Duitsers nazificeerden zich vooral zelf IAN KERSHAW SCHEIDT BEKWAAM MYTHEN VAN FEITEN IN NIEUWE HITLER-BIOGRAFIE

'U HEEFT ons heilige vaderland uitgeleverd aan een van de grootste demagogen aller tijden. Ik voorspel dat deze vervloekte man ons Rijk naar de afgrond zal brengen en onze natie in onvoorstelbare ellende zal storten....

Ludendorff wist over wie hij het had. Hij steunde Hitler tijdens diens mislukte putsch in München in 1923 en bezocht hem daarna in de comfortabele gevangenis in Landsberg, waar Hitler Mein Kampf dicteerde. De oproerkraaier uit München leek toen nog voorbestemd als een mislukkeling uit de geschiedenis te verdwijnen. Maar dankzij de verblindheid van conservatief rechts wist Hitler in 1933 het lot van Duitsland in eigen hand te nemen, schrijft de Engelse historicus Ian Kershaw in het eerste deel van zijn grote Hitler-studie, Hitler - 1889-1936: Hubris.

Is het geen hubris, om niet te zeggen gekkenwerk, om na de 120 duizend aan Hitler gewijde publicaties (dit jaar alleen verschenen al zes boeken) met een nieuwe, achthonderd pagina's tellende studie te komen? Kershaw heeft niet zozeer de zoveelste biografie over Hitler willen schrijven als wel een studie over Hitler en de Duitsers. Dat is een onderwerp waarmee hij, auteur van onder meer een baanbrekende studie over de publieke opinie in het Derde Rijk, als geen ander vertrouwd is.

Over de persoon Hitler valt ook moeilijk een echte biografie te schrijven, merkt Kershaw in zijn inleiding op. Omdat Hitler er geen privé-leven op nahield - vrienden heeft hij nooit gehad - kan daar ook niet de sleutel gevonden worden tot de drijfveren van de meest sinistere politicus van deze eeuw.

Sebastian Haffner noemde in een van de beste inleidingen op Hitler (Kanttekeningen bij Hitler, 1978) diens leven daarom eendimensionaal. 'Eerst wordt hij door de geschiedenis gemaakt, daarna maakt hij geschiedenis.' Kershaw schrijft met meer omhaal van woorden hetzelfde. Volgens hem moet de biograaf zich niet richten op de man Hitler, maar direct op het karakter van zijn macht, de macht van de Führer. Zeker vanaf 1933 is zijn boek dan ook eerder een geschiedenis van het Derde Rijk dan een biografie.

Het overweldigende effect van Hitlers macht valt toe te schrijven aan de onvoorwaardelijke trouw en gehoorzaamheid van zijn volgelingen en de onderschatting, de fouten en de collaboratie van de anderen. Zijn macht was niet institutioneel, maar charismatisch. Hitler belichaamde de wil van het Duitse volk. Deze Führer-mythe, waarin hij zelf ging geloven, werd met succes gecultiveerd in al zijn geschriften en tijdens briljant geregisseerde massabijeenkomsten. Kershaw vermeldt dat Hitler tijdens zijn redevoeringen zoveel lichaamsgewicht verloor dat hij altijd twintig flessen mineraalwater bij de hand had.

Kershaw, voordien vooral geïnteresseerd in de onpersoonlijke, structurele factoren van het Derde Rijk, benadrukt nu het eigen aandeel van Hitler als spil van het systeem. Hoe belangrijk de abnormale omstandigheden in Duitsland ook mogen zijn geweest, Hitler was geen historisch ongelukje. De Eerste Wereldoorlog had Hitler mogelijk gemaakt, maar zonder Hitler zouden er geen Tweede Wereldoorlog en geen holocaust zijn geweest, stelt Kershaw.

Dit laatste is van belang omdat in de bekendste biografieën van Hitler - de bestsellers van Allan Bullock (1952) en Joachim Fest (1973) - de jodenvervolging nauwelijks voorkomt. Kershaw is niet de eerste die bestrijdt dat Hitler al tijdens zijn jaren als mislukte kunstenaar in Wenen (1907-1913), bakermat van het politieke antisemitisme, een systematische jodenhater was geworden. Hij acht het waarschijnlijker dat Hitler pas in het eerste jaar na de Eerste Wereldoorlog zijn tot dan toe vage vooroordelen tot een racistische Weltanschauung rationaliseerde, die hij tot in de Berlijnse bunker trouw zou blijven.

Ook het besluit de politiek in te gaan moet volgens Kershaw in dat beslissende jaar worden gesitueerd. Toen ontdekte Hitler, die als Bildungsoffizier (propaganda-officier) was gelegerd in het revolutionaire München, min of meer toevallig zijn redenaarskwaliteiten. Toch slaagt Kershaw er maar ten dele in duidelijk te maken hoe de omstandigheden in dat jaar zijn obsessie met raszuiverheid precies hebben beïnvloed en hoe oprecht die jodenhaat eigenlijk was. Meer dan eens vermeldt hij immers dat bij Hitler de leer altijd ondergeschikt was aan dat ene doel: het verkrijgen van de macht.

'Hoe meer ik over Hitler te weten kom, des te minder begrijp ik hem', moet Allan Bullock eens hebben opgemerkt. Het is natuurlijk mogelijk dat Kershaw zijn interpretatie van de mythologische Hitler bewaart tot het tweede deel. In het eerste deel weet hij bekwaam mythe van feiten te scheiden rond het vooral door Hitler zelf in Mein Kampf gecreëerde beeld van zijn persoon.

O OK DE FABELS van de historici die Hitlers antisemitisme verklaren uit zijn joodse voorouders of uit gebeurtenissen in zijn jeugd (de joodse dokter die zijn moeder zou hebben vergiftigd, de joodse prostituee die hem met syfilis zou hebben besmet, et cetera) worden geduldig uit de wereld geholpen. Dankzij Kershaw kunnen nu enkele vraagtekens worden geschrapt; andere daarentegen blijven staan ondanks zijn degelijk onderzoek op basis van vaak nieuw bronnenmateriaal.

Van een nieuw, afgerond beeld is geen sprake. Kershaws Hitler onderscheidt zich alleen van die van zijn voorgangers door de nadruk die hij legt op de besluiteloosheid van de Führer - in Kershaws ogen was Hitlers loopbaan géén Triumph des Willens.

De putsch in München (1923) kwam bijvoorbeeld niet voort uit enige planning; Hitler gaf toe aan zijn steeds ongeduldiger wordende achterban. En dat de machtsovername tien jaar later wél lukte was minder te danken aan Hitler dan aan de verblindheid van de heersende elites. Hindenburg en de zijnen dachten Hitler te kunnen 'huren' in de strijd tegen de 'bolsjewisering', waaronder zij voor het gemak ook de democratie verstonden.

Zo weinig als Hitler zelf hoefde te doen om aan de macht te komen, zo weinig hoefde hij daarna te doen om zijn macht uit te breiden. De samenleving nazificeerde zich vooral zelf. In zijn beste en tegelijkertijd meest controversiële laatste hoofdstuk over de interne dynamiek van de nazistaat beschrijft Kershaw hoe, doordat men steeds vooruitliep op de wensen van de Führer, een proces van 'cumulatieve radicalisering' ontstond, waaraan Hitler slechts zijn zegen hoefde te geven.

'De darwinistische jungle van het Derde Rijk (. . .) lokte radicale initiatieven uit (. . .) en bevorderde een niets ontziende competitie op elk niveau', schrijft hij. Deze concurrentiestrijd bood ongekende carrièremogelijkheden voor de Eichmannen en andere jonge technocraten die in radicaliteit niet voor hun Führer wilden onderdoen. Helaas laat Kershaw daarbij de door Goldhagen actueel geworden vraag onbeantwoord of zij alleen maar ambitieuze technocraten waren of dat ook de ideologie een belangrijk motief vormde.

Bestuurlijke chaos en corruptie waren het resultaat. Kershaw karakteriseert het naziregime als een soort moderne feodale staat zonder een organisatorische kern en met een staatshoofd dat ver afstond van de praktische politiek. Terwijl de partij en zelfs de directe omgeving van Hitler verantwoordelijk werden gesteld voor alles wat niet goed ging, bleef de mythe in stand: 'Als de Führer eens wist'

Hitlers instinctieve manier van politiek bedrijven valt volgens Kershaw terug te voeren op de ongedisciplineerdheid die zijn jeugd had gekenmerkt. Hij kwam voor de lunch zijn slaapkamer niet uit en ook daarna was het bijna onmogelijk hem te spreken te krijgen. Het liefst sloot hij zich op om over zijn grootse bouwplannen te fantaseren, films te bekijken of zijn omgeving te vervelen met eindeloze monologen. Hij had een hekel aan bureaucratische rompslomp en ontbeerde elke elementaire kennis van de economie. Des te opmerkelijker is dat hij een Wirtschaftswunder op zijn naam kon schrijven .

I N CONFLICTEN nam Hitler pas op het laatst een beslissing, die dan altijd meedogenloos uitviel zoals in de 'nacht van de lange messen', zijn bloedige afrekening met de SA. In diezelfde zomer van 1934 werd zijn Führerstaat geconsolideerd, toen na de dood van Hindenburg het leger uit eigen beweging de eed van trouw op de Führer aflegde. Twee jaar later viel hem een ander cadeau in de schoot, toen zijn leger tot zijn eigen verbazing zonder slag of stoot het Rijnland kon bezetten.

Toch noemt Kershaw Hitler geen 'zwakke dictator', zoals de 'functionalisten' onder de historici van het Derde Rijk. In het oude debat of het de intenties van Hitler waren die rechtstreeks tot de vernietiging van de joden leidden of de spiraal van radicalisering door 'naar de Führer toe werkende' personen en instanties, levert Kershaw een synthese. Volgens hem heeft juist de dialectiek tussen zeer algemene richtlijnen van boven en de spontane initiatieven op lokaal niveau het pad naar Auschwitz gebaand.

Kershaws benadering blijft niettemin controversieel. Hitler mag een afkeer hebben gehad van bestuurszaken, ten aanzien van de twee pijlers van zijn Weltanschauung - het antisemitisme en de Lebensraum-gedachte - was hij niet zo passief. Als we Saul Friedländer (Nazi-Duitsland en de joden, 1998) mogen geloven, was Hitler niet alleen tot in de details op de hoogte van alle anti-joodse maatregelen, hij bemoeide hij zich ook persoonlijk met de uitvoering. Even actief betoonde hij zich trouwens in de internationale politiek en later, tot grote ergernis van zijn generaals, in de oorlogvoering.

In Ron Rosenbaum's Explaining Hitler - The Search for the Origins of his Evil (1998) noemt Allan Bullock het 'hubris', als Hitler in 1941 voor de poorten van Moskou niet langer zijn beeld manipuleert, maar er zelf geheel in is gaan geloven. 'Hitler werd vernietigd door zijn eigen beeld.' Voor Kershaw gebeurt dat in 1936, wanneer Hitler na de bezetting van het Rijnland het hoogtepunt van zijn populariteit heeft bereikt en euforisch uitroept: 'Dat jullie mij hebben gevonden (. . .) is het wonder van de eeuw! En dat ik jullie heb gevonden is Duitslands grote geluk! (. . .) Nu zijn wij Duitsland'

Waarom Kershaw dan al Hitlers hoogmoed voor de val laat komen zal ongetwijfeld duidelijk worden als het tweede deel van deze omvangrijke studie verschijnt. In ieder geval kan worden vastgesteld dat Kershaw met zijn synthese van al het Hitler-onderzoek een boek heeft geschreven waar niemand omheen kan. Al is het waarschijnlijk ijdele hoop te verwachten dat na de verschijning van deel twee alle vragen zijn beantwoord.

Dick van Galen Last

Ian Kershaw: Hitler - 1989-1936: Hubris.

Allen Lane/The Penguin Press, import Penguin Nederland; 845 pagina's; * 74,80.

ISBN 0 713 99047 3.

Meer over