Duitse SPD onwetend van Nederlands cannabisbeleid

De Duitse SPD verkeert in de veronderstelling dat Nederland zijn liberale cannabisbeleid heeft opgegeven. Dat zei dr G. Schaich-Walch, een voor het drugsbeleid verantwoordelijke lid van de SPD-fractie in de Bondsdag, zaterdag op een congres im Bremen over cannabispolitiek en -wetgeving....

MARC VAN DEN EERENBEEMT

Van onze verslaggever

Marc van den Eerenbeemt

BREMEN

De onwetendheid van de Duitse socialistische partij, een voorzichtige voorvechter van liberalisering, doet het ergste vermoeden over het succes van de bijna een maand geleden aangekondigde intensieve campagne ter promotie van het Nederlandse drugsbeleid. Deelstaatminister H. Mosel, die van Sleeswijk-Holstein een proeftuin voor een nieuw Duits cannabisbeleid wil maken, zal begin november een undercover-bezoek aan Amsterdamse koffieshops brengen. De apothekers in haar deelstaat hebben zich op 20 september bereid verklaard als verkooppunten voor hasj en marihuana te fungeren, op voorwaarde dat daarvoor een wettelijke basis wordt gevonden.

Voor het vinden van die wettelijke basis spannen veranderingsgezinde Duitse juristen zich bijzonder in. Op het congres in Bremen verzamelde zich de fine fleur van de cannabisbeweging, onder wie de Harvard-onderzoeker L. Grinspoon, promotor van het medisch gebruik van marihuana, en R. Cowan, directeur van de Amerikaanse legaliseringsbeweging Norml.

De cannabis-lobby is erg bang dat het Nederlandse 'voorbeeld' verloren zal gaan. Nederland moet zich dan ook minder bescheiden opstellen bij het uitdragen van het eigen beleid. De Amerikaan E. Nadelmann, directeur van het Lindesmith Centre, zegt dat Hollanders 'te soft' zijn in het verkopen van hun Drugsnota. 'Anti-drugsgroepen schuwen geen middel om het Nederlandse beleid er slecht uit te laten komen. Dat kan alleen bestreden worden door een sterk en zelfbewust optreden van de Nederlanders.'

Schaich-Walch constateert bij veel Duitse politici de opvatting: 'Holland is nu eenmaal een ander land, we kennen ze niet, en bovendien zullen ze wel liegen.' Geen enkele partij koestert volgens haar de gedachte van legalisering, al wordt wel langzaam duidelijk 'dat repressie een doodlopende weg is'.

Zoals de Nederlandse onderzoeker drs T. Boekhout van Solinge al vaststelde voor Frankrijk, constateert de Bremer hoogleraar prof. dr S. Quensel na onderzoek een 'enorme discrepantie tussen beleid en praktijk' in Duitsland. In sommige deelstaten is de cannabis 'praktisch geliberaliseerd' en 'ingeburgerd als drug die hoort bij de Duitse cultuur'.

Duitse juristen achten een 'pseudo-legale' gedoogsituatie zoals in Nederland onhaalbaar. Omdat de Duitse politie de plicht heeft op te treden bij elke ongerechtigheid die haar ter kennis komt, proberen de juristen een wettelijke basis te formuleren voor cannabisvrijheid.

Congresvoorzitter prof. dr L. Böllinger zette in een schriftelijke bijdrage de Duitse argumenten op een rij. Hij leverde de theoretische grondslag voor de eerste baanbrekende cannabis-vonnissen van Duitsland. Legalisering is voor hem 'rechtspolitiek gezien' de enige oplossing. Daarbij is nadere regelgeving noodzakelijk, te vergelijken met het Reinheitsgebot voor bier.

Een beroep op de schade voor de volksgezondheid, de basis van het drugsverbod, is voor hem ten opzichte van cannabis 'in ernst niet meer te doen'. Gebruikers lopen door het verbod bovendien onnodig schade op. Zij zijn gedwongen een zwarte markt op te zoeken, waar zij in contact komen met criminaliteit, asociale subculturen en hard drugs. De aandacht van de politie voor drugs gaat ten koste van andere terreinen, waar zij node wordt gemist.

Vervolging van cannabisgebruik wordt door Böllinger beschouwd als zeer schadelijk voor de rechtsstaat. De oorlog tegen drugs leidt tot een sterke opbouw van het 'repressief apparaat', vergroving van het strafprocesrecht en inperking van burgerlijke vrijheden. De rechtsgelijkheid wordt in Duitsland geweld aangedaan door de grote verschillen in cannabisbeleid.

In Canada, Zwitserland en Colombia hebben wetgevers en strafrechters volgens Böllinger al vraagtekens gezet bij de feitelijke basis van een cannabisverbod. De Duitse rechtspraak kwam vorig jaar in beweging. Toen besloot het hoogste Duitse hof, het Bundesverfassungsgericht, dat het bezit van cannabis voor eigen gebruik tot een bepaalde grens niet wordt vervolgd. Noordelijke deelstaten trekken de grens bij twintig tot dertig gram. Behoudende zuidelijke deelstaten, zoals Beieren, beperken zich tot zes gram. Op het ministerie van Justitie circuleert het plan een nationale grens te trekken van tien gram.

Begin 1995 velde de rechtbank van Lübeck het 'vier-kilo-vonnis'. Bezit van vier kilo cannabis werd niet vervolgd. Rechter dr H. Schneider zei dat voor vervolging, ook al gaat het om handel, een 'redelijke grond' nodig is. Aangezien de wetenschap geen bewijs kan leveren dat cannabisgebruik een gevaar voor de volksgezondheid oplevert, ontbreekt volgens hem elke materiële strafgrond. Hij verwacht dat het vonnis een toetsing door de nationale rechter niet zal overleven.

Het apothekenplan van Sleeswijk-Holstein kan volgens een ambtenaar van de deelstaat alleen aan door Duitsland ondertekende internationale verdragen ontsnappen als het wordt erkend als nationaal experiment. Voor de bevoorrading van de apotheken heeft Duitsland volgens rechter Schneider de keus tussen staatskweek van cannabis en een stelsel van kweekvergunningen. 'Verstrekking door apotheken en kweekambtenaren zijn politiek nu eenmaal goed te verkopen.'

SPD'er Schaich-Walch reageerde nuchter op de plannen: 'Meneer Schneider heeft mooie dromen.'

Meer over