Duizenden rode gezichten met een wit kruis erop

We are red, we are white, we are Danish dynamite...

Van onze verslaggever

Bart Jungmann

SUPERBESSE

Denemarken is in de ban van het wielrennen zoals het vier jaar geleden werd beheerst door voetbal toen het nationale team het sterkst van Europa bleek. Tv-uitzendingen van de Tour de France trekken een record-aantal kijkers. Duizenden Denen staan langs Franse wegen, hun gezichten rood geverfd met een wit kruis erop, om vijf fietsende landgenoten te ontwaren tussen zo'n 140 andere coureurs.

Moeilijk is dat niet. Bjarne Riis draagt een gele trui, Brian Holm is als ploeggenoot meestal in de buurt en de drie anderen rijden vaak prominent voorin. Jesper Skibby eindigde vrijdag in Le Puy-En-Velay als tweede, Rolf Sörensen kon zaterdag in een moedige eindsprint eindelijk een kroon op zijn sterke seizoen zetten en Bo Hamburger probeerde zondag een ritje te kapen.

Als er something rotten in the state of Danmark is, dan toch zeker niet het wielrennen. Dat is vooral een kwestie van toeval, zeggen de Denen. Rond 1965 werden vier Deense jongetjes met krachtige benen geboren, die nu al zo lang wielrennen dat ze hun fysieke en mentale kracht aan inzicht paren. Bo Hamburger (26) heeft zijn mooiste jaren dus nog voor zich liggen.

Zaterdag, achter de coulissen van de finish in SuperBesse, passeerden Sörensen en Riis elkaar. De gele-truidrager stond zijn schrijvende landgenoten te woord, de ritwinnaar was op weg naar een klapzoen van vader Jens. Er werd geen woord gewisseld en geen hand geschud. Sinds het WK van '94 zijn de verhoudingen slecht.

Riis verwijt Sörensen destijds zonder overleg gedemarreerd te zijn in de laatste ronde. Sörensen verwijt Riis het gat dicht gereden te hebben. Het is vooral een botsing van karakters. Riis is ingetogen, Sörensen is uitgesproken.

Dat zal hij van zijn vader hebben. Jens Sörensen had in SuperBesse het hoogste woord. Het fietsen is een familie-aangelegenheid. De ene Sörensen is nooit ver van de ander verwijderd. Vader heeft zelf ook geld verdiend met fietsen, broer Peter reed bij de amateurs.

Peter had Rolf ook geadviseerd om in een eindsprint zelf het initiatief te nemen. Hij had Skibby een dag eerder te lang zien wachten met het samenballen van de resterende energie. De aankomst in SuperBesse speelde die tactiek in de kaart: twee scherpe bochten in de laatste honderd meter en een lichte stijging. De eerste kon daardoor eenvoudig de eerste blijven. In zijn ijver om snel bij de finish te komen, vloog Sörensen bijna uit die twee bochten, maar dat deden zijn drie volgelingen ook.

De sleutel van de dertiende etappe lag in de laatste twintig kilometer, waarin de strijd op twee fronten werd gestreden. De ene Deen had zich in een groepje genesteld dat in de beklimming van de Cote de Saint-Anastaise jacht maakte op Abdoesjaparov. De andere Deen vocht een fascinerend gevecht uit met de andere serieuze gegadigden voor de gele trui.

Het peloton was, getuige het moyenne, in een hoog tempo naar de laatste bergen gevlogen en de koers werd met name door de ploeg van Indurain hard gemaakt. Maar het waren Virenque en Leblanc die de zaak op scherp zetten. Ze demarreerden uit het groepje favorieten, waar Riis eerst ploeggenoot Ullrich aan het commando zette.

Toen Berzin en Rominger het moede hoofd bogen, besloot Riis zelf de hand aan de ploeg te slaan. De winst bleef beperkt tot een half minuutje, maar de geestkracht van zijn twee naaste belagers zal er behoorlijk door geknakt zijn.

Uit de voorste rijen was Abdoesjaparov al weggevallen toen de twee koplopers Sörensen en Rodriques gezelschap kregen van Virenque en Leblanc. 'Dat kwam me eigenlijk wel goed uit', zei Sörensen na afloop. Hij vreesde door de Portugese ploeggenoot van Indurain tot een tactisch spel gedwongen te worden. De twee Fransen waren vooral in handhaving van de voorsprong geïnteresseerd.

Daardoor lag het tempo zo hoog dat ook de Italiaan Salvodelli, die zich bij de leiders had gevoegd, geen gevaar meer betekende. Sörensen had zelfs nog gelegenheid om in de eindsprint naar een lichtere versnelling te schakelen.

Daarmee haalde het team van Theo de Rooy zijn tweede dagzege binnen en spoelde Sörensen de herinnering van dinsdag weg. Toen werd hij kort voor de finish ingelopen na een solo van twintig kilometer. De ploeg van gele-truidrager Riis en groene-truidrager Zabel was daarvoor verantwoordelijk.

'Dat was een grote teleurstelling. Het heeft me wel een paar dagen gekost om daarover heen te komen. Maar goed, dat is wielrennen, al begreep ik het niet zo goed. Zabel had die groene trui een of twee dagen later toch wel veroverd.

'Telekom kan beter ontsnappingen toestaan als ze toch geen gevaar voor Riis betekenen. Daarmee kunnen ze wat sympathie kweken in het peloton en is de koers ook beter te beheersen. Je krijgt dan twee verschillende races, één om de gele trui en één voor de ritzege. Zo werkt dat in een meerdaagse wedstrijd.'

Nee, zei Sörensen vervolgens, de strijd van dinsdag heeft niets te maken met de slechte verstandhouding tussen hem en Riis. 'We hebben niet echt een relatie. Hij is een collega, net als de meeste anderen.'

Zie ook pagina 10

Meer over