het zien van een menukaart bijvoorbeeld direct al een schifting maakte tussen de gerechten die ik wel en niet kon uitspreken. Of dat ik geen rechten was gaan studeren omdat ik me niet kon voorstellen dat ik ooit zou kunnen pleiten in een rechtbank. In plaats daarvan koos ik voor de ‘veilige’ studie geschiedenis, waarbij ik mijn nerveuze gestotter kon verhullen in een verstrooid imago. Als ik een presentatie moest geven, maakte ik er een toneelstuk van. Ik liep van links naar rechts door de collegezaal terwijl ik druk zwaaide met mijn armen, om de aandacht van mijn spreken af te leiden. Mijn powerpoints zette ik bewust slordig op. Áls ik dan zou vastlopen, dan zouden de medestudenten misschien denken dat het door een slechte voorbereiding kwam, wat nog altijd beter was dan te moeten toegeven dat ik een stotteraar was.

En toen zei een stottertherapeut iets heel simpels. Ze zei dat ik stotterde. Nou, nou, reageerde ik, dat klopt inderdaad wel, want anders had ik hier niet gezeten, maar laten we het niet groter maken dan het is. Zojuist had mijn buurman in de groep verteld dat hij zijn kinderen niet op durfde te halen van het schoolplein. Iemand anders bleef een halve minuut op een woord hangen. Dan viel mijn leed nog mee.

Je stottert gewoon hoor, zei ze. Het maakt niet uit in welke mate. Je stottert. En dat is prima. Het is niet erg als je stottert. Heel veel mensen doen het.

Die woorden bliezen het kaartenhuis omver dat ik jarenlang nauwkeurig voor mezelf had opgezet. Op een of andere manier had ik nooit de optie overwogen dat het stotteren misschien iets was dat ik ‘gewoon’ had. Dat ik niet per se een mislukkeling was als ik haperde. Dat het misschien wel een beetje bij me hoorde. En dat als ik dat accepteerde, ik in staat kon zijn minder situaties uit de weg te gaan en meer vrijheid te voelen. Het stotteren hoefde mijn leven dan niet meer te beheersen.

Halleluja? Nee. Nog regelmatig zeg ik aan de telefoon dat de verbinding slecht is als ik niet uit mijn woorden kom. Of ik schraap mijn keel extra opzichtig, alsof er een hoest in de weg zat. Maar het komt ook vaak voor dat ik me sterk voel. Dan zeg ik gewoon midden in het gesprek: ‘Sorry, ik stotter’. Het blijft een beetje pijnlijk dat ik me daar dan voor verontschuldig, maar de spanning is dan vaak wel meteen uit de lucht.

Het team van Donald Trump heeft de afgelopen maanden nauwlettend het spreken van Joe Biden in de gaten gehouden, schreef Politico deze maand op basis van gesprekken met campagnemanagers. Ze weten precies met welke woorden Biden het moeilijk heeft. De vraag is of Trump er iets van gaat zeggen als Biden stottert. Een campagneadviseur zei dat dat een ‘gecalculeerd risico’ is, omdat kiezers het misschien niet zo sympathiek vinden als Trump daar grapjes over maakt.

Ergens hoop ik dat Biden vastloopt. Dat hij zijn zinnen een keer niet verbuigt, maar gewoon zegt wat hij wil zeggen, ook al resulteert dat in een lange reeks haperingen. Ik hoop dat Trump dan een wrede grap maakt. Waarop Biden hem strak aankijkt en zegt: ‘Ja, ik stotter. Nou en?’

Meer over